Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-02-07
ECLI:NL:RBDHA:2025:1791
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,011 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.1914
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R. Deniz),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 10 januari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond van Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
1. Eiser stelt de Turkse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 1999. Hij heeft op 9 oktober 2024 een asielaanvraag gedaan.
2. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen. Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 6 september 2024 al in Kroatië om internationale bescherming heeft verzocht. Nederland heeft op grond van artikel 18, eerste lid en onder b, van de Dublinverordening de Kroatische autoriteiten verzocht om eiser terug te nemen. De Kroatische autoriteiten hebben dit verzoek op 12 november 2024 geaccepteerd op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening waarmee de verantwoordelijkheid van Kroatië vaststaat.
3. Eiser voert aan dat verweerder niet voldoende heeft gemotiveerd waarom hij, gelet op eisers ervaringen in Kroatië, geen aanleiding heeft gezien om eisers asielaanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening aan zich te trekken. Eiser verwijst ter onderbouwing hiervan naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 2 januari 2025 en van zittingsplaats Utrecht van 21 november 2024. Daarnaast heeft verweerder zich in de situatie van eiser geschaard achter de algemene jurisprudentie betreffende Kroatië en verder geen enkel onderzoek heeft gedaan naar aanleiding van de verklaringen van eiser en hetgeen hij in zijn zienswijze naar voren heeft gebracht. Verder heeft verweerder in het voornemen geen persoonlijke omstandigheden van eiser betrokken. Eiser verwijst in dit verband naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 10 december 2024. Verweerder heeft verder zijn negatieve ervaringen in Kroatië genegeerd door te stellen dat hij zich had moeten wenden tot de Kroatische autoriteiten. Verweerder miskent hiermee dat de autoriteiten eiser hebben mishandeld.
Tot slot merkt eiser nog op dat hij in Nederland door de bewaking van het COA is mishandeld, waarbij zijn neus is gebroken. Hierna is hij beperkt in zijn bewegingsruimte, doordat hij is geplaatst in een meer afgesloten afdeling/gebouw.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Niet in geschil is dat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser.
5. De Afdeling heeft op 9 oktober 2024 geoordeeld dat verweerder ten aanzien van Kroatië nog altijd kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit is daarna in een aantal uitspraken door de Afdeling bevestigd. Het is aan eiser om aan de hand van objectieve informatie aannemelijk te maken dat in het geval van Kroatië aanleiding bestaat om niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit te gaan. Eiser is daarin niet geslaagd.
6. De rechtbank is van oordeel dat eiser met zijn verklaringen over wat hij zelf in Kroatië heeft meegemaakt niet aannemelijk gemaakt dat hij bij overdracht aan Kroatië een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. De ervaringen die eiser stelt zelf te hebben meegemaakt, hebben plaatsgevonden toen hij illegaal Kroatië was ingereisd. Eiser zal echter terugkeren als Dublinclaimant. Eiser heeft niet met landeninformatie onderbouwd dat Dublinclaimanten, die gereguleerd worden overgedragen aan de Kroatische autoriteiten, na overdracht aan Kroatië een risico lopen om in eenzelfde situatie terecht te komen als eiser eerder in Kroatië heeft meegemaakt.
7. Verder heeft Kroatië met het claimakkoord van 12 november 2024 gegarandeerd eisers asielaanvraag in behandeling te nemen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen. Indien eiser vindt dat Kroatië zijn verplichtingen niet nakomt, ligt het op zijn weg om daarover in Kroatië te klagen bij de (hogere) autoriteiten of de daartoe geëigende instanties. Dat dit voor hem niet mogelijk, uiterst moeilijk of bij voorbaat zinloos is, is niet gebleken. Ook is niet gebleken dat de autoriteiten van Kroatië hem niet zouden kunnen of willen helpen.
8. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat een voornemen als in deze zaak, ongeoorloofd is. Verweerder is in het bestreden besluit aan de hand van de beschikbare informatie van eiser voldoende ingegaan op alle omstandigheden, die tot het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag hebben geleid. Dat daarbij in het voornemen mede gebruik is gemaakt van ‘standaardoverwegingen’ maakt nog niet dat die niet van toepassing zijn op eiser. Deze beroepsgrond slaagt niet.
9. Verweerder heeft in de genoemde omstandigheden geen aanleiding hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening en heeft dit voldoende gemotiveerd. Er is namelijk niet gebleken van zodanig bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat overdracht naar Kroatië van een zodanige onevenredige hardheid getuigt dat verweerder het asielverzoek van eiser aan zich had moeten trekken. Eisers persoonlijke ervaringen in Kroatië zijn al beoordeeld in het kader van de vraag of van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.
10. Eiser heeft tenslotte nog opgemerkt dat hij in Nederland door de bewaking van COA is mishandeld waarbij zijn neus is gebroken, en waarna hij werd daarna beperkt in zijn bewegingsruimte door hem te plaatsen in een meer gesloten afdeling/gebouw in [plaats] .
Over een handelwijze als gesteld dient eiser echter te klagen bij de ter zake bevoegde autoriteiten of instanties in Nederland.
11. Verweerder heeft, gelet op het voorgaande, de asielaanvraag van eiser terecht niet in behandeling genomen. Het beroep is ongegrond.
12. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 7 februari 2025 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van S.A. Sewratan, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Algemene wet bestuursrecht.
Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Verordening (EU) nr. 604/2013.
ECLI:NL:RBDHA:2025:76 en ECLI:NL:RBDHA:2024:20976.
ECLI:NL:RBDHA:2024:20680.
Centraal Orgaan opvang asielzoekers.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2024:4037.
ECLI:NL:RVS:2024:4443, ECLI:NL:RVS:2024:4576 en ECLI:NL:RVS:2024:4643.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.