Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-04-17
ECLI:NL:RBDHA:2026:10838
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
14,606 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10838 text/xml public 2026-05-20T13:22:30 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-17 NL25.63906 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10838 text/html public 2026-05-20T13:21:49 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10838 Rechtbank Den Haag , 17-04-2026 / NL25.63906 asiel. beroep gegrond maar rechtsgevolgen in stand laten - geen gegronde vrees voor vervolging vanwege Koerdische etniciteit - voldoende gemotiveerd dat er sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in Aleppo - onvoldoende gemotiveerd dat eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM gelet op arrest Sufi en Elmi. wel individuele beoordeling gemaakt maar onvoldoende gemotiveerd waarom aangesloten moet worden bij de 'zwaardere' toets van het arrest Sufi en Elmi in plaats van de 'lichtere' toets. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL25.63906 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. G. Ocak), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. C.R. Vink). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. 1.1. Eiser heeft op 6 oktober 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 25 december 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond 1.2. De rechtbank heeft het beroep op 26 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, Z. Karem als tolk en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? Het asielrelaas 2. Eiser heeft de Syrische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1992. Eiser behoort tot de Koerdische bevolkingsgroep en hij legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij in Syrië als Koerd werd gediscrimineerd. Eiser is afkomstig uit [plaats] , en is in 2012 uit Syrië vertrokken vanwege de oorlog en de militaire dienstplicht. Eiser vreest dat hij bij terugkeer problemen krijgt vanwege zijn Koerdische afkomst. Verder is de algemene situatie in Syrië ook heel slecht. Eiser heeft een Marokkaanse vrouw en zij hebben samen (inmiddels) twee kinderen. Het bestreden besluit 3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven: eisers identiteit, nationaliteit en herkomst; discriminatie tegen koerden; en militaire dienstplicht. 3.1. Verweerder vindt het eerste asielmotief geloofwaardig. Verder heeft verweerder de geloofwaardigheid van het tweede en derde asielmotief niet beoordeeld. De geloofwaardigheid van deze asielmotieven wordt door verweerder in het midden gelaten omdat verweerder al op voorhand stelt dat de verklaringen – indien geloofwaardig – niet zwaarwegend genoeg zijn om te leiden tot gegronde vrees voor vervolging. Dat eiser tot de Koerdische bevolkingsgroep behoort, is op zichzelf onvoldoende om een gegronde vrees voor vervolging aan te nemen. Niet is gebleken dat eiser als Koerd zodanig gediscrimineerd is dat het voor hem onmogelijk was om op maatschappelijk en sociaal gebied te kunnen functioneren, en ook niet dat dit bij terugkeer wel het geval zal zijn. Daarnaast is eisers vrees voor rekrutering, zowel vanuit de overheid als vanuit de Koerdische strijdkrachten, niet aannemelijk. Dat eiser uit Syrië komt is volgens verweerder onvoldoende om aan te nemen dat hij een vluchteling is als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag of dat hij bij terugkeer naar Syrië een reëel risico loopt op ernstige schade. Eiser komt vanwege het voorgaande niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen als ongegrond. Wat vindt eiser in beroep? 4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert het volgende aan. Ten eerste verzoekt eiser de zienswijze als herhaald en ingelast te beschouwen. Verder vindt eiser dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat hij bij terugkeer geen reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Eiser betoogt onder verwijzing naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank dat verweerder hierbij alle relevante omstandigheden, waaronder ook alle humanitaire omstandigheden, moet betrekken. Dit heeft verweerder nagelaten. Ook betoogt eiser onder verwijzing naar verschillende bronnen dat de veiligheidssituatie in Syrië nog erg slecht is. Bovendien loopt eiser ook risico op ernstige schade vanwege zijn Koerdische etniciteit en vanwege de militaire dienstplicht en het risico van rekrutering. Verweerder heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat zijn terugkeer niet in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Ten slotte vindt eiser dat verweerder ten onrechte het nieuwe beleid heeft toegepast bij de beoordeling van zijn asielaanvraag. 4.1. Verder vindt eiser dat verweerder artikel 8 van het EVRM onjuist heeft toegepast. Verweerder miskent dat het recht op gezinsleven niet afhankelijk is van het hebben van een verblijfsvergunning in Nederland. Eiser vindt ook dat verweerder in strijd met vaste jurisprudentie van het EHRM heeft gehandeld nu hij heeft nagelaten de belangen van de minderjarige kinderen kenbaar en expliciet te betrekken bij de beoordeling. Ten slotte voert eiser aan dat artikel 8 van het EVRM wordt geschonden nu eiser en zijn echtgenote uitstel van vertrek vanwege medische redenen hebben gekregen en hun minderjarig kind als enige een terugkeerbesluit opgelegd heeft gekregen. Ouders en kind worden hierdoor gescheiden van elkaar. Het bestreden besluit is om deze reden ook in strijd met artikel 24 van het Handvest. Wat is het oordeel van de rechtbank? 5. De rechtbank beoordeelt of verweerder eisers asielaanvraag terecht heeft afgewezen als ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat en zal het daarom vernietigen. Zij ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten. Hieronder legt de rechtbank dat uit. Herhaald en ingelast 6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser met de enkele verwijzing naar wat eerder door hem is aangevoerd in de zienswijze onvoldoende uiteengezet op welke punten het bestreden besluit volgens hem onjuist of onvolledig is en waarom. Dit kan dan ook niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De rechtbank zal zich dan ook beperken tot bespreking van de gronden die in beroep zijn aangevoerd. 