Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-10-10
ECLI:NL:RBDHA:2025:20278
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,774 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.29070 (beroep) en NL24.29071 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] ,
geboren op [geboortedag] 1980, van Ghanese nationaliteit, eiser/verzoeker
(gemachtigde: mr. A.A. Ubbergen),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. S. Imami).
Samenvatting
1.1.
Deze uitspraak gaat over de beëindiging van het verblijfsrecht van eiser. Eiser is het daar niet mee eens en voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Hij heeft ook verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (de rechtbank) of verweerder het verblijfsrecht heeft mogen beëindigen.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder het verblijfsrecht van eiser terecht heeft beëindigd. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Omdat de rechtbank nu beslist op het beroep van eiser, is voor het treffen van een voorlopige voorziening geen reden meer. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt dus afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
2.1.
Eiser is geboren op [geboortedag] 1980 en heeft de Ghanese nationaliteit. Eiser heeft twee kinderen, [namen] , die Unieburgers zijn.
2.2.
Eiser heeft op 1 juli 2019 een aanvraag ingediend tot afgifte van een verblijfsdocument als verzorgende ouder van zijn minderjarige Nederlandse kind, op grond van artikel 20 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie en het arrest Chavez-Vilchez. Het verblijfsdocument is op 16 december 2019 aan eiser toegekend voor de duur van vijf jaar.
2.3.
Uit gegevens van de Basisregistratie Personen (BRP) is gebleken dat eiser per 8 februari 2021 niet meer op hetzelfde adres stond ingeschreven als zijn ex-partner en kinderen. Verweerder is naar aanleiding daarvan een onderzoek gestart naar het rechtmatig verblijf van eiser en heeft eiser een voornemen tot beëindigen van het verblijfsrecht toegestuurd.
2.4.
Met het primaire besluit van 28 september 2023 heeft verweerder het verblijfsrecht van eiser beëindigd per 8 februari 2021 en tevens een terugkeerbesluit opgelegd. Verweerder heeft informatie ontvangen van de gezinsbegeleider van eiser en zijn ex-partner. Uit deze informatie volgt dat eiser per begin 2020 op een ander adres is gaan wonen. In juli 2020 is de ex-partner drie maanden naar Ghana gegaan. Bij haar terugkomst is de relatie tussen eiser en zijn ex-partner onder spanning komen te staan, waarbij de relatie uiteindelijk tot een einde is gekomen. Uit de informatie van de gezinsbegeleider volgt verder dat eiser sinds 10 september 2022 zijn kinderen 22 keer heeft bezocht en dat de duur van dit contact tussen de dertig minuten en twee uur zou zijn geweest. Verweerder stelt zich op basis van de informatie van de gezinsbegeleider op het standpunt dat eiser onvoldoende heeft aangetoond wat zijn zorg- en opvoedingstaken zijn en dat hij deze taken daadwerkelijk uitvoert. Ook heeft eiser niet aangetoond dat zijn kinderen zodanig van hem afhankelijk zijn, dat zij gedwongen zouden zijn hem te volgen als hij Nederland of de Europese Unie zou moeten verlaten. Verweerder heeft ook een belangenafweging gemaakt in het kader van artikel 8 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM) en heeft de belangen van de Nederlandse overheid zwaarder laten wegen dan de belangen van eiser, (onder meer) omdat geen sprake is van een intensief gezinsleven tussen eiser en zijn kinderen. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen deze beëindiging en het terugkeerbesluit.
2.5.
Met het bestreden besluit van 26 juni 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Verweerder is bij het standpunt gebleven dat eiser geen zorg- en opvoedingstaken voor zijn kinderen uitvoert. Daarnaast geldt dat eiser op de hoorzitting bij verweerder op 4 juni 2024 verklaard heeft dat hij sinds vier maanden geen enkel contact meer heeft met zijn kinderen.
2.6.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en daarbij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Verweerder heeft gereageerd met een verweerschrift.
2.7.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 12 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, E.O. Tackey als tolk in de Twise taal, en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.
Juridisch kader
3.1.
