Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-08-07
ECLI:NL:RBDHA:2025:14946
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,550 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.22289
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. P.H. Hillen),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. N. Hamzaoui).
Procesverloop
Op 28 mei 2024 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 31 januari 2023.
Bij besluit van 22 augustus 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond.
Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb heeft het beroep mede betrekking op het bestreden besluit.
Op 27 februari 2025 heeft verweerder een aanvullend besluit genomen.
Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het beroep mede betrekking op het aanvullend besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 16 juli 2025 op zitting behandeld in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser is geboren op [datum] 1981 en heeft de Iraakse nationaliteit.
2. Op 31 januari 2023 heeft eiser de huidige asielaanvraag ingediend. Hieraan heeft hij het volgende ten grondslag gelegd. Eiser is jezidi uit Irak. Hij heeft te maken gehad met discriminatie en onderdrukking. Na de aanval van IS op het dorp van eiser in 2014 is hij met zijn gezin vertrokken naar een vluchtelingenkamp in Sharya in de KAR. Eiser is in 2018 uit het vluchtelingenkamp vertrokken nadat de Peshmerga en de PKK hem probeerden te ronselen. De Peshmerga hebben gedreigd eiser gevangen te zetten als hij weigerde om zich bij hen aan te sluiten. Bij terugkeer vreest eiser voor de Peshmerga, de PKK en extreme moslimbewegingen.
3. Verweerder heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht. Ook heeft verweerder geloofwaardig geacht dat eiser problemen heeft gehad door het zijn van jezidi in Irak en dat hij benaderd is door gewapende groeperingen. Dit maakt volgens verweerder echter niet dat eiser te vrezen heeft voor vervolging of dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer.
4. In het aanvullend besluit heeft verweerder overwogen dat ervan uit wordt gegaan dat eiser zal terugkeren naar het kamp Sharya in de regio Duhok en dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer in een situatie zal terechtkomen waarbij hij een reëel risico loopt om een slachtoffer te worden van willekeurig geweld zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn (hierna: 15c-situatie).
5. Eiser voert tegen het bestreden besluit het volgende aan. Verweerder heeft onvoldoende rekening gehouden met recente ontwikkelingen in Irak. Daarbij wijst eiser op een toespraak van Peshmergacommandant [naam 2], wat heeft geleid tot oplaaiende haat richting jezidi’s vanuit de islamitische hoek. Eiser heeft drie brieven van Vluchtelingenwerk Nederland overgelegd en mede op grond van de informatie uit deze brieven meent hij dat jezidi ten onrechte niet zijn aangemerkt als risicogroep. Daarnaast is sprake van een 15c-situatie, gelet op de bijzondere kwetsbaarheid van eiser als jezidi. In reactie op het aanvullend besluit doet eiser een beroep op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 4 februari 2025. Ten onrechte is niet beoordeeld of het verblijf in een van de tentenkampen in de KAR gezien kan worden als een normale woon- of verblijfplaats van jezidi afkomstig uit de regio Sinjar. Eiser doet voorts een beroep op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, van 16 april 2025 en voert aan dat ook de vraag of eiser toegang kan krijgen tot medische zorg in Sinjar relevant is, omdat verweerder zich ook op het standpunt stelt dat eiser naar Sinjar kan terugkeren. Voor de algemene veiligheidssituatie in de regio Duhok verwijst eiser naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 29 april 2025. Verder is door de stopzetting van de financiering vanuit USAID de humanitaire situatie in de vluchtelingenkampen verder verslechterd. Eiser heeft ter onderbouwing hiervan twee artikelen overgelegd. Zowel terugkeer naar Sinjar als naar een vluchtelingenkamp zal leiden tot strijd met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen
6. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser het beroep voor zover dit is gericht tegen het niet tijdig beslissen ingetrokken en daarbij verzocht om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
7. Tussen partijen is niet in geschil dat verweerder niet binnen de hiervoor geldende termijn op de aanvraag van eiser heeft beslist. Nu eiser terecht beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig beslissen, zal het verzoek om een proceskostenveroordeling worden toegewezen.
