Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-08-20
ECLI:NL:RBDHA:2025:16251
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,834 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.50327
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser]
, V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. H.A. Rispens),
en
de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. J.G.R. Becker).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eiser zijn aanvraag voor een verblijfsdocument EU/EER. Eiser is het niet eens met die afwijzing. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van die beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister eisers aanvraag niet ten onrechte heeft afgewezen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsdocument EU/EER. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 4 oktober 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 18 november 2024 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 7 augustus 2025 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep (zaak NL24.50332), op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1997 en heeft de Surinaamse nationaliteit. Op 18 februari 2023 heeft eiser een aanvraag ingediend tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER. Eiser verblijft in Nederland met zijn partner [partner] , die ook de Surinaamse nationaliteit heeft. Zij heeft twee minderjarige kinderen, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . [minderjarige 2] is de biologische dochter van eiser en heeft de Surinaamse nationaliteit. [minderjarige 1] heeft een Nederlandse vader en heeft zelf ook de Nederlandse nationaliteit. Met de aanvraag beoogt eiser verblijf bij [minderjarige 1] als minderjarig kind van zijn partner met de Nederlandse nationaliteit. Eiser doet hiermee een beroep op het Chavez- Vilchez arrest.
3.1.
De minister heeft beoordeeld of eiser als stiefvader in aanmerking komt voor verblijf bij [minderjarige 1] . De minister heeft de aanvraag afgewezen omdat eiser niet aan de voorwaarden voor een verblijf op grond van het Chavez-Vilchez arrest voldoet. Met het bestreden besluit heeft de minister de afwijzing van eisers aanvraag gehandhaafd. De minister stelt zich daarbij op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat tussen hem en [minderjarige 1] een zodanige afhankelijkheidsrelatie bestaat dat zij gedwongen zal zijn om het grondgebied van de Unie te verlaten als aan eiser verblijfsrecht wordt geweigerd.
3.2.
De minister heeft ook beoordeeld of eiser in aanmerking dient te komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM, het recht op eerbiediging van het privé-, familie en gezinsleven. In dat kader neemt de minister aan dat er sprake is van gezinsleven tussen eiser en [minderjarige 1] alsook van eiser met zijn juridische dochter [minderjarige 2] en met zijn partner [partner] . Desondanks komt eiser niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning omdat de belangen van de Nederlandse staat volgens de minister zwaarder wegen dan die van eiser en zijn gezin.
Het toetsingskader
4. In B10/2.5.1 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) staan vier criteria waaraan moet worden voldaan om een geslaagd beroep te kunnen doen op het Chavez-Vilchez arrest. Deze criteria zijn:
a) de vreemdeling moet zijn identiteit en nationaliteit aannemelijk maken of ondubbelzinnig aantonen;
b) de vreemdeling heeft een minderjarig kind (dat in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit);
c) de vreemdeling verricht al dan niet gezamenlijk met de andere ouder daadwerkelijke zorgtaken ten behoeve van het minderjarige kind;
d) tussen de vreemdeling en het kind bestaat een zodanige afhankelijkheidsverhouding dat het kind gedwongen zou zijn het grondgebied van de Europese Unie te verlaten als aan de vreemdeling geen verblijfsrecht wordt toegekend.
Omdat ook stiefouders een belangrijke rol kunnen spelen in het leven van een kind, kan een derdelands stiefouder ook een geslaagd beroep doen op het Chavez-Vilchez arrest als aan alle criteria wordt voldaan.