6.1. Het standpunt van eiser dat verweerder niet inhoudelijk is ingegaan op de zienswijze volgt de rechtbank niet, nu verweerder in het bestreden besluit wel degelijk – en kenbaar – de standpunten uit de zienswijze van eiser heeft betrokken in zijn beoordeling. Eiser heeft ter zitting zijn standpunt ook niet verder gespecifieerd. Vluchtelingschap 7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat eisers vrees bij terugkeer voor discriminatie vanwege het feit dat hij Koerd is niet aannemelijk is. Eiser heeft verklaard dat hij voor de oorlog geen discriminatie heeft ondervonden, maar dat deze discriminatie na het begin van de oorlog is toegenomen. Eiser heeft verklaard dat er geen les werd gegeven in de Koerdische taal en dat eiser de officiële feestdagen zoals nowruz niet mocht vieren. Echter heeft verweerder er terecht op gewezen dat uit landeninformatie blijkt dat er stappen zijn genomen om de rechten van de Koerdische gemeenschap te garanderen. Zo heeft verweerder naar het Algemeen ambtsbericht Syrië gewezen waaruit blijkt dat de SDF op 10 maart 2025 een overeenkomst sloot met het interim-bestuur waarbij erkenning van de Koerdische gemeenschap als een integraal onderdeel van de Syrische staat wordt beschouwd en de burgerrechten en grondwettelijke rechten worden gewaarborgd.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10838 text/xml public 2026-05-20T13:22:30 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-17 NL25.63906 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10838 text/html public 2026-05-20T13:21:49 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10838 Rechtbank Den Haag , 17-04-2026 / NL25.63906 asiel. beroep gegrond maar rechtsgevolgen in stand laten - geen gegronde vrees voor vervolging vanwege Koerdische etniciteit - voldoende gemotiveerd dat er sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in Aleppo - onvoldoende gemotiveerd dat eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM gelet op arrest Sufi en Elmi. wel individuele beoordeling gemaakt maar onvoldoende gemotiveerd waarom aangesloten moet worden bij de 'zwaardere' toets van het arrest Sufi en Elmi in plaats van de 'lichtere' toets. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL25.63906 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. G. Ocak), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. C.R. Vink). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. 1.1. Eiser heeft op 6 oktober 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 25 december 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond 1.2. De rechtbank heeft het beroep op 26 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, Z. Karem als tolk en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? Het asielrelaas 2. Eiser heeft de Syrische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1992. Eiser behoort tot de Koerdische bevolkingsgroep en hij legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij in Syrië als Koerd werd gediscrimineerd. Eiser is afkomstig uit [plaats] , en is in 2012 uit Syrië vertrokken vanwege de oorlog en de militaire dienstplicht. Eiser vreest dat hij bij terugkeer problemen krijgt vanwege zijn Koerdische afkomst. Verder is de algemene situatie in Syrië ook heel slecht. Eiser heeft een Marokkaanse vrouw en zij hebben samen (inmiddels) twee kinderen. Het bestreden besluit 3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven: eisers identiteit, nationaliteit en herkomst; discriminatie tegen koerden; en militaire dienstplicht. 3.1. Verweerder vindt het eerste asielmotief geloofwaardig. Verder heeft verweerder de geloofwaardigheid van het tweede en derde asielmotief niet beoordeeld. De geloofwaardigheid van deze asielmotieven wordt door verweerder in het midden gelaten omdat verweerder al op voorhand stelt dat de verklaringen – indien geloofwaardig – niet zwaarwegend genoeg zijn om te leiden tot gegronde vrees voor vervolging. Dat eiser tot de Koerdische bevolkingsgroep behoort, is op zichzelf onvoldoende om een gegronde vrees voor vervolging aan te nemen. Niet is gebleken dat eiser als Koerd zodanig gediscrimineerd is dat het voor hem onmogelijk was om op maatschappelijk en sociaal gebied te kunnen functioneren, en ook niet dat dit bij terugkeer wel het geval zal zijn. Daarnaast is eisers vrees voor rekrutering, zowel vanuit de overheid als vanuit de Koerdische strijdkrachten, niet aannemelijk. Dat eiser uit Syrië komt is volgens verweerder onvoldoende om aan te nemen dat hij een vluchteling is als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag of dat hij bij terugkeer naar Syrië een reëel risico loopt op ernstige schade. Eiser komt vanwege het voorgaande niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen als ongegrond. Wat vindt eiser in beroep? 4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert het volgende aan. Ten eerste verzoekt eiser de zienswijze als herhaald en ingelast te beschouwen. Verder vindt eiser dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat hij bij terugkeer geen reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Eiser betoogt onder verwijzing naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank dat verweerder hierbij alle relevante omstandigheden, waaronder ook alle humanitaire omstandigheden, moet betrekken. Dit heeft verweerder nagelaten. Ook betoogt eiser onder verwijzing naar verschillende bronnen dat de veiligheidssituatie in Syrië nog erg slecht is. Bovendien loopt eiser ook risico op ernstige schade vanwege zijn Koerdische etniciteit en vanwege de militaire dienstplicht en het risico van rekrutering. Verweerder heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat zijn terugkeer niet in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Ten slotte vindt eiser dat verweerder ten onrechte het nieuwe beleid heeft toegepast bij de beoordeling van zijn asielaanvraag. 