Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-01-14
ECLI:NL:RBDHA:2025:14882
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,078 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.41237 (beroep) en NL24.41238 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. A.A. van Harmelen),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. R.S. Hogendoorn-Matthijssen).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de verlenging van de overdrachtstermijn in de Dublinprocedure en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1.
Eiser heeft op 8 maart 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Met het besluit van 2 augustus 2024 heeft verweerder deze aanvraag niet in behandeling genomen omdat Bulgarije verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan. De rechtbank heeft het beroep hiertegen op 1 oktober 2024 ongegrond verklaard. Met de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 15 oktober 2024 staat het niet in behandeling hoeven nemen van de aanvraag van eiser in rechte vast. Met het bestreden besluit van 16 oktober 2024 heeft verweerder de termijn voor overdracht naar Bulgarije verlengd.
2. De rechtbank heeft het beroep op 5 december 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Na de behandeling ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst en partijen in de gelegenheid gesteld om een nadere reactie in te dienen. Daarna heeft de rechtbank, met toestemming van partijen, van een nadere zitting afgezien.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1973 en de Syrische nationaliteit te hebben. Verweerder heeft de termijn voor de overdracht naar Bulgarije verlengd omdat volgens haar sprake is van onderduiken door eiser.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. De overdrachtstermijn mocht niet verlengd worden. Eiser is niet met onbekende bestemming vertrokken. Toen de vreemdelingenpolitie langskwam, was eiser toevallig niet op zijn kamer omdat hij naar zijn broer en gezin ging elders. Dat deed hij wel vaker. Eiser heeft zich altijd beschikbaar gehouden en verblijft thans in het asielzoekerscentrum (AZC) in [plaats] . Verder voert eiser aan dat hij hartpatiënt is en niet gezond genoeg is om te vliegen. Eiser legt hierbij documenten over van het ziekenhuis.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. Zijn beroepsgrond over zijn gezondheidssituatie heeft eiser op zitting laten vallen. Ter beoordeling ligt daarom enkel nog voor de vraag of verweerder de overdrachtstermijn kon verlengen.
6. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen.
7. Uit artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening volgt dat de overdrachtstermijn van een vreemdeling met maximaal 18 maanden kan worden verlengd indien deze vreemdeling onderduikt. Voor onderduiken is volgens vaste rechtspraak vereist dat een vreemdeling doelbewust buiten het bereik van de autoriteiten blijft. De hoogste bestuursrechter heeft overwogen dat uit jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie blijkt dat artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening zo uitgelegd moet worden dat verweerder er – als de overdracht niet kan worden uitgevoerd omdat de betrokken vreemdeling zijn toegekende woonplaats heeft verlaten zonder de autoriteiten hiervan op de hoogte te brengen – van mag uitgaan dat hij de bedoeling had onder te duiken om de overdracht te voorkomen, op voorwaarde dat hij zich bewust was van zijn verplichtingen. Het is vervolgens aan de betrokken vreemdeling om aannemelijk te maken dat hij een dergelijke bedoeling niet had.
7.1.
Partijen zijn het eens over de volgende feiten:
eiser heeft op 16 oktober 2024 de opvang verlaten;
verweerder was voornemens om eiser op 17 oktober 2024 over te dragen;
op 17 oktober 2024 heeft eiser zich weer gemeld bij de opvang en is hij doorgestuurd naar [plaats] ; en
daar heeft hij zich op 21 oktober 2024 gemeld en toen is hij weer in de opvang opgenomen.
Hiermee staat vast dat eiser ten tijde van de geplande overdracht buiten het bereik van de autoriteiten was.
7.2.
Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of dit welbewust was. Voor de beantwoording van deze vraag is mede van belang of eiser wist dat zijn overdracht op 17 oktober 2024 stond gepland. In dit kader zijn de volgende door partijen ingeroepen documenten van belang:
een aan eiser geadresseerde brief van 14 oktober 2024 waarin staat dat op 16 oktober 2024 een fit to fly keuring zal plaatsvinden en dat de overdracht/vlucht op 17 oktober 2024 zal plaatsvinden (ook wel document 1);
een aan de gemachtigde van eiser geadresseerde brief van 14 oktober 2024 waarmee kennisgeving wordt gedaan aan de gemachtigde van eiser van document 1, verzonden naar het e-mailadres [email-adres] (ook wel document 2);
een voortgangsrapport vertrekplan (ook wel document 3) waarin staat dat eiser op 14 oktober 2024 staande is gehouden in het AZC Harderwijk en dat verweerder het aannemelijk vindt dat hem op dat moment document 1 is uitgereikt, en dat de gemachtigde van eiser op 14 oktober 2024 is geïnformeerd over de vluchtgegevens; en
een bericht van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) dat document 1 op 14 oktober 2024 is achtergelaten bij de receptie van het betreffende AZC, eiser deze op 14 oktober 2024 had kunnen ophalen, dat het de bedoeling was de vluchtaanzegging op 15 oktober 2024 bij de meldplicht uit te reiken, maar dat eiser zich op 15 oktober 2024 niet heeft gemeld terwijl hij hiertoe wel verplicht was (ook wel document 4).