Beroep gericht tegen het bestreden besluit en aanvullend besluit
Normale woon- en verblijfplaats
8. De Afdeling heeft bij uitspraak van 18 september 2012 geoordeeld dat bij de beoordeling of in het land dan wel in voorkomend geval het gebied waaruit een vreemdeling afkomstig is, een situatie, als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vw, zich voordoet, moet worden uitgegaan van het land dan wel het gebied waar de desbetreffende vreemdeling voorafgaand aan zijn vertrek zijn normale woon- of verblijfplaats had. Verder volgt uit die uitspraak dat bij beantwoording van de vraag of een plaats kan worden beschouwd als de plaats waar de vreemdeling zijn normale woon- en verblijfplaats had, onder meer van belang is hoe lang en onder welke omstandigheden de vreemdeling aldaar heeft verbleven. De omstandigheid dat de vreemdeling gevlucht is naar de plaats is niet van doorslaggevende betekenis.
9. Verweerder heeft terecht overwogen dat de KAR kan worden aangemerkt als de normale woon- en verblijfplaats van eiser. Daarbij heeft verweerder terecht van belang geacht dat eiser de vier jaren voorafgaand aan zijn vertrek in de KAR heeft verbleven. Tijdens het vierjarig verblijf van eiser in het vluchtelingenkamp Sharya in de KAR heeft hij samengewoond met zijn gezin en was hij werkzaam als taxichauffeur in de omgeving van het kamp. De twee echtgenotes en tien kinderen van eiser verblijven hier nog steeds. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat het langdurige verblijf van eiser in de KAR voldoende blijk geeft van een band met deze plaats. Verder heeft verweerder zich in het verweerschrift terecht op het standpunt gesteld dat noch uit de jurisprudentie van de Afdeling, noch uit andere bronnen, zoals een door verweerder genoemde rapportage van EUAA, volgt dat humanitaire omstandigheden een relevant criterium zijn bij het bepalen van de normale woon- of verblijfplaats. De beoordeling van de humanitaire omstandigheden staat los van de vraag waar de vreemdeling heeft gewoond en verbleven. Anders dan eiser meent, heeft verweerder de humanitaire situatie in het vluchtelingenkamp in de KAR dan ook niet hoeven betrekken bij de beantwoording van de vraag wat de normale woon- en verblijfplaats van eiser is.
10. Nu de KAR terecht is aangemerkt als normale woon- en verblijfplaats van eiser behoeven de beroepsgronden die zien op de situatie in de regio Ninewa, waarin de plaats Sinjar ligt, geen bespreking.
Jezidi
11. Eiser wordt niet gevolgd in zijn stelling dat jezidi’s ten onrechte niet zijn aangemerkt als risicoprofiel. Verweerder heeft in het verweerschrift uitgebreid toegelicht waarom het beleid voor jezidi’s is gewijzigd. Het eerdere (ruimhartige) beleid dat is uitgebracht bij de WBV 2021/1 is voortgekomen uit een politieke motie, gelet op de historische achtergrond van jezidi’s in Irak en informatie uit het algemeen ambtsbericht Irak van 2018. Jezidi’s waren toen in het landenbeleid Irak aangewezen als een kwetsbare minderheidsgroep. Naar aanleiding van het algemeen ambtsbericht Irak van november 2023 heeft verweerder op 27 juni 2024 WBV 2024/12 gepubliceerd. De aanwijzing van jezidi’s als kwetsbare minderheidsgroep is daarmee komen te vervallen, evenals aanvullende bepalingen die golden voor jezidi’s in het landengebonden beleid voor Irak. Verweerder heeft daarbij van belang geacht dat het jezidisme inmiddels een erkende religie is en dat de situatie voor jezidi’s in algemene zin (meer bestendig) is verbeterd. Verweerder heeft daarmee voldoende gemotiveerd waarom jezidi’s in het algemeen niet als risicoprofiel zijn aangemerkt. Verwacht wordt dan ook dat eiser in zijn individuele geval aannemelijk maakt dat hij bij terugkeer naar zijn normale woon- en verblijfsplaats heeft te vrezen voor vervolging of ernstige schade. De rechtbank merkt hierbij op dat ook als jezidi’s als een risicoprofiel zouden zijn aangemerkt, verweerder een individuele beoordeling moet maken waarbij het relaas van eiser wordt afgezet tegen de algemene situatie in het land van herkomst voor de desbetreffende groep waartoe hij behoort.