4.1. Verder vindt eiser dat verweerder artikel 8 van het EVRM onjuist heeft toegepast. Verweerder miskent dat het recht op gezinsleven niet afhankelijk is van het hebben van een verblijfsvergunning in Nederland. Eiser vindt ook dat verweerder in strijd met vaste jurisprudentie van het EHRM heeft gehandeld nu hij heeft nagelaten de belangen van de minderjarige kinderen kenbaar en expliciet te betrekken bij de beoordeling. Ten slotte voert eiser aan dat artikel 8 van het EVRM wordt geschonden nu eiser en zijn echtgenote uitstel van vertrek vanwege medische redenen hebben gekregen en hun minderjarig kind als enige een terugkeerbesluit opgelegd heeft gekregen. Ouders en kind worden hierdoor gescheiden van elkaar. Het bestreden besluit is om deze reden ook in strijd met artikel 24 van het Handvest. Wat is het oordeel van de rechtbank? 5. De rechtbank beoordeelt of verweerder eisers asielaanvraag terecht heeft afgewezen als ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat en zal het daarom vernietigen. Zij ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten. Hieronder legt de rechtbank dat uit. Herhaald en ingelast 6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser met de enkele verwijzing naar wat eerder door hem is aangevoerd in de zienswijze onvoldoende uiteengezet op welke punten het bestreden besluit volgens hem onjuist of onvolledig is en waarom. Dit kan dan ook niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De rechtbank zal zich dan ook beperken tot bespreking van de gronden die in beroep zijn aangevoerd. 6.1. Het standpunt van eiser dat verweerder niet inhoudelijk is ingegaan op de zienswijze volgt de rechtbank niet, nu verweerder in het bestreden besluit wel degelijk – en kenbaar – de standpunten uit de zienswijze van eiser heeft betrokken in zijn beoordeling. Eiser heeft ter zitting zijn standpunt ook niet verder gespecifieerd. Vluchtelingschap 7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat eisers vrees bij terugkeer voor discriminatie vanwege het feit dat hij Koerd is niet aannemelijk is. Eiser heeft verklaard dat hij voor de oorlog geen discriminatie heeft ondervonden, maar dat deze discriminatie na het begin van de oorlog is toegenomen. Eiser heeft verklaard dat er geen les werd gegeven in de Koerdische taal en dat eiser de officiële feestdagen zoals nowruz niet mocht vieren. Echter heeft verweerder er terecht op gewezen dat uit landeninformatie blijkt dat er stappen zijn genomen om de rechten van de Koerdische gemeenschap te garanderen. Zo heeft verweerder naar het Algemeen ambtsbericht Syrië gewezen waaruit blijkt dat de SDF op 10 maart 2025 een overeenkomst sloot met het interim-bestuur waarbij erkenning van de Koerdische gemeenschap als een integraal onderdeel van de Syrische staat wordt beschouwd en de burgerrechten en grondwettelijke rechten worden gewaarborgd.
Volledig
Ook heeft verweerder terecht betrokken dat eiser heeft verklaard dat zijn familie is teruggekeerd naar [plaats] en dat zij toegang hebben tot gezondheidszorg en onderwijs. Verweerder heeft terecht geconcludeerd dat uit eisers verklaringen niet is gebleken dat hij zodanig in zijn leven zou worden beperkt dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied zou kunnen functioneren. 8. Verweerder heeft terecht geconcludeerd dat eisers vrees voor militaire dienstplicht niet aannemelijk is. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat uit landeninformatie blijkt dat er geen sprake meer is van verplichte militaire dienst of rekrutering sinds het regime van Assad is opgeheven op 8 december 2024 . Ook wordt deze informatie bevestigd door de informatie van de EUAA. Verweerder heeft hierbij terecht betrokken dat voor de dienstweigeraars en deserteurs het regime van Assad de enige dader van vervolging was. Nu het regime is gevallen, is het risico dat verband hield met het regime weggenomen. Bovendien heeft de regering een algemene amnestie aangekondigd voor dienstplichtigen in het Syrische leger en kan eiser dus niet langer meer vervolgd worden voor zijn dienstweigering. Verweerder heeft ook kunnen concluderen dat eisers vrees om gerekruteerd te worden door de Koerdische strijdkrachten niet aannemelijk is, omdat Aleppo onder controle staat van het regime. Reëel risico op ernstige schade vanwege situatie van willekeurig geweld 9. Voor zover eiser zich op het standpunt stelt dat verweerder het gewijzigde beleid onvoldoende heeft gemotiveerd dan wel onvoldoende heeft gemotiveerd waarom verweerder het nieuwe beleid (o.a. het beleid na de val van Assad) heeft toegepast, overweegt de rechtbank dat verweerder vrij is om zijn beleid aan te passen. De rechtbank toetst of het gewijzigde beleid en de toepassing daarvan in overeenstemming zijn met artikel 3 EVRM dan wel het vluchtelingenverdrag. Om het risico bij terugkeer goed te kunnen inschatten moet verweerder een individuele beoordeling maken. Of eiser kan terugkeren naar Syrië zonder dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade moet blijken uit zijn individuele situatie én de door hem overgelegde en verder bekende (algemene) informatie. De verwijzing van eiser naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam verandert het oordeel van de rechtbank gelet op het voorgaande niet. 10. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn , zoals geïmplementeerd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vreemdelingenwet 2000, gaat allereerst over de situatie waarin de mate van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict zo hoog is dat een ieder alleen al door zijn aanwezigheid in dat land of gebied een reëel risico loopt op ernstige schade. In deze meest uitzonderlijke situatie wordt niet toegekomen aan het betrekken van individuele omstandigheden. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn kan ook betrekking hebben op een ‘minder uitzonderlijke situatie’. Dan moet niet alleen gekeken worden naar de veiligheidssituatie in het land van herkomst, maar ook naar de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van een asielzoeker. Hoe meer een asielzoeker aannemelijk kan maken dat zijn individuele omstandigheden voor een verhoogd risico zorgen, hoe minder willekeurig geweld is vereist om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming. Bij de beoordeling of sprake is van een uitzonderlijke situatie die onder de reikwijdte van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn valt, moeten alle relevante omstandigheden globaal in aanmerking worden genomen en specifiek de intensiteit van de gewapende confrontaties, het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten en de duur van het conflict, alsook andere elementen zoals de geografische omvang van het gebied waar het willekeurig geweld plaatsvindt, de daadwerkelijke bestemming van een asielzoeker bij terugkeer en het antwoord op de vraag of de strijdende partijen ook opzettelijk geweld gebruiken tegen burgers. De hoogste bestuursrechter heeft geoordeeld dat humanitaire omstandigheden ook als relevante omstandigheid in deze globale beoordeling moeten worden betrokken. Daarbij is van belang dat alleen humanitaire omstandigheden die momenteel worden veroorzaakt en/of in stand worden gehouden door het handelen en/of nalaten van de partijen die actief betrokken zijn in het gewapende conflict betrokken moeten worden bij de 15c-beoordeling. 