Voor de vraag of sprake is van rechtmatig verblijf als verzorgende ouder van een minderjarig kind dat Unieburger is, moet worden gekeken naar het arrest Chavez-Vilchez. Uit dit arrest volgt dat recht op verblijf kan worden ontleend als wordt voldaan aan een aantal vereisten. Deze vereisten zijn neergelegd in paragraaf B10/2.2 van Vreemdelingencirculaire 2000 B. Aan de volgende vereisten moet zijn voldaan:
a. a) de vreemdeling moet zijn identiteit en nationaliteit aannemelijk maken door het overleggen van een geldig document voor grensoverschrijding of een geldige identiteitskaart. Als de vreemdeling hieraan niet kan voldoen, moet hij zijn identiteit en nationaliteit ondubbelzinnig aantonen met andere middelen;
b) de vreemdeling heeft een minderjarig kind (dat wil zeggen: beneden de achttien jaar) dat in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit;
c) de vreemdeling verricht al dan niet gezamenlijk met de andere ouder daadwerkelijke zorgtaken ten behoeve van het minderjarige kind; en
d) tussen de vreemdeling en het kind bestaat een zodanige afhankelijkheidsverhouding dat het kind gedwongen zou zijn het grondgebied van de Unie te verlaten als aan de vreemdeling een verblijfsrecht wordt geweigerd.
3.2.
Uit de Vreemdelingencirculaire volgt verder dat zorg- en/of opvoedingstaken met een marginaal karakter niet worden aangemerkt als daadwerkelijke zorgtaken ten behoeve van het minderjarige kind, tenzij het marginale karakter van de zorg- en/of opvoedingstaken de vreemdeling niet is aan te rekenen. Dit wordt de vreemdeling niet aangerekend als hij kan aantonen dat de andere ouder de omgang met het kind frustreert.
3.3.
Uit een recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 22 juli 2025 blijkt dat de vereisten van zorg- en opvoedingstaken en de afhankelijkheidsverhouding niet als zelfstandige, cumulatieve vereisten mogen worden toegepast. Het is namelijk de afhankelijkheidsrelatie tussen een minderjarige burger van de Unie en de vreemdeling, die het nuttig effect van het burgerschap van de Unie in het geding kan brengen, aangezien die afhankelijkheid ertoe kan leiden dat de burger van de Unie als gevolg van die weigering gedwongen zal zijn niet alleen het grondgebied van de lidstaat waarvan hij de onderdaan is, maar eveneens het grondgebied van de Unie als geheel te verlaten. De afhankelijkheidsverhouding vormt dus de grondslag voor het ontstaan van een afgeleid verblijfsrecht. Dat neemt echter niet weg dat een afhankelijkheidsverhouding doorgaans niet voorstelbaar is als een betrokkene niet meer dan marginale zorg- en/of opvoedingstaken verricht. Anderzijds is het verrichten van meer dan marginale zorg- en/of opvoedingstaken niet zonder meer voldoende voor het doen ontstaan van een afhankelijkheidsverhouding.
Beoordeling
4.1.
De rechtbank beoordeelt of verweerder terecht is overgegaan tot het beëindigen van het verblijfsrecht van eiser. De rechtbank zal het bestreden besluit hierbij ex tunc toetsen. Dat betekent dat de rechtbank de rechtmatigheid van het bestreden besluit beoordeelt aan de hand van de feiten en omstandigheden zoals die zich ten tijde van het bestreden besluit, op 26 juni 2024, voordeden. Feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na het bestreden besluit worden niet bij de beoordeling betrokken.
4.2.
Eiser voert aan dat verweerder zijn verblijfsrecht niet had mogen beëindigen. Volgens eiser is het arrest Chavez-Vilchez op zijn situatie van toepassing. Eiser heeft namelijk de daadwerkelijke zorg over zijn kinderen. Hij levert een financiële bijdrage en is in grote mate betrokken bij de opvoeding van de kinderen. Ter onderbouwing overlegt eiser foto’s van hem en zijn kinderen, een kopie van zijn bankafschriften en verklaringen van kennissen over, waaruit volgens hem zou blijken dat hij de zorg voor zijn kinderen heeft en omgang met hen heeft.
4.3.
Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 22 juli 2025 zal de rechtbank beoordelen of sprake is van een afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en zijn minderjarige kinderen en zal de rechtbank de vraag of sprake is van zorg- en opvoedingstaken daarbij betrekken.
