Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-06-18
ECLI:NL:RBDHA:2025:12672
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,581 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Leiden
MD/bc
Rolnr.: 11430265 EL EXPL 24-14
18 juni 2025
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
[Partij] ,
wonende te [woonplaats] , eiseres in conventie, verwerende partij in reconventie,
verwerende partij in het vrijwaringsincident,gemachtigde: mr. G. van Dijk,
tegen
Dexia Nederland B.V.,
gevestigd te Amsterdam, gedaagde partij in conventie, eiseres in reconventie,
eiseres in het vrijwaringsincident,gemachtigde: USG Legal Professionals B.V.
Partijen worden aangeduid als “ [Partij] ” en “Dexia”.
1Procedure
De kantonrechter heeft kennis genomen van:
de dagvaarding van 19 november 2024, met producties;
de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring, tevens conclusie van antwoord
in conventie en conclusie van eis in reconventie;
- de incidentele conclusie van antwoord in vrijwaring, tevens conclusie van repliek
in conventie en conclusie van antwoord in reconventie.
Geschil
2.1.
Dexia heeft gevorderd [bedrijfsnaam] B.V. (hierna: [bedrijfsnaam] ) in vrijwaring op te roepen.
2.2.
Aan haar vordering heeft Dexia het volgende ten grondslag gelegd. In de hoofdzaak wordt (onder meer) door [Partij] gevorderd te verklaren voor recht dat Dexia onrechtmatig tegenover haar heeft gehandeld en dat [Partij] als gevolg van dit handelen schade heeft geleden. De verwijten die [Partij] Dexia maakt zien grotendeels op de wijze waarop de tussen partijen gesloten effectenleaseovereenkomsten (hierna: de overeenkomsten) zijn gesloten. [bedrijfsnaam] is als tussenpersoon betrokken geweest bij de totstandkoming van de overeenkomsten. Als de stellingen van [Partij] in de hoofdzaak kloppen, dan zou dat betekenen dat [bedrijfsnaam] zonder vergunning vergunningsplichtig advies heeft gegeven. In dat geval lijdt Dexia schade door toedoen van [bedrijfsnaam] , reden waarom Dexia laatstgenoemde in vrijwaring wenst op te roepen.
2.3.
[Partij] heeft verweer gevoerd. Volgens [Partij] heeft Dexia niets gesteld over de rechtsverhouding tussen Dexia en [Partij] op grond waarvan [bedrijfsnaam] Dexia dient vrij te houden van de nadelige gevolgen van een veroordeling in de hoofdzaak. De rechtsverhouding tussen Dexia en [bedrijfsnaam] betreft een totaal andere rechtsverhouding dan zoals tussen [Partij] en Dexia van toepassing is. Ook betwist [Partij] dat Dexia een schadevergoedingsvordering heeft op [bedrijfsnaam] , want Dexia heeft er in het verleden op aangestuurd dat tussenpersonen beleggingsadvies gaven. Dan kan Dexia de tussenpersoon niet verwijten dat deze beleggingsadvies heeft gegeven. Het vrijwaringsincident wordt vooral opgeworpen om de procedure in de hoofdzaak te vertragen, aldus [Partij] .
Beoordeling
3.1.
Vooropgesteld wordt dat een vordering om een derde in vrijwaring op te roepen in beginsel toewijsbaar is als voldoende gemotiveerd en concreet wordt gesteld dat men krachtens een rechtsverhouding met die derde recht en belang heeft om de nadelige gevolgen van een ongunstige afloop van de hoofdzaak (gedeeltelijk) op die derde te verhalen, dit in een zoveel mogelijk tegelijkertijd met de hoofdzaak te behandelen vrijwaringszaak.
3.2.
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Dexia voldoende onderbouwd gesteld dat er tussen haar en [bedrijfsnaam] een rechtsverhouding bestaat die voor [bedrijfsnaam] de verplichting met zich kan meebrengen Dexia te vrijwaren voor aanspraken van [Partij] . Tussen partijen staat immers vast dat [bedrijfsnaam] als tussenpersoon heeft opgetreden bij de totstandkoming van de overeenkomsten en dat [Partij] aan Dexia – onder meer – verwijt dat de overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen nadat de tussenpersoon zonder vergunning vergunningsplichtig advies heeft gegeven. Of op dit punt in de relatie tussen Dexia en [bedrijfsnaam] aan Dexia een verwijt kan worden gemaakt, zal zo nodig in de vrijwaringszaak bekeken moeten worden. Dat er tussen Dexia en [bedrijfsnaam] mogelijk een andere rechtsverhouding geldt dan in de hoofdzaak is niet van belang.
3.3.
Het verweer van [Partij] dat toewijzing van de vordering tot oproeping in vrijwaring voor onredelijke vertraging zorgt wordt niet gevolgd. Het geschil in de hoofdzaak heeft betrekking op overeenkomsten die in 2001 zijn gesloten en in 2006 tot een einde zijn gekomen. Om hem moverende redenen heeft [Partij] ervoor gekozen om niet in een eerder stadium een gerechtelijke procedure tegen Dexia te starten. In dat licht bezien valt, zonder nadere toelichting door [Partij] , niet in te zien waarom toewijzing van de vordering tot oproeping in vrijwaring tot een onredelijke vertraging van de hoofdzaak leidt.
3.4.
Gelet op het voorgaande is de conclusie dat de vordering tot oproeping in vrijwaring wordt toegewezen.
3.5.
[Partij] wordt in het ongelijk gesteld. Daarom moet zij de proceskosten betalen. De kantonrechter stelt deze kosten vast op:
- salaris gemachtigde € 135,00 (1 punt x € 135,00).
Dictum
De kantonrechter:
in het incident:
1. staat Dexia toe [bedrijfsnaam] , gevestigd te [vestigingsplaats] tegen de terechtzitting van 30 juli 2025 te 11:00 uur op te roepen, teneinde op de vordering tot vrijwaring te antwoorden en voort te procederen;
2 veroordeelt [Partij] in de proceskosten van € 135,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe.
in de hoofdzaak:
3 verwijst de zaak naar de terechtzitting van 30 juli 2025 te 11:00 uur, voor het nemen van:
o conclusie van dupliek in conventie;
o conclusie van repliek in reconventie;
4 houdt elke verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. I.D. Bellaart en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 juni 2025.
Hoge Raad 10 april 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0567, NJ 1992, 446