10.1. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht geconcludeerd dat uit het algemeen ambtsbericht over Syrië van mei 2025 het beeld naar voren komt dat er gewapende conflicten in het hele land plaatsvinden tussen verschillende gewapende actoren, leidend tot incidentele pieken in geweldsuitbarstingen en gevechten, maar dat de aantallen burgerslachtoffers als gevolg van willekeurig geweld hierbij relatief laag blijven. Verweerder heeft uit het meest recente Algemeen ambtsbericht Syrië van januari 2026 terecht geconcludeerd dat het aantal geweldsincidenten in Syrië flink is gedaald en ook het aantal burgerdoden is afgenomen. Ook heeft verweerder terecht geconcludeerd dat het aantal incidenten met ontplofbare oorlogsresten nauwelijks is toegenomen en dat er daarnaast maatregelen worden genomen met betrekking tot het ruimen van ontplofbare oorlogsresten. Verweerder heeft er daarbij terecht op gewezen dat de dalende trend in geweldsincidenten ook in Aleppo, het gebied van terugkeer van eiser, te zien is. Uit het ambtsbericht van januari 2026 blijkt dat het grootste gedeelte van de provincie Aleppo, waarin de stad [plaats] ligt, onder controle staat van de overgangsregering. In de verslagperiode fluctueerde het maandelijkse aantal geweldsincidenten tussen 34 (november 2025) en 72 (september 2025). In vergelijking met de voorgaande verslagperiode was sprake van een daling van het aantal geregistreerde geweldsincidenten in Aleppo. Verder waren er in Aleppo meerdere incidenten met ontplofbare oorlogsresten, maar werden deze ook geruimd. In de verslagperiode was sprake van ontheemding in Aleppo, maar het is niet duidelijk in hoeverre dit verband hield met conflictgerelateerd geweld. Wel leidden spanningen in december 2025 in de stad Aleppo tot ontheemding. In de verslagperiode keerden echter ook meer dan 700.000 binnenlands ontheemden terug naar hun oorspronkelijke woonplaats in Aleppo. 10.1.1. Wat betreft de humanitaire omstandigheden heeft verweerder er terecht op gewezen dat de hoofdveroorzaker van de slechte humanitaire omstandigheden, zoals die beschreven staan in het Algemeen Ambtsbericht over Syrië uit mei 2025, het regime van Assad was, dat inmiddels geen actor meer is in het huidige gewapende conflict. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat het meest recente ambtsbericht van januari 2026 geen reden geeft voor een andere conclusie op dit punt. Weliswaar heeft ook het handelen van de huidige partijen impact op de humanitaire situatie, maar verweerder heeft terecht geconcludeerd dat de slechte humanitaire situatie in hoofdzaak niet is te wijten aan huidig handelen van de nu nog actieve partijen. Verweerder heeft ook gewezen op de EUAA Country Guidance over Syrië waarin staat dat vóór de val van het Assad-regime gerapporteerd werd dat strijdende partijen bewust gezondheidsvoorzieningen aanvielen en ook de aanvoer van basisvoorzieningen tegenhielden, maar dat er geen informatie is die erop wijst dat dit nog steeds het geval is. Eiser heeft geen landeninformatie overgelegd waaruit volgt dat de partijen die momenteel actief betrokken zijn in het gewapende conflict de slechte humanitaire omstandigheden in Syrië in het algemeen en Aleppo in het bijzonder veroorzaken en/of in stand houden. 10.2. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder, met inachtneming van dat wat in deze zaak is aangevoerd, voldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in Aleppo. 10.3. Verweerder heeft ook kunnen concluderen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij op grond van zijn individuele omstandigheden een verhoogd risico loopt om het slachtoffer te worden van willekeurig geweld.
Volledig
Ook heeft verweerder terecht betrokken dat eiser heeft verklaard dat zijn familie is teruggekeerd naar [plaats] en dat zij toegang hebben tot gezondheidszorg en onderwijs. Verweerder heeft terecht geconcludeerd dat uit eisers verklaringen niet is gebleken dat hij zodanig in zijn leven zou worden beperkt dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied zou kunnen functioneren. 8. Verweerder heeft terecht geconcludeerd dat eisers vrees voor militaire dienstplicht niet aannemelijk is. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat uit landeninformatie blijkt dat er geen sprake meer is van verplichte militaire dienst of rekrutering sinds het regime van Assad is opgeheven op 8 december 2024 . Ook wordt deze informatie bevestigd door de informatie van de EUAA. Verweerder heeft hierbij terecht betrokken dat voor de dienstweigeraars en deserteurs het regime van Assad de enige dader van vervolging was. Nu het regime is gevallen, is het risico dat verband hield met het regime weggenomen. Bovendien heeft de regering een algemene amnestie aangekondigd voor dienstplichtigen in het Syrische leger en kan eiser dus niet langer meer vervolgd worden voor zijn dienstweigering. Verweerder heeft ook kunnen concluderen dat eisers vrees om gerekruteerd te worden door de Koerdische strijdkrachten niet aannemelijk is, omdat Aleppo onder controle staat van het regime. Reëel risico op ernstige schade vanwege situatie van willekeurig geweld 9. Voor zover eiser zich op het standpunt stelt dat verweerder het gewijzigde beleid onvoldoende heeft gemotiveerd dan wel onvoldoende heeft gemotiveerd waarom verweerder het nieuwe beleid (o.a. het beleid na de val van Assad) heeft toegepast, overweegt de rechtbank dat verweerder vrij is om zijn beleid aan te passen. De rechtbank toetst of het gewijzigde beleid en de toepassing daarvan in overeenstemming zijn met artikel 3 EVRM dan wel het vluchtelingenverdrag. Om het risico bij terugkeer goed te kunnen inschatten moet verweerder een individuele beoordeling maken. Of eiser kan terugkeren naar Syrië zonder dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade moet blijken uit zijn individuele situatie én de door hem overgelegde en verder bekende (algemene) informatie. De verwijzing van eiser naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam verandert het oordeel van de rechtbank gelet op het voorgaande niet. 10. