Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2021-11-29
ECLI:NL:RBDHA:2021:16911
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Proces-verbaal
1,460 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL21.18309
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A. Hol),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J.C. van Ossenbruggen).
Procesverloop
Bij besluit van 15 november 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 29 november 2021 op zitting behandeld. Eiser is verschenen. Zijn gemachtigde is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Als tolk is verschenen M.K. Abashidze. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 29 november 2021;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.500,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 748-.
Overwegingen
De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
1. Eiser voert aan dat hem voorafgaand aan het gehoor voor inbewaringstelling niet is gevraagd of hij een advocaat wenste bij het gehoor. Hij heeft hierbij verwezen naar het proces-verbaal van gehoor van 15 november 2021. Daarin is weliswaar opgenomen dat de advocaat heeft aangegeven dat hij niet bij het gehoor aanwezig kon zijn, maar dat betekent niet dat eiser van rechtsbijstand bij dit gehoor afzag. Eiser heeft bij het gehoor wel gezegd er geen bezwaar tegen te hebben om zijn advocaat later te spreken, maar dat rechtvaardigt ook niet de conclusie dat hij voldoende is voorgelicht over de mogelijkheden van rechtsbijstand bij het gehoor voor inbewaringstelling. Daaruit blijkt ook niet of hij daadwerkelijk van deze rechtsbijstand afgezien zou hebben.
2. De rechtbank is van oordeel dat in het proces-verbaal van het gehoor voor inbewaringstelling van 15 november 2021 niet duidelijk staat dat aan eiser is verteld dat hij recht had op rechtsbijstand. Er staat alleen in dat er contact is opgenomen met de advocaat van eiser, dat de advocaat heeft aangegeven niet bij het gehoor aanwezig te kunnen zijn en dat eiser de advocaat later zou spreken. Hieruit kan niet met zekerheid worden afgeleid dat aan eiser is verteld dat hij recht heeft op een advocaat bij het gehoor. Daarnaast kan uit het proces-verbaal niet worden afgeleid dat aan eiser is medegedeeld dat hij het recht heeft om te wachten met het gehoor tot zijn advocaat aanwezig is. Dit is een schending van zijn recht op toevoeging van een raadsman bij vrijheidsontneming. Dit is een ernstig gebrek. Gelet op de aard van de maatregel en nu niet is gebleken van zeer zwaarwegende belangen aan de zijde van verweerder die aanleiding kunnen geven om aan dat gebrek voorbij te gaan, valt de belangenafweging in het voordeel van eiser uit. Dit betekent dat eisers inbewaringstelling van aanvang af onrechtmatig is.1 Nu deze beroepsgrond slaagt, laat de rechtbank de overige gronden onbesproken.
3. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 29 november 2021.
4. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 15 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 0 x € 130,- (verblijf politiecel) en 15 x € 100,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.500,-.
5. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 748,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.
1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 oktober 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2300.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 29 november 2021 door mr. J.G. Nicholson, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Mulder, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
29 november 2021
Documentcode: [documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.