Conclusie
20. Het beroep gericht tegen het bestreden besluit en het aanvullend besluit is ongegrond.
21. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten die hij redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep tegen het niet-tijdig beslissen op de aanvraag. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroep tegen het niet tijdig beslissen, met een waarde van € 907 per punt en een wegingsfactor 0,5).
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 453,50.
Deze uitspraak is gedaan op 7 augustus 2025 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Algemene wet bestuursrecht.
Koerdische Autonome Regio.
Richtlijn 2011/95/EU van de Raad van de Europese Unie.
ECLI:NL:RBDHA:2025:1393.
ECLI:NL:RBDHA:2025:6410.
ECLI:NL:RBDHA:2025:7253.
United States Agency for International Development.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2012:357.
European Union Agency for Asylum.
Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 16 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:B08940, rechtsoverweging 2.1.1.
ECLI:EU:C:2023:843.
ECLI:NL:RVS:2024:2927.
Arrest van het Europees Hof van de Rechten van de Mens van 28 juni 2011, zaaknrs. 8319/07 en 11449/07.
Overwegingen
Dit heeft verweerder, zoals in het hiernavolgende ook wordt toegelicht, ook gedaan.
12. Verweerder heeft geloofwaardig geacht dat eiser is gediscrimineerd, mishandeld en belaagd als jezidi in Irak. Verweerder heeft zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de ernst van de door hem ondervonden discriminatie niet zodanig is dat sprake is van discriminatie als daad van vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Verweerder heeft daarbij terecht overwogen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de discriminatie dusdanig ernstige beperkingen van zijn bestaansmogelijkheid heeft opgeleverd dat het voor hem onmogelijk is geweest om op maatschappelijk en sociaal gebied in de KAR te kunnen functioneren. Eiser heeft er immers kunnen wonen en werken tot aan zijn vertrek en ook heeft hij toegang gehad tot medische zorg. Verweerder heeft ook terecht gewezen op de verklaringen van eiser waaruit volgt dat hij in de jezidi-dorpen in de KAR geen problemen heeft ondervonden als jezidi. Hoewel uit de door eiser ingebrachte informatie in zijn algemeenheid blijkt van moeilijkheden voor de jezidi-bevolking in Irak, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij persoonlijk zwaarwegende problemen heeft ondervonden wegens zijn etniciteit.
13. Voor zover eiser aanvoert dat verweerder bij de besluitvorming onvoldoende heeft betrokken dat sprake is van oplaaiende haat richting jezidi’s na een toespraak van een Peshmergacommandant, wordt eiser ook hierin niet gevolgd. In het bestreden besluit heeft verweerder immers overwogen dat niet is gebleken dat recent gevluchte jezidi’s te maken hebben gekregen met vervolging vanuit andere etnische groeperingen als gevolg van de uitspraken van de commandant. Verder heeft verweerder overwogen dat uit door eiser overgelegde landeninformatie en artikelen niet blijkt dat er geweldsincidenten tegen jezidi’s hebben plaatsgevonden, hoewel er wel vaker hatelijke uitingen online tegen jezidi’s worden gedaan. Verweerder heeft verder gewezen op informatie waaruit blijkt dat de veiligheidssituatie stabiliseert en dat de Koerdische overheid geuit heeft zich in te zullen zetten voor de rechten van jezidi’s. Gelet hierop is dan ook terecht overwogen dat eiser onvoldoende concreet en persoonlijk heeft gemaakt waarom hij bij terugkeer heeft te vrezen voor vervolging vanwege de toespraak van de commandant of andere recente ontwikkelingen.
