Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-07-16
ECLI:NL:RBDHA:2025:13163
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,330 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.20495 V
proces-verbaal van mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van
[opposant]
, opposant
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: [gemachtigde]),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 28 mei 2025 in het geding tussen
opposant
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. M.K. Ruijzendaal)
Procesverloop
Deze uitspraak op het verzet van opposant gaat over de uitspraak van de rechtbank van 28 mei 2025 waarin de rechtbank het beroep van opposant ongegrond heeft verklaard.
De rechtbank heeft het verzet op 16 juli 2025 op zitting te Breda behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: opposant, de gemachtigde van opposant en verweerder. Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk ter zitting uitspraak gedaan.
Overwegingen
1. De rechtbank heeft in de beroepszaak op 28 mei 2025 uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat.
2. De rechtbank heeft het beroep kennelijk ongegrond geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van opposant, dat verweerder terecht is uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten opzichte van Spanje en dat de door opposant aangevoerde omstandigheden geen aanleiding hebben hoeven geven voor verweerder om aanvullende garanties te vragen als bedoeld in het arrest Tarakhel van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens omdat gesteld noch gebleken is dat opposant bijzonder kwetsbaar is als bedoeld in dat arrest.
3. In deze verzetzaak beoordeelt de rechtbank uitsluitend of zij in de buitenzittinguitspraak terecht heeft geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep ongegrond is. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
4. Opposant voert aan dat de rechtbank in haar oordeel onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn bijzondere, individuele persoonlijke omstandigheden. Opposant heeft in Spanje namelijk drie maanden op straat geslapen, kreeg geen leefgeld, eten en of water en had geen toegang tot medische zorg. Opposant doet een beroep op artikel 17 van de Dublinverordening en het arrest Halaf van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 30 mei 2013.
5. In wat opposant heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 28 mei 2025.
6. De rechtbank heeft in de buitenzittinguitspraak terecht geoordeeld dat verweerder in Dublinzaken ten opzichte van Spanje van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Dat betekent dat verweerder er als uitgangspunt op mag vertrouwen dat andere lidstaten zich houden aan hun verplichtingen uit het Unierecht en mensenrechtenverdragen. De rechtbank is in haar uitspraak ingegaan op het betoog van opposant dat hij in Spanje geen opvang heeft genoten. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in haar uitspraak van 24 juni 2024 geoordeeld dat verweerder ten aanzien van Spanje nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan en de Afdeling is daarbij ingegaan op de opvangomstandigheden in Spanje. De in verzet overgelegde informatie leidt niet tot een ander oordeel.
7. De door opposant in verzet aangevoerde persoonlijke omstandigheden zijn verder al beoordeeld in het kader van de vraag of van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Deze omstandigheden zijn derhalve niet van betekenis voor de beoordeling of de asielaanvraag van opposant alsnog in behandeling moet worden genomen op grond van artikel 17 van de Dublinverordening.
8. Gelet op het voorgaande kan het betoog van opposant dat de rechtbank in de uitspraak van 28 mei 2025 onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn bijzondere, individuele omstandigheden niet slagen.
9. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat de buitenzittinguitspraak in stand blijft.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2025 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en het proces-verbaal is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
Van 4 november 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712.
ECLI:EU:C:2013:342.
ECLI:NL:RVS:2024:2548.
Zie de uitspraken van de Afdeling van 14 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3164 en 2 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1860.