4.4.
De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Eiser heeft toegelicht dat hij in 2022 uit elkaar is gegaan met zijn ex-partner. Tijdens de hoorzitting bij verweerder op 4 juni 2024 heeft eiser verklaard dat hij zijn kinderen vier maanden geleden voor het laatst had gezien. Ook op de zitting bij de rechtbank heeft eiser verklaard dat hij zijn kinderen al een lange tijd geleden voor het laatst heeft gezien. De rechtbank stelt dus vast dat eiser op het moment van het bestreden besluit (26 juni 2024) geen, of in ieder geval minimaal contact had met zijn kinderen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich, gelet daarop, terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en zijn kinderen. De rechtbank ziet dat eiser met regelmaat bijdraagt in de kosten van het levensonderhoud voor zijn kinderen, maar dit maakt het voorgaande niet anders. Het enkel overmaken van geld op een rekening en af en toe aankopen doen voor de kinderen, is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van een afhankelijkheidsrelatie.
4.5.
Eiser voert (eerst) in beroep verder aan dat zijn ex-partner de omgang tussen hem en zijn kinderen frustreert. Het is enkel te wijten aan zijn ex-partner dat er geen omgang meer is met de kinderen. Om omgang te bewerkstelligen, heeft eiser inmiddels bij de rechtbank om een omgangsregeling verzocht. Eiser was voorheen nog niet op de hoogte van de mogelijkheid dat hij via de rechter kon proberen omgang te verkrijgen met zijn kinderen. Op de omgangsregeling is nog niet beslist.
4.6.
Voor zover eiser hiermee een beroep heeft willen doen op de bepaling in de Vreemdelingencirculaire dat wanneer sprake is van marginale zorg- en opvoedingstaken dit de vreemdeling niet kan worden aangerekend als de andere ouder de omgang met het kind frustreert, volgt de rechtbank hem niet. Zoals de rechtbank in 4.1 al heeft overwogen, gaat het in deze zaak om de feiten en omstandigheden zoals die zich voordeden op het moment van het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat in de periode in geding sprake is van het frustreren van omgang door de ex-partner op het moment dat de omgang gereguleerd is geweest nadat Veilig Thuis betrokken is geweest bij de omgang tussen eiser en zijn ex-partner en de kinderen. Een beroep op deze bepaling kan daarom niet slagen.
4.7.
Eiser heeft tenslotte nog een beroep gedaan op artikel 8 van het EVRM. Volgens eiser volgt hieruit dat op de overheid een positieve verplichting rust die ertoe leidt dat aan hem verblijf moet worden toegestaan. Als de overheid dit niet toestaat, is sprake van een objectieve belemmering om zijn familie- of gezinsleven uit te oefenen.
4.8.
De rechtbank volgt eiser hierin niet. Verweerder heeft een belangenafweging gemaakt in het kader van artikel 8 van het EVRM en de belangen van eiser afgewogen tegen die van de Nederlandse overheid. Verweerder heeft de belangen van de Nederlandse overheid zwaarder laten wegen. Verweerder heeft daartoe, onder meer, aan ten grondslag gelegd dat geen sprake is van een intensief gezinsleven tussen eiser en zijn kinderen. De rechtbank kan deze belangenafweging volgen. Uit hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen volgt namelijk dat verweerders beoordeling dat geen sprake is van een afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en zijn kinderen stand kan houden. Eiser kan daarom niet worden gevolgd in zijn beroepsgrond dat sprake is van een objectieve belemmering om het familie- of gezinsleven uit te oefenen.
Conclusie
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder het verblijfsrecht van eiser terecht heeft beëindigd per 8 februari 2021. Het beroep is dus ongegrond.
5.2.
Omdat de rechtbank nu beslist op het beroep van eiser, is er voor het treffen van de voorlopige voorziening geen reden meer. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom af.
5.3.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL24.29070:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL24.29071:
- wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, rechter, in aanwezigheid van mr.I.G.A. Karregat, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Het arrest van het Europees Hof van Justitie 10 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:354.
De tekst in de Vreemdelingencirculaire zoals deze gold ten tijde van het bestreden besluit, op 26 juni 2024.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 22 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3344.