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn , zoals geïmplementeerd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vreemdelingenwet 2000, gaat allereerst over de situatie waarin de mate van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict zo hoog is dat een ieder alleen al door zijn aanwezigheid in dat land of gebied een reëel risico loopt op ernstige schade. In deze meest uitzonderlijke situatie wordt niet toegekomen aan het betrekken van individuele omstandigheden. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn kan ook betrekking hebben op een ‘minder uitzonderlijke situatie’. Dan moet niet alleen gekeken worden naar de veiligheidssituatie in het land van herkomst, maar ook naar de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van een asielzoeker. Hoe meer een asielzoeker aannemelijk kan maken dat zijn individuele omstandigheden voor een verhoogd risico zorgen, hoe minder willekeurig geweld is vereist om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming. Bij de beoordeling of sprake is van een uitzonderlijke situatie die onder de reikwijdte van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn valt, moeten alle relevante omstandigheden globaal in aanmerking worden genomen en specifiek de intensiteit van de gewapende confrontaties, het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten en de duur van het conflict, alsook andere elementen zoals de geografische omvang van het gebied waar het willekeurig geweld plaatsvindt, de daadwerkelijke bestemming van een asielzoeker bij terugkeer en het antwoord op de vraag of de strijdende partijen ook opzettelijk geweld gebruiken tegen burgers. De hoogste bestuursrechter heeft geoordeeld dat humanitaire omstandigheden ook als relevante omstandigheid in deze globale beoordeling moeten worden betrokken. Daarbij is van belang dat alleen humanitaire omstandigheden die momenteel worden veroorzaakt en/of in stand worden gehouden door het handelen en/of nalaten van de partijen die actief betrokken zijn in het gewapende conflict betrokken moeten worden bij de 15c-beoordeling. 10.1. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht geconcludeerd dat uit het algemeen ambtsbericht over Syrië van mei 2025 het beeld naar voren komt dat er gewapende conflicten in het hele land plaatsvinden tussen verschillende gewapende actoren, leidend tot incidentele pieken in geweldsuitbarstingen en gevechten, maar dat de aantallen burgerslachtoffers als gevolg van willekeurig geweld hierbij relatief laag blijven. Verweerder heeft uit het meest recente Algemeen ambtsbericht Syrië van januari 2026 terecht geconcludeerd dat het aantal geweldsincidenten in Syrië flink is gedaald en ook het aantal burgerdoden is afgenomen. Ook heeft verweerder terecht geconcludeerd dat het aantal incidenten met ontplofbare oorlogsresten nauwelijks is toegenomen en dat er daarnaast maatregelen worden genomen met betrekking tot het ruimen van ontplofbare oorlogsresten. Verweerder heeft er daarbij terecht op gewezen dat de dalende trend in geweldsincidenten ook in Aleppo, het gebied van terugkeer van eiser, te zien is. Uit het ambtsbericht van januari 2026 blijkt dat het grootste gedeelte van de provincie Aleppo, waarin de stad [plaats] ligt, onder controle staat van de overgangsregering. In de verslagperiode fluctueerde het maandelijkse aantal geweldsincidenten tussen 34 (november 2025) en 72 (september 2025). In vergelijking met de voorgaande verslagperiode was sprake van een daling van het aantal geregistreerde geweldsincidenten in Aleppo. Verder waren er in Aleppo meerdere incidenten met ontplofbare oorlogsresten, maar werden deze ook geruimd. In de verslagperiode was sprake van ontheemding in Aleppo, maar het is niet duidelijk in hoeverre dit verband hield met conflictgerelateerd geweld. Wel leidden spanningen in december 2025 in de stad Aleppo tot ontheemding. In de verslagperiode keerden echter ook meer dan 700.000 binnenlands ontheemden terug naar hun oorspronkelijke woonplaats in Aleppo. 10.1.1. Wat betreft de humanitaire omstandigheden heeft verweerder er terecht op gewezen dat de hoofdveroorzaker van de slechte humanitaire omstandigheden, zoals die beschreven staan in het Algemeen Ambtsbericht over Syrië uit mei 2025, het regime van Assad was, dat inmiddels geen actor meer is in het huidige gewapende conflict. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat het meest recente ambtsbericht van januari 2026 geen reden geeft voor een andere conclusie op dit punt. Weliswaar heeft ook het handelen van de huidige partijen impact op de humanitaire situatie, maar verweerder heeft terecht geconcludeerd dat de slechte humanitaire situatie in hoofdzaak niet is te wijten aan huidig handelen van de nu nog actieve partijen. Verweerder heeft ook gewezen op de EUAA Country Guidance over Syrië waarin staat dat vóór de val van het Assad-regime gerapporteerd werd dat strijdende partijen bewust gezondheidsvoorzieningen aanvielen en ook de aanvoer van basisvoorzieningen tegenhielden, maar dat er geen informatie is die erop wijst dat dit nog steeds het geval is. Eiser heeft geen landeninformatie overgelegd waaruit volgt dat de partijen die momenteel actief betrokken zijn in het gewapende conflict de slechte humanitaire omstandigheden in Syrië in het algemeen en Aleppo in het bijzonder veroorzaken en/of in stand houden. 10.2. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder, met inachtneming van dat wat in deze zaak is aangevoerd, voldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in Aleppo. 10.3. Verweerder heeft ook kunnen concluderen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij op grond van zijn individuele omstandigheden een verhoogd risico loopt om het slachtoffer te worden van willekeurig geweld.
