Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-03-06
ECLI:NL:RBDHA:2025:9004
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,474 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.5219
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser]
, V-nummer: [V-nummer] , eiser,
(gemachtigde: mr. A.H. Hekman),
en
de Minister van Asiel en Migratie, de minister, (gemachtigde: mr. R.A. Mandersloot).
Procesverloop
Bij besluit van 29 januari 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan (de gemachtigde van) eiser laten weten dat de uiterste overdrachtstermijn van eiser naar Kroatië wordt verlengd tot achttien maanden.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL25.5220, op 18 februari 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. F.J. Hoppenbrouwer, als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen J.A. Matti. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. De minister heeft op 29 november 2024 de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen,1 omdat volgens de minister Kroatië, op grond van de Dublinverordening,2 verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank. Op 24 december 2024 heeft de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht het beroep van eiser ongegrond verklaard.3 Eiser heeft hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak. Vervolgens heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) op 10 januari 2025 het hoger beroep ongegrond verklaard.4 Met deze uitspraak staat de verantwoordelijkheid van Kroatië in rechte vast.
1. Artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingwet 2000 (Vw).
2 Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013.
3 ECLI:NL:RBDHA:2024:22731.
4 ECLI:NL:RVS:2025:51.
2. De overdracht van eiser stond gepland op 23 januari 2025 met een vlucht om 12:45 uur. Eiser stond echter volgens de minister niet klaar voor vertrek en was ook niet op zijn kamer of elders binnen het COA aanwezig, en heeft daarover ook geen contact opgenomen. De minister heeft daarom de overdrachtstermijn verlengd tot achttien maanden, overeenkomstig artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening, omdat eiser was ondergedoken. De minister heeft eiser daarvan bij bestreden besluit van 29 januari 2025 op de hoogte gesteld. Eiser is het niet eens met de verlenging van de overdrachtstermijn en heeft beroep ingesteld.
3. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit van 29 januari 2025 tot het verlengen van de overdrachtstermijn. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
4. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5. Eiser stelt zich op het standpunt dat de overdrachtstermijn in zijn geval niet verlengd kon worden, omdat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat sprake was van onderduiken als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening. Daar was volgens eiser ook helemaal geen sprake van. Bij onderduiken moet het namelijk gaan om een gedraging waarmee eiser doelbewust zijn overdracht tracht te vermijden. In de situatie van eiser was daar geen sprake van. Eiser was op de dag dat de overdracht gepland stond aanwezig op zijn COA-locatie en hij heeft op deze dag voldaan aan de meldplicht. Verder heeft eiser geen informatie gekregen van het COA of DT&V op welk tijdstip hij precies aanwezig moest zijn op 23 januari 2025. Eiser heeft zelf met zijn contactpersoon van DT&V gebeld om 14:31 uur, maar hij kreeg geen gehoor. Ook tijdens de meldplicht op 23 januari 2025 heeft hij niks gehoord over zijn geplande overdracht. Op 29 januari 2025 heeft er een vertrekgesprek plaatsgevonden, waar eiser nogmaals heeft aangegeven dat hij niks van DT&V heeft vernomen. De laatste dag waarop eiser kon worden overgedragen, namelijk 30 januari 2025, heeft eiser opnieuw voldaan aan zijn meldplicht bij het COA.
6. De rechtbank overweegt als volgt. In de uitspraak van de Afdeling van 14 december 20225 is overwogen dat uit het arrest Jawo6 van het Hof van Justitie van de Europese Unie blijkt dat artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening zo uitgelegd moet worden dat een betrokkene onderduikt wanneer deze persoon doelbewust ervoor zorgt dat hij buiten het bereik blijft van de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de overdracht om deze overdracht te voorkomen. Daarvan is in ieder geval sprake wanneer die overdracht niet kan worden uitgevoerd, omdat de betrokkene de hem toegekende woonplaats heeft verlaten zonder de bevoegde nationale autoriteiten van zijn afwezigheid op de hoogte te brengen, op voorwaarde dat hij werd geïnformeerd over zijn verplichtingen. De betrokkene behoudt de mogelijkheid om aan te tonen dat er geldige redenen waren om de autoriteiten niet in te lichten over zijn afwezigheid en dat hij niet de bedoeling had om zich te onttrekken aan die autoriteiten.7
5ECLI:NL:RVS:2022:3630.
