Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-07-16
ECLI:NL:RBDHA:2025:12889
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,508 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.29654
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A. van der Toorn),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Procesverloop
Bij besluit van 3 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2002 en de Syrische nationaliteit te hebben. Hij heeft op 6 april 2025 asiel aangevraagd in Nederland.
2. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet (Vw). In dit artikel is bepaald dat een asielaanvraag niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 17 mei 2024 in Kroatië een verzoek tot internationale bescherming heeft ingediend. Verweerder heeft op 23 mei 2025 een terugnameverzoek gestuurd naar de Kroatische autoriteiten. Het terugnameverzoek is op 4 juni 2025 door Kroatië aanvaard.
3. Eiser voert daartegen aan dat ten aanzien van Kroatië niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser heeft na zijn overdracht door de Nederlandse autoriteiten op 15 januari 2025, na zijn eerste asielaanvraag in Nederland, drie dagen in Kroatië verbleven. Eiser werd in een kapotte caravan geplaatst met kapotte ramen en zonder verwarming, terwijl het sneeuwde. Eiser meent dat Kroatië de verdragsverplichtingen namens hem niet nakomt en hij loopt daarom bij terugkeer naar Kroatië een risico op onmenselijke behandeling. Daarnaast vreest hij door de Kroatische autoriteiten te worden uitgezet naar zijn land van herkomst.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. In beginsel mag verweerder, op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, ervan uitgaan dat Kroatië zijn verdragsverplichtingen nakomt. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in het algemeen of in zijn specifieke geval niet kan en dat in Kroatië sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure of de opvangvoorzieningen die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in strijd met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Daarbij geldt een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid.
5. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in haar uitspraken van 9 oktober 2024 en 11 november 2024 bevestigd dat in het geval van Kroatië kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Volgens de Afdeling zijn er in beginsel geen obstakels voor dublinterugkeerders om toegang tot de asielprocedure te krijgen en niet is gebleken van structurele tekortkomingen voor wat betreft de opvangvoorzieningen. De gestelde persoonlijke ervaringen van eiser in Kroatië bieden geen grond voor een ander oordeel. In geval van voorkomende problemen met bijvoorbeeld de opvang, zoals eiser stelt te hebben ervaren, ligt het op de weg van eiser om daarover te klagen bij de (hogere) autoriteiten of de daartoe geëigende instanties. Niet gebleken is dat eiser heeft geprobeerd te klagen of dat klagen voor hem zinloos is. Bovendien is van belang dat Kroatië met het claimakkoord van 4 juni 2025 heeft gegarandeerd om het verzoek van eiser om internationale bescherming in behandeling zal worden genomen met inachtneming van de Europese richtlijnen en verdragen.
6. De beroepsgrond van eiser dat sprake is van (indirect) refoulement omdat hij vreest dat Kroatië hem zal uitzetten naar Syrië treft geen doel. Eiser kan in de Dublinprocedure geen beroep (meer) op doen op het (indirect) refoulementbeginsel wanneer uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit volgt onder andere uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 30 november 2023 en de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2024.
7. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 16 juli 2025 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Verordening (EU) nr. 604/2013.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden.
Het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Zoals is beschreven in het arrest Jawo van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218.
ECLI:NL:RVS:2024:4037.
ECLI:NL:RVS:2024:4576.
Dit volgt onder andere uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 30 november 2023, ECLI:EU:C:2023:934. en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359.