Volledig
Eiser heeft aangevoerd dat hij een verhoogd risico loopt vanwege zijn Koerdische etniciteit en vanwege zijn dienstplichtweigering, maar deze omstandigheden houden verband met een vrees voor gericht geweld in plaats van een verhoogd risico op willekeurig geweld. De rechtbank heeft onder 7 en 8 al overwogen dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft vanwege zijn Koerdische etniciteit en militaire dienstplicht. 10.4. Eiser heeft ter zitting gesteld dat er sprake is van een bijzonder veranderlijke en onzekere situatie. De rechtbank overweegt dat hoewel niet zeker is hoe de situatie in Syrië zich in de toekomst ontwikkelt, er inmiddels meer dan een jaar is verstreken sinds het regime van Assad is gevallen en er twee Algemeen Ambtsberichten zijn uitgebracht. Verweerder is – zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen – op basis van deze ambtsberichten dan ook terecht tot de conclusie gekomen dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in Aleppo. Terugkeerbesluit 11. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat zijn terugkeer niet in strijd is met artikel 3 van het EVRM. De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft op 23 februari 2026 geoordeeld dat verweerder in het kader van het terugkeerbesluit moet beoordelen of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Verweerder kan voor deze beoordeling niet slechts verwijzen naar zijn beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Het Hof van Justitie van de EU heeft eerder al geoordeeld dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 3 van het EVRM verschillen qua inhoud en dat de uitlegging van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn autonoom moet plaatsvinden. 11.1. Daarbij is van belang dat het EHRM in het arrest Sufi en Elmi twee situaties onderscheidt: - In de eerste situatie worden de humanitaire omstandigheden niet veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor. - In de tweede situatie worden de humanitaire omstandigheden wel veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor. In de eerste situatie geldt een zwaardere toets dan in de tweede situatie en ligt de lat voor eiser daarmee hoger. 11.2. In het verweerschrift heeft verweerder erop gewezen dat het EHRM in september 2025 een getroffen voorlopige voorziening ten aanzien van een Syrische man niet heeft verlengd. Ook heeft verweerder erop gewezen dat het EHRM in het arrest Sufi en Elmi heeft overwogen dat van schending van artikel 3 van het EVRM wegens humanitaire omstandigheden die niet worden veroorzaakt door het doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor, slechts sprake kan zijn bij ‘very exceptional circumstances where the humanitarian grounds against removal are compelling’. Eiser heeft volgens verweerder niet aangevoerd dat hij bij terugkeer naar Syrië terecht zal komen in een zodanig schrijnende humanitaire situatie. Daarbij heeft verweerder erop gewezen dat eiser een gezonde volwassen man is met familie in zijn herkomstgebied [plaats] , waarnaar hij kan terugkeren. 11.3. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Dit motiveringsgebrek is in het verweerschrift deels hersteld. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom in dit geval moet worden aangesloten bij de ‘zwaardere’ toets van het arrest Sufi en Elmi in plaats van de ‘lichtere’ toets. Wanneer de humanitaire crisis in overwegende mate veroorzaakt is door de strijdende partijen, moet namelijk gekeken worden naar eisers ‘ability to cater for his most basic needs, such as food, hygiene and shelter, his vulnerability to ill-treatment and the prospect of his situation improving within a reasonable time-frame.’ Verweerder heeft, in het kader van artikel 3 van het EVRM, niet gemotiveerd dat de humanitaire crisis niet in overwegende mate veroorzaakt is door de strijdende partijen. Hoewel verweerder dit in het kader van de 15c-beoordeling wel heeft gemotiveerd, heeft verweerder niet gemotiveerd dat en waarom dezelfde argumentatie ook in het kader van artikel 3 van het EVRM opgaat. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen moet de uitleg van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn en de uitleg van artikel 3 van het EVRM autonoom plaatsvinden. De rechtbank stelt echter vast dat verweerder wel een individuele beoordeling heeft gemaakt van de vraag of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Verweerder heeft er ter zitting op gewezen dat eiser tijdens het nader gehoor is bevraagd over zijn situatie bij terugkeer. Eiser heeft verklaard dat zijn familie 35 olijfbomen heeft en dat zijn familie in de tuin groente verbouwt om van te eten. Ook heeft eiser verklaard dat zijn familie toegang heeft tot gezondheidszorg en dat zijn kinderen, als zij oud genoeg zijn, naar school kunnen in het dorp. Verweerder heeft daarmee voldoende de individuele situatie van eiser bij terugkeer in zijn beoordeling betrokken. Verweerder heeft zich gelet hierop, ook als moet worden uitgegaan van de ‘zwaardere’ toets van het arrest Sufi en Elmi, terecht op het standpunt gesteld dat eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 EVRM. Verblijfsvergunning regulier 12. Partijen zijn erover eens dat er sprake is van gezinsleven, maar zij zijn het niet eens over de vraag of het niet toekennen van een verblijfsvergunning regulier een schending van artikel 8 van het EVRM oplevert. 13. De rechtbank overweegt dat verweerder bij de toets aan artikel 8 van het EVRM in dit geval geen afzonderlijke belangenafweging heeft hoeven maken. Eiser noch zijn partner hebben rechtmatig verblijf op grond van een verblijfsvergunning, nu de asielaanvragen van alle gezinsleden worden afgewezen, zodat er geen sprake is van een inmenging. Aan de vraag of deze inmenging gerechtvaardigd is en waarbij een belangenafweging moet plaatsvinden, wordt daarom niet toegekomen. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat artikel 8 van het EVRM geen recht geeft op domiciliekeuze en niet zo kan worden geïnterpreteerd dat gezinsleven in Nederland moet worden gefaciliteerd bij het ontbreken van geldig verblijfsrecht. Verweerder heeft gelet op het voorgaande terecht het standpunt ingenomen dat het niet toekennen van een verblijfsvergunning regulier geen schending van artikel 8 van het EVRM oplevert. 14. Bovendien heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank ook niet nagelaten om de belangen van de minderjarige kinderen te betrekken bij de beoordeling onder artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat het gezin het gezinsleven gezamenlijk buiten Nederland kan voorzetten. Op zitting heeft verweerder verhelderd dat er aan alle gezinsleden terugkeerbesluiten zijn opgelegd. De drie terugkeerbesluiten zijn enkel tijdelijk opgeschort wegens uitstel van vertrek om medische redenen. Het standpunt van eiser dat zijn kind als enige een terugkeerbesluit opgelegd heeft gekregen en dat daarom sprake is van strijd met artikel 24 van het Handvest is daarmee niet meer aan de orde. Conclusie en gevolgen 15. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, omdat sprake is van een motiveringsgebrek. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten, gelet op wat zij hiervoor onder 11.3 heeft overwogen. Dit betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag van eiser in stand blijft. 16. Omdat het beroep tegen het bestreden besluit gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1868,-.
