Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-10-24
ECLI:NL:RBDHA:2024:23743
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,412 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.10989
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , alias [naam 1] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. A. Berends),
en
de minister van Asiel en Migratie
, verweerder
(gemachtigde: E.P.C. van der Weijde).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.
1.1.
Eiser heeft op 18 oktober 2021 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 15 maart 2023 in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiser heeft gereageerd op dit verweerschrift.
2. De rechtbank heeft het beroep op 26 september 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Als tolk is verschenen mevrouw H. Abdulla
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
3. Eiser heeft de Nigeriaanse nationaliteit en stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1987. Hij legt aan zijn asielrelaas het volgende ten grondslag.
Het initiële relaas
4. Eiser is op 15 januari 2019 gekidnapt en daarna mishandeld door een groep die zich later Boko Haram noemde. Bij eisers bevrijding is zijn vader vermoord en is eiser geraakt door meerdere kogels en ernstig gewond geraakt. Hij is door [naam 2] geholpen en naar Tsjaad gebracht voor een medische behandeling.
4.1.
In Tsjaad heeft eiser een juju-ritueel moeten ondergaan om ervoor te zorgen dat eiser niemand zou vertellen wie de mensen zijn die eiser hebben geholpen om naar Europa te gaan en hem daar hebben uitgebuit. Eiser is in 2009 Italië ingereisd en is vanaf 2010 voor mensensmokkelaars werkzaam geweest in de prostitutie en drugshandel. Eiser heeft verklaard broers en zussen te hebben in Europa. Vanwege criminele activiteiten heeft eiser in Italië en Zwitserland in de gevangenis gezeten. In Italië staat eiser bekend onder de naam [naam 1] . Na afloop van de gevangenisstraf in 2021 is eiser naar Nederland gereisd. Hier heeft hij aangifte gedaan tegen de mensensmokkelaars, waarvan hij sinds 2018 niets meer heeft vernomen. Zijn moeder in Nigeria heeft in eerste instantie door eiser problemen ondervonden, maar na haar verhuizing naar eisers zus niet meer.
4.2.
Eiser heeft gevoelens voor zowel mannen als vrouwen. In 2002 is hij betrapt door een vrouw terwijl hij met [naam 3] aan het kussen was. Hij moest daarna zijn dorp verlaten en werd door ouders en leerkrachten in de gaten gehouden. In Italië heeft eiser gedwongen seks gehad met mannen en vrouwen, en heeft daarbij ontdekt dat hij ook gevoelens voor vrouwen heeft. Eiser worstelt met zijn seksuele identiteit.
Het aangepaste relaas
5. Eiser heeft in de zienswijze aangevoerd dat een deel van zijn verklaringen over zijn initiële asielrelaas niet op waarheid berusten. Eiser is wel slachtoffer geweest van mensenhandel, maar is niet met mensenhandelaren in Tsjaad maar in Libië terecht gekomen. Het juju-ritueel heeft zich ook niet in Tsjaad, maar in Libië afgespeeld. Eiser heeft – anders dan hij eerder heeft verklaard – ook geen broers en zussen in Europa. Het incident met [naam 3] is niet gebeurd, maar er heeft wel een soortgelijk incident plaatsgevonden waarbij eiser is betrapt met een jongen en zwaar is mishandeld. Verder voert eiser in de zienswijze aan dat eiser nooit ontvoerd is geweest door leden van Boko Haram. Hij voert als een niet eerder aangevoerd asielmotief aan dat hij een sworn brother van de Supreme Vikings, een cult in Nigeria, is. Hij heeft hierdoor problemen ondervonden omdat hij weigerde bepaalde dingen te doen. Zijn vader is ook niet door leden van Boko Haram vermoord, maar door leden van de Supreme Vikings. Na de moord op zijn vader is eiser uit Nigeria gevlucht.
Het bestreden besluit
6. Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen als ongegrond. Het relaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
eisers identiteit, nationaliteit en herkomst (eerste asielmotief);
eisers ontvoering door Boko Haram (tweede asielmotief);
eisers verklaringen over relaties en gevoelens met mannen (derde asielmotief);
eisers betrapping vanwege zijn relatie met [naam 3] (vierde asielmotief); en
dat eiser stelt slachtoffer te zijn geweest van mensenhandel (vijfde asielmotief).
6.1.