Artikel 15c
14. Volgens artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn bestaat ernstige schade uit ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 9 november 2023 en de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2024 volgt dat er een zogenaamde glijdende schaal binnen artikel 15c bestaat. Verweerder moet bij de toepassing van artikel 15c zowel de individuele omstandigheden van een vreemdeling als de veiligheidssituatie in het land van herkomst betrekken. Alleen in de meest uitzonderlijke situatie, waarin de mate van willekeurig geweld zo hoog is dat een vreemdeling door zijn enkele aanwezigheid al een risico loopt, wordt niet toegekomen aan het betrekken van de individuele omstandigheden bij de beoordeling. Hoe meer een vreemdeling het bewijs kan leveren dat hij specifiek wordt geraakt wegens elementen die eigen zijn aan zijn individuele situatie of persoonlijke omstandigheden, hoe minder willekeurig geweld vereist zal zijn opdat hij in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming op grond van artikel 15c.
15. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 15c bij terugkeer naar de KAR. Daartoe is het volgende redengevend.
16. Uit het aanvullend besluit blijkt dat verweerder voor de regio Duhok in de KAR aanneemt dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de door hem naar voren gebrachte individuele omstandigheid – het behoren tot de jezidi – leidt tot een verhoogd risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Eiser heeft die stelling namelijk niet onderbouwd. Verweerder heeft voorts terecht erop gewezen dat de problemen die eiser als jezidi heeft ondervonden als onvoldoende zwaarwegend zijn aangemerkt.
17. In het kader van artikel 15c kunnen humanitaire omstandigheden slechts een rol kunnen spelen als deze zijn ontstaan als gevolg van handelen of nalaten van partijen. Uit artikel 6 van de Kwalificatierichtlijn volgt immers dat een actor van vervolging is vereist. Uit het arrest Sufi en Elmi volgt dat humanitaire problemen die in overwegende mate zijn ontstaan als gevolg van een gewapend conflict worden onderscheiden van humanitaire problemen die worden veroorzaakt door armoede en natuurrampen.
18. Eiser heeft niet inzichtelijk gemaakt aan welke strijdende partijen volgens hem de slechte humanitaire omstandigheden in de KAR te wijten zijn. Nu niet gebleken is dat de humanitaire omstandigheden zijn ontstaan door het handelen of nalaten van partijen, kunnen deze omstandigheden niet worden betrokken bij het beroep van eiser op artikel 15c.
19. De rechtbank ziet wel dat in het algemeen ambtsbericht van november 2023 en de door eiser overgelegde informatie een zorgelijk beeld naar voren komt over de humanitaire situatie in de vluchtelingenkampen. Tegelijkertijd staat in het algemeen ambtsbericht ook dat er – weliswaar beperkt – onderwijs, gezondheidszorg en basisvoorzieningen zijn, en dat ontheemden in de kampen in Duhok zich relatief vrij konden bewegen en daardoor toegang hadden tot diensten (voor zover beschikbaar) buiten de kampen. Verder volgt uit de verklaringen van eiser dat hij heeft kunnen werken en toegang had tot humanitaire en medische hulp. Gelet daarop is de humanitaire situatie niet zodanig ernstig dat eiser niet zelf in zijn bestaan zou kunnen voorzien. Dat financiële hulp door USAID is stopgezet, maakt dit niet anders. De twee artikelen die eiser in dit kader heeft overgelegd, zijn onvoldoende voor de conclusie dat eiser bij terugkeer zal terechtkomen in een situatie in strijd met artikel 3 van het EVRM.