Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-12-18
ECLI:NL:RBDHA:2025:24572
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,167 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.25457
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. J.E. de Poorte),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: mr. J.M. Sánchez Rhemrev).
Procesverloop
Bij besluit van 30 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 19 november 2025 behandeld in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Iraakse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [datum] 1986. Hij heeft op 6 september 2022 een asielaanvraag in Nederland ingediend.
2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij Jezidi is. Hij is in Irak bedreigd vanwege zijn etniciteit en religie. Eiser heeft deelgenomen aan demonstraties en hij is bij de tweede demonstratie opgepakt en verhoord. Vanwege zijn deelname aan demonstraties is eiser tegengewerkt in het vinden van werk. Verder is eiser door de Center of Peace Communications uitgenodigd voor een congres in Erbil. Eiser is niet gegaan omdat hij ziek was. Echter enkele dagen na afloop van het congres is eiser telefonisch benaderd door de Nationale Veiligheidsdienst. Eiser werd verteld dat tegen hem een arrestatiebevel was uitgevaardigd en dat hij zich diende te melden. Eiser vreest bij terugkeer naar Irak voor arrestatie door de Nationale Veiligheidsdienst.
3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond. Verweerder acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Ook de problemen die eiser in Irak heeft ervaren vanwege zijn Jezidi etniciteit zijn geloofwaardig. De politieke activiteiten en problemen van eiser acht verweerder gedeeltelijk geloofwaardig. Zo gelooft verweerder dat eiser een politieke mening heeft, dat hij heeft deelgenomen aan demonstraties en dat hij in 2014 is gearresteerd. Niet gevolgd wordt dat eiser vanwege zijn deelname aan demonstraties is tegengewerkt in het vinden van werk. Eiser heeft niet geloofwaardig verklaard dat hij is uitgenodigd voor een congres en dat als gevolg daarvan een arrestatiebevel is uitgevaardigd door de Iraakse autoriteiten. Ook heeft eiser onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar een ontheemdenkamp in de KAR.
4. Eiser voert tegen het bestreden besluit het volgende aan. Verweerder heeft ten onrechte het nieuwe beleid voor Jezidi’s, dat geldt sinds 1 juli 2024, toegepast. In het geval van eiser is de maximale beslistermijn van 21 maanden ruimschoots overschreden. Als verweerder tijdig had beslist op zijn asielaanvraag, zou het voor eiser gunstigere beleid nog niet zijn afgeschaft en zou aan hem een verblijfsvergunning zijn verstrekt. Verder betoogt eiser dat Jezidi’s als groep wordt gediscrimineerd. Zo is eiser tegengewerkt bij het vinden van werk. Eiser heeft dit in zijn verklaringen voldoende onderbouwd. Ten aanzien van de locatie van het congres heeft eiser verklaard deze te kunnen achterhalen via zijn contacten bij de organisatie Nabo. Verder is eiser in zijn gehoor en zienswijze ingegaan op zijn positie als vooraanstaand persoon. Verweerder had hier ook nader op kunnen doorvragen tijdens het gehoor. Dat eisers verklaringen over de inhoud van het congres niet volledig zijn maakt deze nog niet foutief. Eiser stelt een risico te lopen op ernstige schade bij terugkeer naar Irak.
5. In de aanvullende gronden van 7 november 2025 heeft eiser nadere landeninformatie overgelegd. Samengevat volgt uit de landeninformatie volgens eiser dat de situatie voor Jezidi’s in Irak nog steeds zeer slecht is. De Iraakse overheid doet onvoldoende met de schrijnende omstandigheden in de ontheemdenkampen. Hoewel er verbeterinitiatieven bestaan in Irak, worden deze niet nageleefd. Ten onrechte heeft verweerder hiermee in zijn beoordeling geen rekening gehouden. Voorts beroept eiser zich op een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie en zeven vergelijkbare uitspraken van rechtbanken over Jezidi’s. Tot slot heeft eiser ter zitting gewezen op een recente uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 5 november 2025, en het thematisch ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van 7 november 2025 over de ontheemdenkampen en Jezidi in Irak.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Beleidswijziging
6. Het uitgangspunt bij het nemen van een besluit is dat het recht wordt toegepast dat op dat moment geldt. Dit geldt ook voor beleidsregels. Alleen in het geval van bijzondere omstandigheden kan van dit uitgangspunt worden afgeweken. Per 1 juli 2024 is het nieuwe beleid onder het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2024/12 in werking getreden. Het oude beleid waarbij Jezidi’s aangemerkt waren als kwetsbare minderheidsgroep, is hiermee vervallen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser zelf in dit verband geen bijzondere omstandigheden aangevoerd waarom in zijn geval van het oude beleid uitgegaan moet worden. Voor zover het al relevant is dat verweerder niet tijdig heeft beslist op de asielaanvraag van eiser, is van belang dat eisers asielaanvraag aanvankelijk niet in behandeling is genomen omdat Polen verantwoordelijk was voor de behandeling daarvan. Omdat eiser niet tijdig is overgedragen aan Polen is Nederland per 29 september 2024 alsnog verantwoordelijk geworden. Tot die datum was verweerder niet bevoegd om een (inhoudelijke) beslissing te nemen op eisers asielaanvraag. Dat verweerder niet tijdig heeft beslist op de asielaanvraag van eiser brengt bovendien niet de verplichting mee om een ouder, naar gesteld gunstiger, beleid toe te passen. Daar komt bij dat het ten tijde van de asielaanvraag geldende beleid niet meebracht dat zonder meer een vergunning zou worden verleend. Verweerder zou in dat geval nog steeds een beoordeling van het asielrelaas moeten maken. Dit relaas wordt vervolgens afgezet tegen de algemene situatie in het land van herkomst. Verweerder wijst er dan ook terecht op dat zowel in het oude als het nieuwe beleid sprake is van het individualiseringsvereiste. Het nieuwe beleid levert voor eiser geen benadeling op. Eisers beroepsgrond slaagt niet.