Chavez-Vilchez
5. Eiser is het niet eens met het standpunt van de minister dat hij niet aan de voorwaarden voor het afgeleid verblijfsrecht voldoet. Hij merkt allereerst op dat duurzaam samenwonen met een EU-kind een (weerlegbaar) rechtsvermoeden oplevert van een afhankelijkheidsverhouding. Volgens eiser heeft de minister dit rechtsvermoeden niet weerlegd. De minister heeft enkel het bestaan van een afhankelijkheidsrelatie ontkent, maar niet deugdelijk gemotiveerd waarom de bestaande afhankelijkheidsrelatie niet voldoende is. Daarnaast heeft de minister erop gewezen dat als de moeder ondersteuning behoeft bij de zorg en opvoeding van het kind, zij een beroep kan doen op de in Nederland aanwezige kinderopvang en/of maatschappelijke instellingen. Ook dit is volgens eiser geen deugdelijke motivering van het standpunt dat er geen sprake is van een afhankelijkheidsrelatie in de zin van Chavez-Vilchez. Dat geldt ook voor de overweging van de minister dat het in de lijn der verwachting zou liggen dat [minderjarige 1] bij haar moeder in Nederland zal blijven wonen als eiser een verblijfsrecht wordt geweigerd. Eiser wijst op de zitting ook op de uitspraak van de Afdeling1 van 22 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3344. In deze uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat de minister in dat geval terecht heeft betoogd dat het samenwonen van de betrokkenen met de referent op zichzelf niet kan leiden tot een weerlegbaar vermoeden van het bestaan van een afhankelijkheidsverhouding. Maar in die zaak was de betrokkene noch de biologische ouder, noch de juridische of stiefouder van de referent en had hij ook geen gezag over het kind. Eiser meent dat zijn situatie verschilt van deze zaak, omdat er in zijn geval nog een kind is, [minderjarige 2] , waar hij wel de biologische en juridische vader van is en waar hij samen met zijn partner het gezag over heeft. Dit kind heeft weliswaar niet de Nederlandse nationaliteit, maar het ligt wel in de lijn der verwachtingen dat dit kind deze zal gaan krijgen.
5.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Voor een geslaagd beroep op het Chavez- Vilchez arrest is vereist dat er een zodanige afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en [minderjarige 1] bestaat dat zij gedwongen zou zijn het grondgebied van de Unie te verlaten als aan eiser een verblijfsrecht wordt geweigerd. Dat gaat verder dan dat er enkel sprake is van een afhankelijkheidsrelatie. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat daar sprake van is. Eiser heeft in dat kader gewezen op het rechtsvermoeden van een afhankelijkheidsverhouding bij samenwoning. De minister heeft in het verweerschrift, conform IB 2023/31 uitgelegd dat er voor stiefouders doorgaans meer dan samenwoning nodig moet zijn om de afhankelijkheidsrelatie aan te nemen. Daarom wordt in het geval van stiefouders ook gekeken naar andere factoren, namelijk de familierechtelijke betrekking, het gezag en de affectieve en de financiële band. De rechtbank kan deze uitleg van de minister volgen.
5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat er gelet op deze factoren geen sprake is van een zodanige afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en [minderjarige 1] , dat zij gedwongen zou zijn het grondgebied van de Unie te verlaten als aan eiser een verblijfsrecht wordt geweigerd. De minister heeft voorop mogen stellen dat, zoals uit de Vc volgt, voor stiefouders meestal meer dan samenwoning nodig is voordat een afhankelijkheidsrelatie kan worden aangenomen. De minister heeft er ook op mogen wijzen dat eiser niet de juridische ouder van [minderjarige 1] is en dat hij geen wettelijk gezag over haar heeft. Haar moeder is wel haar juridische ouder met ouderlijk gezag. Ook stelt de minister niet ten onrechte dat de moeder
1. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
van [minderjarige 1] in overwegende mate de zorg en verantwoordelijkheid draagt, nu zij naast het beschikken van het ouderlijk gezag ook voorziet in het financiële onderhoud. Eiser werkt soms als klusjesman en heeft geen vaste baan, moeder heeft wel vast werk. Dat er een affectieve band is en eiser zorg- en opvoedtaken heeft, is onvoldoende om te spreken van een zodanige afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en [minderjarige 1] , dat zij gedwongen zou zijn het grondgebied van de Unie te verlaten als aan eiser een verblijfsrecht wordt geweigerd.
Eisers verwijzing naar het verschil in de situatie met die in de door hem aangehaalde uitspraak van de Afdeling, leidt niet tot een ander oordeel. Eiser en zijn partner hebben weliswaar een gezamenlijk kind waar zij beide de juridisch ouder van zijn en het gezag over hebben, maar de aanvraag op grond van het Chavez-Vilchez arrest ziet op het verblijf bij een ander minderjarig kind met de nationaliteit van één van de lidstaten van de Europese Unie.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van N.J. Biswane, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
20 augustus 2025
Documentcode: [Documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.