Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-02-20
ECLI:NL:RBDHA:2025:15349
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,573 tokens
Inleiding
tussenuitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.44695
tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser]
, V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. J.A. Pieters),
en
de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. P.M.W. Jans).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser stelt van Oegandese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1993. Hij heeft op 30 augustus 2023 een opvolgende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 11 november 2024 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL24.44696, op 5 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van de minister en J. Uwimana als tolk.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag door de minister. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
Voorgeschiedenis
3. Op 3 februari 2019 heeft eiser een eerste asielaanvraag ingediend. Daaraan heeft eiser ten grondslag gelegd dat hij vreest voor problemen die ontstaan zijn vanwege een stuk grond van zijn familie dat in 2008/2009 door een man genaamd [naam] van zijn familie is afgenomen. [naam] heeft contacten binnen het leger en de politie. Eisers’ broer is bij een poging om het land terug te krijgen mishandeld. Nadat eisers’ oom ten behoeve van de familie een rechtszaak heeft gestart om het stuk land terug in bezit te krijgen, is deze oom mishandeld en vond op 1 april 2015 een aanval op eiser en zijn oom plaats. Eisers’ oom is ten gevolge van deze aanval overleden en eiser is in december 2015 ondergedoken waarna hij op 17 mei 2018 Oeganda heeft verlaten. Eiser vreest bij terugkomst in Oeganda net als zijn oom te worden vermoord.
4. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 8 maart 20211 in beroep geoordeeld dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld heeft dat eiser zijn asielrelaas niet aannemelijk heeft gemaakt. Dat eiser een geschil heeft met een groepering en dat zijn oudere broer is mishandeld en gedetineerd door het leger, is gevlucht uit de gevangenis en een asielvergunning heeft gekregen in Nederland heeft verweerder terecht geloofwaardig geacht. Verweerder heeft daarnaast niet ten onrechte overwogen dat eiser niet voldoende aannemelijk gemaakt heeft met wie hij het geschil heeft. Verweerder acht voorts niet ten onrechte de aanval op 1 april 2015 op eiser en zijn oom en dat hij wordt gezocht door de groepering ongeloofwaardig.
5. De uitspraak van de rechtbank is bij uitspraak van 14 april 2021 in hoger beroep bevestigd.2
Het asielrelaas
6. Eiser heeft bij zijn opvolgende aanvraag de volgende nieuwe bewijsmiddelen overgelegd ter onderbouwing van zijn asielrelaas:
- Medische rapportage van het instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek (iMMO);
- Verklaring van eisers’ broer [A] ;
- Verklaring van eisers’ broer [B] .
Het bestreden besluit
7. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst
Geschil
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat eisers’ identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn geacht. Het geschil met militairen wegens grond wat is afgepakt is deels geloofwaardig geacht. Het asielrelaas omtrent de vrees voor een groepering over grondbezit, is niet aannemelijk gemaakt tijdens de eerste asielaanvraag. De minister concludeert dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden kenbaar zijn gemaakt die een ander licht werpen op de conclusie dat de vrees niet aannemelijk is. De minister heeft daarom de opvolgende asielaanvraag afgewezen.
Het iMMO-rapport
8. Ter onderbouwing van eisers’ asielrelaas dat hij is aangevallen op 1 april 2015 en ter onderbouwing van zijn stelling dat hij ten tijde van het eerdere gehoor beperkingen heeft ondervonden om te verklaren heeft eiser bij zijn opvolgende aanvraag een iMMO-rapport van 13 juli 2023 overgelegd. Daarin staat enerzijds dat eiser tijdens de asielprocedure kampte met lichamelijke/psychische problematiek die ten tijde van de gehoren zeer waarschijnlijk hebben geïnterfereerd met het vermogen van eiser om compleet, coherent en consistent te verklaren. Anderzijds blijkt uit het iMMO-rapport dat de medische problematiek van eiser (de lichamelijke en psychische problematiek) gezamenlijk wordt beoordeeld als zeer consistent voor het gestelde ondergane geweld.