6 ECLI:EU:C:2019:218.
7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat eiser was ondergedoken in de zin van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening omdat eiser voldoende is geïnformeerd over zijn verplichtingen en over zijn vertrek, maar hij desalniettemin niet klaar stond voor zijn vertrek uit het COA en ook niet op zijn kamer of elders op het COA was en daarover ook geen contact met het COA/DT&V heeft opgenomen.
8. Uit het dossier blijkt namelijk dat eiser deugdelijk is geïnformeerd dat hij zich tijdens de procedure beschikbaar diende te houden en wijzigingen direct bij de IND te melden. Dit volgt uit het M35-H-formulier van 29 juni 2024, dat eiser heeft ondertekend en dit is herhaald tijdens het vertrekgesprek van 27 december 2024. Verder is eiser ook voldoende geïnformeerd over zijn vertrek op 23 januari 2025. Uit de Whatsappberichten en de (daarbij gevoegde) brief van 7 januari 2025 van DT&V aan eiser blijkt dat hij is geïnformeerd dat de overdracht gepland stond op 23 januari 2025 met een vlucht om 12:45 uur. Ook heeft DT&V aangegeven dat hij één dag van te voren aan het COA moest vragen hoe laat hij moest klaar staan voor vertrek vanaf het COA op 23 januari 2025. Eiser heeft hierop gereageerd: “Goedenavond, beste meneer/mevrouw, hartelijk dank, ik heb het bericht ontvangen.” Ter zitting heeft eiser toegelicht dat hij iemand heeft gevraagd om het Whatsapp bericht te beantwoorden. De minister heeft ter zitting toegelicht dat eiser op 22 januari 2025 niet bij het COA de precieze tijd heeft opgevraagd waarop hij moest klaarstaan. Een COA medewerker is in de avond voor vertrek naar eisers kamer gegaan en heeft eiser niet op zijn kamer aangetroffen. Deze COA medewerker heeft aan een kamergenoot van eiser de vertrektijd medegedeeld en gevraagd dit aan eiser door te geven. Desalniettemin stond eiser ten tijde van vertrek op 23 januari niet klaar om mee te gaan met de taxi om hem naar het vliegveld te brengen voor zijn overdracht. Eiser was ook niet op zijn kamer of op het COA-terrein. Dit volgt ook uit het standaardformulier Tijdelijk Buiten Bereik Autoriteiten (TBBA-melding).
9. De rechtbank is gezien dit alles van oordeel dat de minister heeft mogen aannemen dat eiser ondergedoken was.
10. De stelling van eiser ter zitting dat de informatie van de minister over zijn vertrek niet duidelijk genoeg was, slaagt maakt dit niet anders. Uit het bovenstaande blijkt naar het oordeel van de rechtbank duidelijk wanneer eisers vlucht zou zijn en dat hij de dag van te voren moest informeren hoe laat hij op het COA klaar moest staan. Eiser heeft de ontvangst van de informatie bevestigd. Daarvoor heeft hij hulp gevraagd. Indien de informatie niet duidelijk voor eiser was of vertaling ervan nodig was, lag het op zijn weg om ook daarvoor hulp te vragen, bijvoorbeeld Vluchtelingenwerk, zijn advocaat of de medewerkers van het COA.
11. De stelling van eiser ter zitting dat het bij onderduiken moet gaan om een doelbewust voor langere tijd aan het toezicht onttrekken, waarbij ook niet is voldaan aan de reguliere meldplicht, en dat daarvan bij hem geen sprake is geweest en hij zich wel heeft gemeld in kader van zijn reguliere meldplicht, maakt het voorgaande ook niet anders. In rechtsoverweging 6 heeft de rechtbank het kader uiteengezet.
Conclusie
13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de minister de overdrachtstermijn terecht heeft verlengd. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
8ECLI:NL:RVS:2024:1077.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, rechter, in aanwezigheid van K.F.K. Hoogbruin, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
06 maart 2025
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.