Volledig
Eiser heeft aangevoerd dat hij een verhoogd risico loopt vanwege zijn Koerdische etniciteit en vanwege zijn dienstplichtweigering, maar deze omstandigheden houden verband met een vrees voor gericht geweld in plaats van een verhoogd risico op willekeurig geweld. De rechtbank heeft onder 7 en 8 al overwogen dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft vanwege zijn Koerdische etniciteit en militaire dienstplicht. 10.4. Eiser heeft ter zitting gesteld dat er sprake is van een bijzonder veranderlijke en onzekere situatie. De rechtbank overweegt dat hoewel niet zeker is hoe de situatie in Syrië zich in de toekomst ontwikkelt, er inmiddels meer dan een jaar is verstreken sinds het regime van Assad is gevallen en er twee Algemeen Ambtsberichten zijn uitgebracht. Verweerder is – zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen – op basis van deze ambtsberichten dan ook terecht tot de conclusie gekomen dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in Aleppo. Terugkeerbesluit 11. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat zijn terugkeer niet in strijd is met artikel 3 van het EVRM. De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft op 23 februari 2026 geoordeeld dat verweerder in het kader van het terugkeerbesluit moet beoordelen of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Verweerder kan voor deze beoordeling niet slechts verwijzen naar zijn beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Het Hof van Justitie van de EU heeft eerder al geoordeeld dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 3 van het EVRM verschillen qua inhoud en dat de uitlegging van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn autonoom moet plaatsvinden. 11.1. Daarbij is van belang dat het EHRM in het arrest Sufi en Elmi twee situaties onderscheidt: - In de eerste situatie worden de humanitaire omstandigheden niet veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor. - In de tweede situatie worden de humanitaire omstandigheden wel veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor. In de eerste situatie geldt een zwaardere toets dan in de tweede situatie en ligt de lat voor eiser daarmee hoger. 11.2. In het verweerschrift heeft verweerder erop gewezen dat het EHRM in september 2025 een getroffen voorlopige voorziening ten aanzien van een Syrische man niet heeft verlengd. Ook heeft verweerder erop gewezen dat het EHRM in het arrest Sufi en Elmi heeft overwogen dat van schending van artikel 3 van het EVRM wegens humanitaire omstandigheden die niet worden veroorzaakt door het doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor, slechts sprake kan zijn bij ‘very exceptional circumstances where the humanitarian grounds against removal are compelling’. Eiser heeft volgens verweerder niet aangevoerd dat hij bij terugkeer naar Syrië terecht zal komen in een zodanig schrijnende humanitaire situatie. Daarbij heeft verweerder erop gewezen dat eiser een gezonde volwassen man is met familie in zijn herkomstgebied [plaats] , waarnaar hij kan terugkeren. 11.3. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Dit motiveringsgebrek is in het verweerschrift deels hersteld. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom in dit geval moet worden aangesloten bij de ‘zwaardere’ toets van het arrest Sufi en Elmi in plaats van de ‘lichtere’ toets. Wanneer de humanitaire crisis in overwegende mate veroorzaakt is door de strijdende partijen, moet namelijk gekeken worden naar eisers ‘ability to cater for his most basic needs, such as food, hygiene and shelter, his vulnerability to ill-treatment and the prospect of his situation improving within a reasonable time-frame.’ Verweerder heeft, in het kader van artikel 3 van het EVRM, niet gemotiveerd dat de humanitaire crisis niet in overwegende mate veroorzaakt is door de strijdende partijen. Hoewel verweerder dit in het kader van de 15c-beoordeling wel heeft gemotiveerd, heeft verweerder niet gemotiveerd dat en waarom dezelfde argumentatie ook in het kader van artikel 3 van het EVRM opgaat. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen moet de uitleg van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn en de uitleg van artikel 3 van het EVRM autonoom plaatsvinden. De rechtbank stelt echter vast dat verweerder wel een individuele beoordeling heeft gemaakt van de vraag of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Verweerder heeft er ter zitting op gewezen dat eiser tijdens het nader gehoor is bevraagd over zijn situatie bij terugkeer. Eiser heeft verklaard dat zijn familie 35 olijfbomen heeft en dat zijn familie in de tuin groente verbouwt om van te eten. Ook heeft eiser verklaard dat zijn familie toegang heeft tot gezondheidszorg en dat zijn kinderen, als zij oud genoeg zijn, naar school kunnen in het dorp. Verweerder heeft daarmee voldoende de individuele situatie van eiser bij terugkeer in zijn beoordeling betrokken. Verweerder heeft zich gelet hierop, ook als moet worden uitgegaan van de ‘zwaardere’ toets van het arrest Sufi en Elmi, terecht op het standpunt gesteld dat eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 EVRM. Verblijfsvergunning regulier 12. Partijen zijn erover eens dat er sprake is van gezinsleven, maar zij zijn het niet eens over de vraag of het niet toekennen van een verblijfsvergunning regulier een schending van artikel 8 van het EVRM oplevert. 13. De rechtbank overweegt dat verweerder bij de toets aan artikel 8 van het EVRM in dit geval geen afzonderlijke belangenafweging heeft hoeven maken. Eiser noch zijn partner hebben rechtmatig verblijf op grond van een verblijfsvergunning, nu de asielaanvragen van alle gezinsleden worden afgewezen, zodat er geen sprake is van een inmenging. Aan de vraag of deze inmenging gerechtvaardigd is en waarbij een belangenafweging moet plaatsvinden, wordt daarom niet toegekomen. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat artikel 8 van het EVRM geen recht geeft op domiciliekeuze en niet zo kan worden geïnterpreteerd dat gezinsleven in Nederland moet worden gefaciliteerd bij het ontbreken van geldig verblijfsrecht. Verweerder heeft gelet op het voorgaande terecht het standpunt ingenomen dat het niet toekennen van een verblijfsvergunning regulier geen schending van artikel 8 van het EVRM oplevert. 14. Bovendien heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank ook niet nagelaten om de belangen van de minderjarige kinderen te betrekken bij de beoordeling onder artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat het gezin het gezinsleven gezamenlijk buiten Nederland kan voorzetten. Op zitting heeft verweerder verhelderd dat er aan alle gezinsleden terugkeerbesluiten zijn opgelegd. De drie terugkeerbesluiten zijn enkel tijdelijk opgeschort wegens uitstel van vertrek om medische redenen. Het standpunt van eiser dat zijn kind als enige een terugkeerbesluit opgelegd heeft gekregen en dat daarom sprake is van strijd met artikel 24 van het Handvest is daarmee niet meer aan de orde. Conclusie en gevolgen 15. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, omdat sprake is van een motiveringsgebrek. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten, gelet op wat zij hiervoor onder 11.3 heeft overwogen. Dit betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag van eiser in stand blijft. 16. Omdat het beroep tegen het bestreden besluit gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1868,-.