Verweerder vindt eisers nationaliteit en herkomst geloofwaardig, maar zijn identiteit niet, omdat hij niet inzichtelijk en eenduidig verklaard heeft hierover. Eisers tweede, vierde en vijfde asielmotief vindt verweerder ongeloofwaardig, omdat hij daarover niet de (gehele) waarheid heeft gesproken. Verweerder vindt eisers derde asielmotief ook niet geloofwaardig, omdat eiser geen persoonlijke en authentieke verklaringen kan afleggen over zijn gevoelens voor zowel vrouwen als mannen. Omdat eiser niet volledig de waarheid heeft gesproken, wordt zijn in de zienswijze aangevoerde nieuwe asielmotief niet betrokken en wordt eiser niet opnieuw uitgenodigd voor een gehoor. Dat eiser uit Nigeria komt is niet te herleiden tot een van de gronden in het Vluchtelingenverdrag of tot een van de situaties zoals genoemd in paragraaf C2/3.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) waardoor het niet aannemelijk is dat eiser bij uitzetting naar Nigeria een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Aan eiser wordt daarom geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend. Ook krijgt eiser geen uitstel van vertrek. Eiser heeft weliswaar medische klachten, maar hij heeft geen recente medische informatie overlegd. Gelet op voorgaande wordt aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd en dient hij terug te keren naar Nigeria.
Wat vindt eiser in beroep?
7. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert het volgende aan. Het besluit van verweerder is onzorgvuldig voorbereid. Verweerder had een medisch onderzoek aan eiser moeten aanbieden als bedoeld in artikel 3.109e van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Verder had verweerder een contra-expertise moeten overleggen bij het iMMO-rapport, nu verweerder dit rapport bestrijdt. Ook heeft verweerder ten onrechte nagelaten het later aangevoerde asielmotief te onderzoeken. Daarnaast bevatten de bevindingen uit het iMMO-rapport steunbewijs voor dit asielmotief. Dat het eisers verantwoordelijkheid zou zijn het asielmotief eerder aan te voeren is niet relevant. Daar komt bij dat het niet onaannemelijk is dat eiser vanwege zijn ernstige psychische problemen niet eerder volledig de waarheid kon vertellen, zoals ook volgt uit verschillende ingebrachte medische stukken, het onderzoek van MediFirst en het iMMO-rapport. In de gehoren heeft verweerder onvoldoende rekening gehouden met eisers medische problematiek. Uit de iMMO-rapportage volgt dat de geconstateerde medische problematiek en gevoelens van wantrouwen en schaamte belemmeringen waren om compleet, coherent en consistent te verklaren. Ook is er bij de vragen over eisers seksuele geaardheid onvoldoende rekening gehouden met eisers referentiekader.
7.1.
Eiser stelt zich verder op het standpunt dat verweerder het eerste, derde en vierde asielmotief ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Tot slot stelt eiser dat ten onrechte niet inhoudelijk is beoordeeld of hij in aanmerking komt voor uitstel van vertrek of verblijfsvergunning humanitair tijdelijk en mocht verweerder aan eiser geen terugkeerbesluit opleggen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
8. De rechtbank beoordeelt of verweerder eisers asielaanvraag kon afwijzen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank geeft eiser gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen.
Het in de zienswijze aangevoerde asielmotief
9. De rechtbank acht het in deze zaak van belang om verschillende begrippen van elkaar te onderscheiden. Uit jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter volgt dat onder een asielmotief wordt verstaan: een door een vreemdeling aangevoerde reden om in Nederland om asielrechtelijke bescherming te vragen tegen een – te verwachten – behandeling in zijn land van herkomst. Onder een nieuw asielmotief wordt verstaan: een reden om te vragen om asielrechtelijke bescherming die is gebaseerd op feiten en omstandigheden die dateren van ná het besluit van verweerder op de aanvraag.
Conclusie
12. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond. Daarom vernietigt de rechtbank het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.
13. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de gemaakte kosten voor de iMMO-rapportage. Eiser heeft met een factuur van iMMO onderbouwd dat de kosten € 7.865,- bedragen.
13.1.
De rechtbank overweegt dat het iMMO-onderzoek dient aangemerkt te worden als een door een deskundige uitgebracht verslag in de zin van artikel 1, onderdeel b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De door verzoeker gemaakte kosten voor de deskundige komen voor vergoeding in aanmerking, indien het kosten zijn die hij redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep. De rechtbank acht het inroepen van de deskundige redelijk.
13.2.