1. Rechtbank Den Haag, 8 maart 2021, NL21.1443.
2 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 14 april 2021, 202101 680/1/V1 en 202101680/2/V1.
9. De minister stelt zich op het standpunt dat eiser ten tijde van de eerste asielprocedure medische stukken had kunnen overleggen dan wel een iMMO-onderzoek had kunnen opstarten. Daarnaast verwacht de minister dat eiser kan verklaren waarom het iMMO-rapport, of een soortgelijke rapportage, niet eerder overgelegd kon worden en waarom er aldus na een tijdsverloop van meerdere jaren met het rapport sprake zou zijn van een novum, wanneer dit rapport ziet op feiten en omstandigheden ten tijde van de eerdere asielaanvraag. Uit de destijds voor handen zijnde informatie is niet gebleken dat eiser leed aan PTSS en dat het voor eiser niet mogelijk was om coherent en consistent te verklaren. Uit het advies van Forensisch Medische Maatschappij Utrecht (FFMU) van 19 juni 2020 bleek dat er sprake was van medische problematiek, maar dat er wel gehoord kon worden. Bovendien is tijdens de gehoren rekening gehouden met de fysieke- en psychische beperkingen van eiser. Het is volgens de minister dan ook niet inzichtelijk hoe het iMMO tot de conclusie is gekomen dat eiser niet coherent, compleet en consistent kon verklaren. Daarnaast stelt de minister zich op het standpunt dat de conclusies uit het iMMO-rapport het niet verschoonbaar maken dat eiser wisselend heeft verklaard over feiten, zoals wie de grond heeft afgepakt. Bovendien betoogt de minister dat de verklaringen van eiser tijdens het gehoor opvolgende asielaanvraag overeenkomen met wat hij tijdens de eerste asielaanvraag verklaard heeft en dat, gezien het feit dat het beter gaat met eisers’ gezondheid, van hem verwacht kan worden dat hij samenhangender en consistenter kan verklaren dan tijdens de eerste aanvraag. Dat eiser in het gehoor opvolgende asielaanvraag nog steeds stelt voor verschillende mensen te vrezen, namelijk [naam] en zijn mannen, militairen en de politie en het feit dat deze vrees voor [naam] en zijn mannen gebaseerd is op aannames, maakt dat de minister het verhaal nog steeds niet geloofwaardig acht.
10. De rechtbank oordeelt dat in het iMMO-rapport op zorgvuldige en begrijpelijke wijze is gesteld dat de lichamelijke/psychische problematiek van de vreemdeling tijdens de gehoren zeer waarschijnlijk interfereerde met het vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren over zijn asielrelaas. De conclusies van het iMMO zijn gebaseerd op het FMMU-advies Horen en Beslissen en het onderliggende patiëntdossier van 19 juni 2020 en daarmee deugdelijk onderbouwd. De minister moet dan ook het iMMO-rapport bij zijn beoordeling betrekken en op grond van artikel 3.109e, vijfde lid van het Vreemdelingenbesluit, de resultaten van het iMMO-rapport beoordelen in samenhang met de andere elementen van de aanvraag. De rechtbank overweegt dat ook de tweede conclusie van het iMMO-rapport, namelijk dat de medische problematiek van eiser (de lichamelijke en psychische problematiek) gezamenlijk wordt beoordeeld als zeer consistent voor het gestelde ondergane geweld, ook door de minister moet worden meegenomen in de beoordeling van het asielrelaas. Als de minister geen medisch deskundige inschakelt, en de conclusie in het iMMO-rapport aldus niet bestrijdt, maar het asielrelaas toch ongeloofwaardig acht, zal hij nader moeten motiveren waarom dit volgens hem het geval is. Dit kan hij bijvoorbeeld doen door er deugdelijk gemotiveerd op te wijzen dat de verklaringen in het asielrelaas niet stroken met informatie uit algemene bronnen. De minister zal wel het hele asielrelaas, in het licht van de conclusie van het iMMO, opnieuw moeten bekijken. De minister moet de conclusie van het iMMO kenbaar bij zijn beoordeling betrekken en motiveren welke gevolgen hij verbindt aan de conclusies van het rapport voor de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas.3 Daarbij moet de minister ook de toelichtingen van eiser betrekken, inhoudende dat hij niet tegenstrijdig heeft verklaard over de vraag voor wie hij te vrezen heeft, omdat [naam] banden heeft met het leger en
3 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 7 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3615.
