Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-03-13
ECLI:NL:RBDHA:2025:15632
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,231 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.47023
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. S. Çetinkaya-Ahmad),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: Ch.R Vink).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft op 14 oktober 2022 voor hemzelf en zijn minderjarige zoon een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 20 november 2024 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 2 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde, D.A.H. Ahmed als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1987, heeft de Iraakse nationaliteit en heeft de Jezidische etniciteit en gelijknamige religie. Hij heeft het volgende aan zijn asielrelaas ten grondslag gelegd. Eiser heeft zijn hele leven last gehad van discriminatie op grond van zijn herkomst en religie. Zowel hij als zijn familie werden door de autoriteiten en anderen slecht behandeld. In 2014 is eisers vrouw tijdens een aanval op hun dorp door IS ontvoerd. Hierna heeft eiser met zijn twee kinderen in een tentenkamp gewoond. De voorzieningen in het kamp waren slecht en ook hier werd eiser gediscrimineerd. Toen eiser in 2022 voldoende financiële middelen had, is hij gevlucht. Bij terugkeer vreest eiser gedood te worden door Iraakse moslims omdat hij Jezidi is.
Het bestreden besluit
3. Verweerder heeft eisers asielrelaas geloofwaardig bevonden. Verweerder is echter van oordeel dat eiser geen vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag is. Jezidi’s worden niet langer aangemerkt als risicoprofiel. Uit eisers persoonlijke omstandigheden blijkt verder niet dat eiser een gegronde vrees voor vervolging heeft. De discriminatie die eiser heeft ervaren wordt daarnaast niet als zwaarwegend genoeg beoordeeld omdat er geen sprake is van een dusdanig ernstige beperking van zijn bestaansmogelijkheden. Eiser had namelijk toegang tot de arbeidsmarkt en tot medische zorg. Verder ziet verweerder geen reden om een reëel risico op ernstige schade aan te nemen omdat eiser geen individuele redenen naar voren heeft gebracht waaruit een dergelijk risico blijkt. Daarnaast krijgt eiser uitstel van vertrek om medische redenen in afwachting van een BMA-onderzoek naar de omstandigheden van zijn minderjarige zoon.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser stelt zich op het standpunt dat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd. Zo stelt eiser dat verweerder ten onrechte heeft geoordeeld dat de discriminatie die hij heeft meegemaakt niet zwaarwegend genoeg is. De houding van andere bevolkingsgroepen tegenover Jezidi’s is nog steeds zeer negatief. Verweerder mag voorts niet verwachten dat eiser zich terughoudend opstelt en verweerder miskent hierbij dat er sprake is van een opeenstapeling van discriminerende incidenten die samen tot de conclusie leiden dat sprake was van vervolging. Daarbij is sprake van vervolging van Jezidi’s door IS nu eisers asielrelaas geloofwaardig wordt geacht en moet verweerder hierbij ook betrekken dat eiser in 2007 vrienden is verloren en in 2014 zijn vrouw door aanvallen van IS. Het gebrek aan direct op zijn persoon gerichte vervolgingshandelingen hoeft daardoor niet te betekenen dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft. Verder verwijst eiser naar een uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 24 oktober 2024 waaruit blijkt dat verweerder ook het geval van eiser volgens het oude beleid had moeten beoordelen. In dat beleid viel eiser namelijk nog onder een risicogroep en het mag niet in eisers nadeel werken dat verweerder te laat heeft beslist. Ook heeft verweerder niet de door eiser ingebrachte landeninformatie betrokken in de besluitvorming, terwijl verweerder deze informatie ook niet tegenspreekt. Eiser stelt zich verder op het standpunt dat verweerder ten onrechte niet heeft gespecificeerd naar welke plek eiser zal moeten terugkeren. Van eiser kan namelijk niet worden verwacht dat hij teruggaat naar het tentenkamp [kampnaam] omdat dit geen normale woon- en verblijfplaats is en de omstandigheden voor de Jezidi’s daar erbarmelijk zijn. Daarbij kan niet worden verwacht dat eiser teruggaat naar zijn gebied van herkomst [gebied] omdat dit te onveilig is en er sprake is van een gewapend conflict in de zin van artikel 15, aanhef en onderdeel c, van de Kwalificatierichtlijn. Verweerder had hieraan moeten toetsen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank stelt vast dat het asielrelaas van eiser door verweerder geloofwaardig is bevonden zonder voorbehoud. Zodoende is de geloofwaardigheidsbeoordeling niet in geschil. Dit houdt in dat verweerder – en dus ook de rechtbank – uitgaat van het gehele relaas van eiser bij de verdere beoordeling van zijn asielaanvraag.
Vluchtelingenschap
6. Verweerder heeft naar oordeel van de rechtbank niet ten onrechte gevonden dat het enkel zijn van Jezidi geen gegronde vrees voor vervolging oplevert. Hierbij heeft verweerder kunnen wijzen op het gewijzigde beleid naar aanleiding van het meest recente ambtsbericht. Niet is gebleken dat Jezidi’s omwille hun geloof of etniciteit het risico lopen om in algemene zin slachtoffer te worden van geweld of ernstige schade. Bovendien wordt Jezidisme officieel erkend in Irak als godsdienst en worden Jezidi’s niet actief ervan weerhouden hun geloof te uiten. Daar komt bij dat eiser niet aannemelijk heeft kunnen maken dat hij specifiek gevaar loopt vanwege het feit dat hij Jezidi is.