Ten aanzien van de deskundigenkosten overweegt de rechtbank dat het bedrag van deze kosten als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van het Besluit proceskosten (Bbp) wordt vastgesteld met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de Wet tarieven in strafzaken. De rechtbank stelt vast dat voor het opstellen van een iMMO-rapport in strafzaken geen speciaal tarief is bepaald. Op grond van artikel 6 van het Besluit tarieven in strafzaken geldt dan een uurtarief van € 154,50,- per uur. Gelet op de overgelegde factuur, zou met het opstellen van een iMMO-rapport (€ 7.865,-: € 154,50,-) ongeveer 51 uur gemoeid zijn. Gelet op de werkzaamheden die gemoeid zijn met het opstellen van een iMMO-rapport, zoals dat blijkt uit de werkwijze zoals omschreven in de “Leeswijzer iMMO”, komt de door eiser overgelegde factuur de rechtbank niet onredelijk voor. Nu het laten opmaken van het iMMO-rapport redelijk was en het iMMO-rapport aanleiding heeft gegeven tot gegrondverklaring van het beroep, zal de rechtbank de kosten van dit medisch onderzoek aanmerken als proceskosten in de zin van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb. Eiser komt in aanmerking voor vergoeding van de kosten van zijn in de procedure ingebrachte iMMO-rapport tot een bedrag van € 7.865,-.
13.3.
Verweerder moet ook de overige proceskosten van eiser vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank, op grond van het Bbp voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, vast op een totaal van tot een bedrag van € 1.750,-.
13.4.
De totale proceskosten bedragen in totaal dus € 9.615,-.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt verweerder op om binnen twaalf weken na dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 9.615,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Robio, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als verweerder.
Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76).
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 3 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2073.
Paragraaf C1/4.2.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
Instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek.
Uitspraak van de Afdeling van 7 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3615.
Zie onder meer iMMO-rapport, p. 9.
iMMO-rapport, p. 30.
Zie ook uitspraak van de rechtbank Den Haag van 15 juli 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:6543.
1 punt voor het indienen van een beroepschrift met een waarde van € 875,- met een wegingsfactor 1 en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde van € 875,- met een wegingsfactor 1.
Beoordeling
Onder een achtergehouden asielmotief wordt verstaan: een reden om te vragen om asielrechtelijke bescherming die is gebaseerd op feiten en omstandigheden die dateren van vóór het besluit van verweerder op de aanvraag en die een vreemdeling hoewel deze bij hem bekend waren, verwijtbaar niet al in de bestuurlijke fase kenbaar maakte.
9.1.
De rechtbank stelt met partijen vast dat eiser met zijn verklaringen in de zienswijze voor een deel is teruggekomen op zijn initiële asielrelaas. Daarnaast heeft eiser in de zienswijze ook een asielmotief aangevoerd dat hij tijdens de gehoren niet eerder heeft aangevoerd. Het door eiser in de zienswijze aangevoerde asielmotief is al in de bestuurlijke fase kenbaar is gemaakt, zodat het om die reden geen nieuw of achtergehouden asielmotief is, maar er sprake is van een ‘gewoon’ asielmotief.
9.2.
Uit beleid van verweerder volgt dat in gevallen waarin een vreemdeling een asielmotief niet tijdens het nader gehoor naar voren heeft gebracht en pas later in de procedure aanvoert, hij gegronde redenen moet aandragen waarom hij dit niet eerder naar voren heeft gebracht. Als de redenen die hij aandraagt niet verschoonbaar zijn, dan wordt dit asielmotief in beginsel ongeloofwaardig geacht. Uit de besluitvorming in deze zaak volgt dat verweerder het in de zienswijze aangevoerde asielmotief helemaal niet heeft betrokken en niet bereid is geweest dit alsnog te betrekken. Er is geen beoordeling geweest of er redenen zijn die maken dat het verschoonbaar is geweest dat eiser pas in de zienswijze een asielmotief naar voren heeft gebracht. Evenmin is een beoordeling gemaakt over de geloofwaardigheid van dit asielmotief. Verweerder heeft dan ook in strijd gehandeld met zijn eigen beleid en dit levert een gebrek op in het bestreden besluit.
Het iMMO
-rapport
10. Omdat het door eiser in beroep ingebrachte rapport van het iMMO van belang kan zijn voor een verdere beoordeling, zal de rechtbank zich uitlaten over de vraag of het iMMO-rapport zorgvuldig tot stand is gekomen en voldoende inzichtelijk is.
10.1.
Verweerder stelt zich op het standpunt het iMMO-rapport niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, omdat niet blijkt op welke wijze is betrokken dat eiser niet de waarheid heeft gesproken en hoe dit zich verhoudt tot de beoordeling om littekens en klachten te koppelen aan bepaalde aspecten van zijn (aangepaste) asielrelaas. De rechtbank volgt dit standpunt niet en overweegt daartoe als volgt.