Volledig
Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit van 25 december 2025; bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand worden gelaten; veroordeelt verweerder in de totale proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van mr. J.L. Maats, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Het Verdrag van Genève van 1951 betreffende de status van vluchtelingen (Trb. 1954, 88) en het bijbehorende Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76). Artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw. Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking). Uitspraak van 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Op grond van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2169, r.o. 3. Verslag van het nader gehoor, pagina 15. Syrian Democratic Forces. Algemeen ambtsbericht Syrië van mei 2025, pagina 100. Verslag van het nader gehoor, pagina 17 en 18. Algemeen ambtsbericht Syrië van 29 mei 2025, pagina 33. EUAA (European Union Agency for Asylum) Interim Country Guidance: Syria, p. 29-30. Algemeen ambtsbericht Syrië van 29 mei 2025, pagina 9. Zie bijvoorbeeld uitspraak van deze rechtbank van 30 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:14241, de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem (meervoudige kamer) van 5 november 2025 ECLI:NL:RBDHA:2025:20921, r.o. 7.3. en vergelijk de uitspraak van deze rechtbank van 22 oktober 2024 (meervoudige kamer), ECLI:NL:RBDHA:2024:17261, r.o. 7 en 8 ECLI:NL:RBDHA:2024:17345. Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking). Dit volgt uit het arrest Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 9 november 2023, ECLI:EU:C:2023:843 ( X en Y ). Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:472 ( CF en DN ). Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153. Uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag van 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611, r.o. 7.2. Zie de Beslisnota van 4 juni 2025, behorend bij de Kamerbrief over het landenbeleid voor Syrië van 10 juni 2025. Zie ook de uitspraak van de MK Den Haag van 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611, r.o. 7.3. EUAA Country Guidance: Syria Comprehensive update, december 2025, p. 58. ECLI:NL:RBDHA:2026:3611, r.o. 7.4. Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 17 februari 2009, ECLI:EU:C:2009:94 ( Elgafaji ), punt 28. Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 28 juni 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907 ( Sufi en Elmi tegen het Verenigd Koninkrijk ). Vorige noot, r.o. 278 – 283. Persbericht van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 24 september 2025 in de zaak A.F. tegen Oostenrijk (zaaknummer 24394/25). Zie noot 34, r.o. 283. Verslag van het nader gehoor, pagina 17 en 18. 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.
Volledig
Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit van 25 december 2025; bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand worden gelaten; veroordeelt verweerder in de totale proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van mr. J.L. Maats, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Het Verdrag van Genève van 1951 betreffende de status van vluchtelingen (Trb. 1954, 88) en het bijbehorende Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76). Artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw. Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking). Uitspraak van 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Op grond van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2169, r.o. 3. Verslag van het nader gehoor, pagina 15. Syrian Democratic Forces. Algemeen ambtsbericht Syrië van mei 2025, pagina 100. Verslag van het nader gehoor, pagina 17 en 18. Algemeen ambtsbericht Syrië van 29 mei 2025, pagina 33. EUAA (European Union Agency for Asylum) Interim Country Guidance: Syria, p. 29-30. Algemeen ambtsbericht Syrië van 29 mei 2025, pagina 9. Zie bijvoorbeeld uitspraak van deze rechtbank van 30 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:14241, de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem (meervoudige kamer) van 5 november 2025 ECLI:NL:RBDHA:2025:20921, r.o. 7.3. en vergelijk de uitspraak van deze rechtbank van 22 oktober 2024 (meervoudige kamer), ECLI:NL:RBDHA:2024:17261, r.o. 7 en 8 ECLI:NL:RBDHA:2024:17345. Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking). Dit volgt uit het arrest Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 9 november 2023, ECLI:EU:C:2023:843 ( X en Y ). Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:472 ( CF en DN ). Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153. Uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag van 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611, r.o. 7.2. Zie de Beslisnota van 4 juni 2025, behorend bij de Kamerbrief over het landenbeleid voor Syrië van 10 juni 2025. Zie ook de uitspraak van de MK Den Haag van 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611, r.o. 7.3. EUAA Country Guidance: Syria Comprehensive update, december 2025, p. 58. ECLI:NL:RBDHA:2026:3611, r.o. 7.4. Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 17 februari 2009, ECLI:EU:C:2009:94 ( Elgafaji ), punt 28. Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 28 juni 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907 ( Sufi en Elmi tegen het Verenigd Koninkrijk ). Vorige noot, r.o. 278 – 283. Persbericht van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 24 september 2025 in de zaak A.F. tegen Oostenrijk (zaaknummer 24394/25). Zie noot 34, r.o. 283. Verslag van het nader gehoor, pagina 17 en 18. 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.