6.1.
De discriminatie waar eiser slachtoffer van is geweest wordt door verweerder erkend. Verweerder verwijst in dit kader naar de incidentele weigering om voor eisers diensten te betalen, beledigingen en nadelige behandeling in het ziekenhuis. Desalniettemin heeft verweerder tegen kunnen werpen dat hieruit niet blijkt dat eiser dusdanig werd beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat de discriminatie als vervolging moet worden aangemerkt. Eiser heeft immers verschillende soorten werk uit kunnen oefenen waaronder werkzaamheden voor de overheid. Ook is eiser, ondanks zijn behandeling, niet geheel geweerd van zorg.
6.2.
De verwijzing van eiser naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 24 oktober 2024 slaagt niet. Het feit dat verweerder te laat heeft beslist op zijn asielaanvraag laat onverlet dat bij het nemen van het besluit getoetst moet worden aan de huidige veiligheidssituatie in het land van herkomst in samenhang met de individuele omstandigheden en het op dat moment geldende beleid. Anders dan de rechtbank in de uitspraak van 24 oktober 2024, ziet deze rechtbank geen aanleiding het gewijzigde strengere beleid in combinatie met het niet tijdig beslissen door verweerder als een bijzondere omstandigheid aan te merken die maakt dat van genoemd uitgangspunt moet worden afgeweken. Een andere opvatting zou beteken dat verweerder telkens als hij begunstigend beleid intrekt en niet binnen de beslistermijn een besluit neemt, gehouden is het oude beleid toe te passen. Bovendien kan niet op voorhand worden uitgesloten dat eiser ook als getoetst wordt met de strengere bewijsmaatstaf een asielvergunning moet worden verleend. Van strijd met het gelijkheidsbeginsel is niet gebleken.
Artikel 15 van de Kwalificatierichtlijn
7. Het algemeen ambtsbericht Irak van november 2023 vermeldt dat de algemene situatie voor Jezidi’s op punten is verbeterd. Verweerder heeft hiervoor onder andere verwezen naar initiatieven van de Iraakse regering om de [gebied] regio weer op te bouwen en de herstelbetalingen voor slachtoffers van oorlogsgeweld - wat overigens ook volgens het ambtsbericht zeer bureaucratisch en traag verloopt en voor psychosociale stress zorgt. Daarnaast geldt echter dat vele ontheemden nog niet terug durven naar hun thuisgebied en degenen die het wel proberen stuiten op obstakels. Zo spreekt het ambtsbericht van hernieuwde ontheemden; ontheemden die terug zijn gekeerd naar [gebied] maar door oplaaiend geweld weer zijn ontheemd. Andere obstakels voor terugkeer zijn de verwoesting van infrastructuur en huizen, het gebrek aan kansen op levensonderhoud en basisvoorzieningen. De veiligheidssituatie wordt volgens bronnen als belangrijkste obstakel gezien voor een grootschalige terugkeer van Jezidi’s. Regelmatige Turkse luchtaanvallen op PKK- en YBS-doelen waren hierin een belangrijke factor.
Conclusie
9. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit is strijdig met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat het besluit een zorgvuldigheidsgebrek en een motiveringsgebrek bevat en niet in stand kan blijven. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten, om zelf in de zaak te voorzien of om een bestuurlijke lus toe te passen.
9.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.
9.2.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde van € 907,- per punt en een wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt verweerder op om binnen zes weken opnieuw op de asielaanvraag van eiser te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak;
veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van P.J.J. Schaap, griffier.
Dictum
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Bureau Medische Advisering.
Verwezen wordt naar het UNHCR Handbook on Procedures and Criteria for Determining Refugee Status and Guidelines on International Protection van februari 2019, paragraaf 54 en 55, pag. 21.
Zie het UNHCR Handbook, paragraaf 43, pag. 20.
Zie het UNHCR Handbook, paragraaf 44, pag. 20.
Zie het EUAA rapport Country Guidance: Iraq van november 2024, het rapport Freedom on the Net 2024 van Freedom House van 16 oktober 2024 en het rapport Navigating Dispute and Displacement: The Yazidi Experience in Post-ISIS Iraq van Brandeis University Crown Center for Middle East Studies van maart 2023.
Zie de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 24 oktober 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:17345.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 18 september 2012, ECLI:NL:RVS:2012:357.
Zie het EUAA rapport Country of Origin Information: Iraq van mei 2024, pag. 91.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2927.
Zie het EUAA rapport Country Guidance: Iraq van november 2024.
Verslag nader gehoor, pag. 13 en verslag aanmeldgehoor, pag. 10.
Zie ook de Beslisnota bij Kamerbrief over landenbeleid Irak van 27 mei 2024, pag. 2 en 5.
Zie het AAB van november 2023, pag. 70.
Zie het AAB van november 2023, pag. 68.
Zie het AAB van november 2023, pag. 67.