10.2.
Uit jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter volgt dat verweerder een iMMO-rapport inhoudelijk kan bestrijden indien het rapport niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en de gevolgde redenering in het rapport niet begrijpelijk is bijvoorbeeld omdat de onderliggende feiten niet kloppen, of de conclusie niet aansluit op de redenering. In dat geval hoeft verweerder geen medische deskundige in te schakelen om inhoudelijk te reageren op het iMMO-rapport.
10.3.
Uit het rapport volgt dat het iMMO ermee bekend was dat eiser tijdens de gehoren voor een deel niet de waarheid heeft gesproken. Dit is ook meegenomen in de verdere beoordeling. Voorts stelt de rechtbank vast dat dat er geen aanwijzingen naar voren zijn gekomen om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van het klinische beeld. Dit wordt door verweerder ook niet betwist. Zo zijn er meerdere littekens en littekengroepen geconstateerd. Daarnaast is eiser bekend met posttraumatische stressstoornis (PTTS) en is er sprake van vermijding, schaamte, angst voor andermans veroordeling en wantrouwen. Vervolgens heeft verweerder de causaliteit tussen de medische problematiek en de wijze van ontstaan zoals gesteld door eiser beoordeeld en daaraan verschillende gradaties uit het Istanbulprotocol gekoppeld. Hierbij gaat de iMMO niet uit van het verhaal van betrokkene, maar van geobjectiveerde medische bevindingen. Niet is gebleken dat dit onzorgvuldig is gedaan. Met deze methode wordt aldus rekening gehouden met de mogelijkheid dat eiser niet naar waarheid heeft verklaard. Geconcludeerd is dat de geconstateerde medische problematiek en gevoelens van schaamte en wantrouwen beperkingen geven die ten tijde van de gehoren zeker van invloed zijn geweest op het vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren. Dat dit volgens verweerder niet kan worden gevolgd, omdat eiser het asielrelaas wezenlijk heeft aangepast ten opzichte van zijn eerdere verklaringen zonder daarvoor een sluitende verklaring te geven volgt de rechtbank, gelet op het bovenstaande, niet. Bovendien hoeft eiser hiervoor ook geen sluitende verklaring te geven.
10.4.
Het standpunt van verweerder dat de conclusie van het rapport – namelijk dat de medische problematiek van eiser (de lichamelijke en psychische problematiek) gezamenlijk wordt beoordeeld als typerend voor het gesteld ondergane geweld – niet inzichtelijk en concludent is, omdat het rapport tot een zwaardere eindkwalificatie komt dan het merendeel van de littekens en psychische problematiek, volgt de rechtbank evenmin. Het iMMO hanteert een integrale beoordeling. Dit is conform paragraaf 383 van het Istanbul Protocol, waarin staat dat ‘Ultimately, it is the overall evaluation of all clinical findings and not the consistency of one finding in particular that is important in assessing allegations of torture or ill-treatment’. De door het iMMO gehanteerde weging moet dan ook niet worden gezien als een gemiddelde van alle ‘consistente’ en ‘zeer consistente’ aanwijzingen, maar als een integrale beoordeling van alle letsels. Dit verklaart naar het oordeel van de rechtbank dat iMMO tot de eindconclusie ‘typerend’ komt, ondanks dat een minderheid van de letsels van eiser als zodanig wordt aangemerkt.
10.5.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de iMMO-rapportage voldoende inzichtelijk gemotiveerd is en dat daarom in beginsel van de conclusies van die rapportage kan worden uitgegaan. Om in een dergelijk geval de inhoud van het iMMO-rapport te kunnen weerleggen, dient verweerder zelf een deskundige te raadplegen, wat hij in dit geval niet heeft gedaan. Verweerder heeft ten onrechte het rapport niet bij de beoordeling betrokken. Ook daarom is het beroep gegrond.
Asielmotieven en overige beroepsgronden
11. Doordat verweerder het iMMO-rapport onvoldoende bij de besluitvorming heeft betrokken, kan de rechtbank geen oordeel geven over de gronden die zien op het in de zienswijze aangevoerde asielmotief. De vraag of verweerder de wisselende verklaring ten aanzien van het asielrelaas mag tegenwerpen is immers afhankelijk van de gevolgen die verweerder zal verbinden aan de conclusies in het iMMO-rapport. Bovendien heeft verweerder zich nog niet uitgelaten over de punten zoals verwoord in rechtsoverweging 9.2. In deze uitspraak laat de rechtbank zich hier dus verder niet over uit. Ook de overige gronden zullen gelet hierop onbesproken blijven.