Flying Squad. Verder moet de minister de overgelegde verklaringen van de broers betrekken, die in het navolgende worden besproken.
11. Deze beroepsgrond slaagt.
De verklaringen van broers
12. De minister stelt zich op het standpunt dat de verklaringen van broers [B] en [A] zijn meegenomen in de geloofwaardigheidsbeoordeling. De minister heeft waarde gehecht aan de getuigenverklaringen, maar daaraan geen doorslaggevende waarde gehecht in de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas. In lijn met Werkinstructie 2024/6 van 1 juli 2024 stelt de minister dat de verklaringen van broers geen objectieve, authentieke documenten zijn waarvan de echtheid kan worden vastgesteld. De verklaringen bevestigen niet wat eiser heeft verklaard.
12.1.
[B] verklaart dat hij problemen heeft gehad in Oeganda met militairen, en heeft moeten vluchten. Dit betekent volgens de minister niet dat eiser bij terugkeer ook problemen gaat ervaren. Daarnaast blijkt uit de brief van [B] niet dat hij problemen heeft gehad met dezelfde mannen als waar eiser destijds stelt problemen mee te hebben gehad. Dat het om dezelfde mannen gaat is gebaseerd op aannames, waarbij de kanttekening gemaakt wordt dat het ook niet duidelijk is wie de mannen in de eerste plaats al waren. Dit maakt dat de brief van broer [B] niets verandert aan de geloofwaardigheid van eisers asielrelaas.
12.2.
De minister stelt zich over de overgelegde foto van de verwondingen van [B] op het standpunt dat daaruit niet kan worden afgeleid waardoor en door wie deze verwondingen zijn veroorzaakt. Er wordt dan ook geen waarde toegekend aan deze foto.
12.3.
Ten aanzien van de verklaring van broer [A] stelt de minister zich op het standpunt dat aangezien [A] de naam [naam] niet heeft genoemd in zijn verklaring, de vrees van eiser voor [naam] bij terugkeer niet is onderbouwd. Daarnaast heeft [A] een verblijfsvergunning gekregen wegens het traumatabeleid ten gevolge van zijn gevangenschap. [A] heeft niet een vergunning gekregen omdat hij bij terugkeer risico op ernstige schade loopt. Het voorgaande draagt naar het oordeel van de minister bij aan de ongeloofwaardigheid van eisers asielrelaas.
13.
Conclusie
18. Zoals hiervoor overwogen in punt 10. 13, 14 en 17is het bestreden besluit in strijd met het motiveringsbeginsel. De rechtbank ziet aanleiding om de minister in de gelegenheid te stellen de motiveringsgebreken te herstellen, en doet daarom een tussenuitspraak.
Procesverloop
20. De rechtbank geeft de minister 12 weken om het gebrek te herstellen.
21. De rechtbank wil zo spoedig mogelijk, maar in ieder geval binnen twee weken, van de minister vernemen of hij het gebrek gaat herstellen. Deze termijn start op de datum dat deze uitspraak is verzonden.
22. Na ontvangst van een reactie van de minister zal de rechtbank partijen informeren over het verdere procesverloop. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep.
5 Zie hiervoor de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 12 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA2877.
Dictum
De rechtbank:
draagt de minister op binnen twee weken de rechtbank te informeren of hij gebruik maakt van de gelegenheid om de geconstateerde motiveringsgebreken te herstellen;
stelt de minister in de gelegenheid om binnen twaalf weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van
deze tussenuitspraak; en
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van mr. L.W.M. van de Wijdeven, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
20 februari 2025
Documentcode: [Documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.