7.3.
De rechtbank is van oordeel dat op basis van deze stukken niet kan worden vastgesteld dat eiser daadwerkelijk bekend was met de fit to fly keuring en/of de geplande overdracht. Alhoewel uit document 1 volgt dat dit aan eiser is geadresseerd, heeft verweerder – zoals eiser terecht stelt – niet aannemelijk gemaakt dat dit aan eiser is uitgereikt. Daarbij valt de verklaring van verweerder dat het aannemelijk is te achten dat de vluchtaanzegging tijdens zijn staandehouding op 14 oktober 2024 aan eiser is uitgereikt (document 3) niet te rijmen met de latere verklaring van verweerder dat de vluchtaanzegging op 14 oktober 2024 is achtergelaten bij de receptie van het AZC, eiser deze had kunnen ophalen en dat het de bedoeling was de vluchtaanzegging op 15 oktober 2024 bij de meldplicht aan eiser uit te reiken (document 4). Wat daarvan ook mogen zijn, uit zowel document 3 als document 4 volgt niet dat de mededeling van de fit to fly keuring en/of de vluchtaanzegging daadwerkelijk aan eiser zijn uitgereikt.
7.4.
Verder acht de rechtbank het mogelijk dat ook de gemachtigde van eiser niet (tijdig) op de hoogte was van de fit to fly keuring en/of de vluchtaanzegging van eiser. Daartoe is van belang dat document 2 is verzonden naar een algemeen e-mailadres van zijn gemachtigde en dat de gemachtigde van eiser heeft aangegeven dat deze mailbox eens per week wordt gelezen. Voorts stelt eiser dat het rechtstreekse e-mailadres van zijn gemachtigde op de website van het kantoor is vermeld en dat zijn gemachtigde nimmer toestemming heeft gegeven zaaksinhoudelijke e-mails naar het algemene e-mailadres te verzenden, en dat het algemene mailadres is bedoeld voor nieuwe cliënten. In het rechtbankdossier zijn bovendien geen stukken te vinden waarin de gemachtigde van eiser verwijst naar het algemene mailadres. Telkens wordt het directe mailadres van de gemachtigde vermeld.
7.5.
Gelet op het voorgaande is niet komen vast te staan dat eiser bekend was met de datum van zijn overdracht. Aan de andere kant is ook niet vast komen te staan dat dit hem niet bekend was. Het dossier biedt in zoverre onvoldoende duidelijkheid. Die onduidelijkheid op dit onderdeel betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat verweerder zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat eiser welbewust buiten het bereik van de autoriteiten bleef. Daarbij betrekt de rechtbank dat het COA in document 4 aangeeft dat eiser op 15 oktober 2024, twee dagen voor de geplande overdracht, niet aan zijn meldplicht heeft voldaan. Weliswaar wordt ook dit door eiser weersproken – hij stelt dat hij zich op de 14e moest melden – maar een onderbouwing hiervan heeft hij niet gegeven. Deze combinatie van omstandigheden (het niet melden, het feit dat verweerder in elk geval pogingen heeft ondernomen om eiser te informeren en het feit dat eiser meerdere dagen afwezig was op het moment dat de overdracht stond gepland) maakt dat verweerder zich op het standpunt mocht stellen dat eiser zich welbewust buiten het bereik van de autoriteiten hield. De rechtbank leidt uit het arrest Jawo niet af dat honderd procent zeker moet zijn dat de vreemdeling welbewust is ondergedoken, maar begrijpt dit zo dat er voldoende redenen moeten zijn om hiervan uit te gaan. Van dat laatste is in deze zaak sprake. Dit betekent dat de beroepsgrond van eiser niet slaagt.
Conclusie
8. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder de overdrachtstermijn de op goede gronden heeft verlengd. Daarmee is het beroep ongegrond en blijft het bestreden besluit in stand.
9. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er niet langer sprake is van connexiteit.
10. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Robio, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.
Zoals bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening.
Uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 14 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3630.
Uitspraak van de Afdeling van 5 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:16.
Zoals bedoeld in artikel 19, eerste lid, onder e, Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005.
Uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019, ECLI:C:EU:2019:218.
Vergelijk bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 15 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1077.
Artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (afgekort: Awb) en artikel 8:83, derde lid, van de Awb.