Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-09-26
ECLI:NL:RBDHA:2025:17692
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
832 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.44356
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 september 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. Y. Özdemir),
en
de minister van Asiel en Migratie
(gemachtigde: mr. M.M. Luik).
Procesverloop
Bij besluit van 14 september 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 23 september 2025 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. R. Poyraz als waarnemer van zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
1. Eiser betoogt dat de minister aan hem een lichter middel had moeten opleggen. Hij heeft namelijk verklaard dat hij nog niet lang in Nederland is en hier met een reden is gekomen. Hij is ook bereid om terug te keren, maar wil de gelegenheid krijgen om zijn zaken af te handelen.
1.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister voldoende gemotiveerd waarom geen lichter middel aan eiser is opgelegd. Uit de gronden van de maatregel volgt namelijk een risico op onttrekking. Daarnaast heeft eiser in het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling verklaard dat als hij de tijd krijgt hij Nederland zal verlaten en dan naar een ander land dan Zwitserland zal gaan. Eiser dient echter terug te keren naar Zwitserland, omdat dat land verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. Verder heeft eiser niet voldoende concreet gemaakt welke zaken hij in Nederland wenst af te handelen, waardoor de minister hier geen rekening mee heeft hoeven en kunnen houden in het kader van een lichter middel. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
2. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door
de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan
de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie
3. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, rechter, in aanwezigheid van mr. K.H.M.M. Otten, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
ABRvS van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829.