Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-07-18
ECLI:NL:RBDHA:2024:11687
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,342 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.28090
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. H. Uzumcu),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. H.J. Toonders).
Procesverloop
Bij besluit van 15 juni 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Verweerder heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 17 juli 2024 in Breda op zitting behandeld. Eiser is via een videoverbinding verschenen, bijgestaan door mr. B. Demirhan, als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Tunesische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op 1 november 1991.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. In de maatregel van bewaring staan als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser heeft aangevoerd dat hij een verblijfsvergunning heeft in Italië. Er is daarom geen zicht op uitzetting naar Tunesië. Verweerder had nader onderzoek moeten doen naar het verblijfsrecht van eiser in Italië. Verder is er geen reactie gekomen van de Tunesische autoriteiten op de lp-aanvraag, maar is er wel een vlucht geboekt.
4. In het bericht van verweerder van 14 juli 2024 als ook ter zitting heeft verweerder medegedeeld dat er wel onderzoek is verricht in Italië en ook contact is opgenomen met de Spaanse autoriteiten, omdat is gebleken dat eisers paspoort in Spanje is achtergebleven. Uit het onderzoek is gebleken dat eiser geen verblijfsrecht (meer) heeft in Italië. Verder hebben de Spaanse autoriteiten het paspoort van eiser opgestuurd. Het was daarom niet meer nodig om de lp-aanvraag af te wachten, waardoor er een vlucht geboekt kon worden met als vertrekdatum 25 juli 2024, aldus verweerder. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan deze gang van zaken te twijfelen. Verder is gebleken dat een IOM-traject is gestart, waarbij een vlucht is geboekt voor 19 juli 2024. Gelet hierop treffen de beroepsgronden geen doel.
5. De rechtbank stelt vast dat er geen gronden zijn ingediend tegen de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggen. Uit de stukken en de mededelingen van verweerder ter zitting volgt dat de zware gronden 3a en 3c feitelijk juist zijn. Er zijn daarom voldoende gronden om de maatregel van bewaring te kunnen dragen en om een significant risico op onderduiken aan te nemen.
6. Verder leidt ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enige moment onrechtmatig was.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 18 juli 2024 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
Laissez-passer.
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en – in aansluiting hierop – ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829.