Geloofwaardigheid
7. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Zo heeft verweerder kunnen overwegen dat eisers verklaringen over de tegenwerking bij het vinden van een baan berusten op aannames van eiser. Verweerder wijst terecht op de verklaring van eiser dat hem niet verteld is om welke reden hij niet is aangenomen bij de organisatie SIT. Eiser vult zelf in dat hij niet is aangenomen vanwege de controle door de KDP. Verder heeft verweerder niet ten onrechte eisers gestelde problemen vanwege de uitnodiging voor een congres ongeloofwaardig geacht. Eiser heeft geen objectieve documenten overgelegd die dit asielmotief volledig onderbouwen. De uitnodiging voor het congres betreft een kopie en deze kan niet op echtheid onderzocht worden. Verweerder heeft niet ten onrechte overwogen dat eiser summier verklaart over het congres. Zo geeft eiser geen duidelijkheid over de locatie en inhoud. Uit openbare bronnen volgt dat voor het congres prominente Irakezen zijn uitgenodigd. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd dat hij werd gezien als vooraanstaand persoon. Bovendien heeft eiser het congres naar eigen zeggen niet bijgewoond vanwege ziekte. Verweerder heeft verder bij zijn beoordeling kunnen betrekken dat eiser op 8 oktober 2021 legaal en gecontroleerd via het vliegveld van Bagdad uit Irak is vertrokken. Het is gelet hierop niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht dat tegen eiser een arrestatiebevel is uitgevaardigd.
Reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar de KAR
8. Niet in geschil is dat het vluchtelingenkamp Rwanga in de KAR moet worden aangemerkt als de normale woon- of verblijfplaats van eiser. Verweerder dient het reële risico op ernstige schade bij terugkeer naar Irak in te schatten aan de hand van een individuele beoordeling. Het risico moet blijken uit de individuele omstandigheden en de overgelegde en bekende algemene landeninformatie.
9. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser de discriminatie die hij in Irak ondervonden heeft vanwege zijn etniciteit aannemelijk is, maar onvoldoende zwaarwegend.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 30 mei 2025;
- draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een
nieuw besluit te nemen op de aanvraag van eiser, waarbij rekening wordt gehouden met
deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814 (duizend achthonderdveertien euro) aan
proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan op 18 december 2025 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van A.S.J.I. Hendrickx, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Koerdische Autonome Regio.
Eiser verwijst naar informatie van Country Focus van de EUAA van oktober 2025, een rapport van de Duitse Federal Office for Migration and Refugees van 23 april 2025, een update van het IOM over interne ontheemden van 12 oktober 2025, interne e-mailcorrespondentie met Vluchtelingenwerk Nederland van 22 juli 2025, een artikel van Rudaw van 9 november 2024, een rapport van CGVS-Cedoca van 25 augustus 2025, een artikel van The New Region van 15 juli 2025 en een rapport van USCIRF van maart 2025.
HvJ EU (Grote Kamer) 20 februari 2024, C-715/20, ECLI:EU:C:2024:139 (K.L.)
Eiser beroept zich op de volgende uitspraken: Deze rechtbank, zittingsplaats. Groningen, 4 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:1393, zittingsplaats Groningen, 27 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:3021, zittingsplaats Rotterdam, 16 april 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:6410, zittingsplaats Groningen, 29 april 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:7253, zittingsplaats Groningen, 10 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:12223 en zittingsplaats Groningen, 18 juli 2025, ECLI:RBDHA:2025:15345.
ECLI:NL:RBDHA:2025:20921 (https://www.vluchtweb.nl/system/files/Vluchtweb/documents/2025-11-05%20-%20Rb%20Arnhem%20-%20%20ECLI.NL_.RBDHA_.2025.20921%20-%20Irak.pdf).
Stcrt. 2024, 19165.
In overeenstemming met artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn (2011/95 EU) en artikel 31 van de Vw.
Koerdische Democratische Partij.
Kamp Rwanga wordt ook aangeduid als kamp Qadia.
Pagina 92 van het algemeen ambtsbericht Irak van november 2023.
Pagina 93 van het algemeen ambtsbericht Irak van november 2023.
Pagina 11 van het thematisch ambtsbericht Irak van november 2025.
U.S. Agency for International Development.
Pagina 11-12 van het thematisch ambtsbericht Irak van november 2025.
Pagina 12-14 van het thematisch ambtsbericht Irak van november 2025.
Pagina 8-9 van het thematisch ambtsbericht Irak van november 2025.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden.