Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-01-10
ECLI:NL:RBDHA:2025:11586
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - meervoudig
7,176 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.24892
uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen
[eiser 1] , geboren op [geboortedatum 1] 1961, eiser,
[eiser 2]
, geboren op [geboortedatum 2] 1966, eiseres, en
hun kinderen [eiser 3], geboren op [geboortedatum 3] 1996, [eiser 4],
geboren op [geboortedatum 3] 1998, en [eiser 5], geboren op [geboortedatum 4] 2006,
allen van Syrische nationaliteit, hierna samen te noemen: eisers
(gemachtigde: mr. C.J. Ullersma),
en
de minister van Asiel en Migratie
(gemachtigde: mr. Ch.R. Vink).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun gezinsherenigingsaanvraag.
2. Bij besluit van 11 september 2020 (het primaire besluit) heeft de minister de door [naam 1] (zoon van eiser en eiseres, hierna: referent) ten behoeve van eisers ingediende aanvraag van 27 september 2019 om afgifte van een mvv met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ afgewezen. Met het bestreden besluit van 31 juli 2023 op het bezwaar van eisers is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eisers zijn wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
3. De rechtbank heeft het beroep op 10 juli 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, de gemachtigde van eisers, A. Sharbad als tolk in het Syrisch Arabisch en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling
4. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de aanvraag om afgifte van een mvv aan eisers. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden.
5. Het gaat er in deze zaak met name om of de minister op de juiste manier aan artikel 8 van het EVRM heeft getoetst. Inmiddels staat tussen partijen vast dat er in ieder geval sprake is van beschermingswaardig familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen referent en zijn ouders, tussen zijn meerderjarige zussen en zijn ouders en tussen referent, zijn minderjarige broertje en zijn ouders. Wel worden partijen verdeeld gehouden over de vraag of de minister bij de daaropvolgende belangenafweging van de juiste toetsingsmaatstaf is uitgegaan en of de belangen van de meerderjarige zussen daarbij betrokken moeten worden. Verder bestrijden eisers ook de uitkomst van de belangenafweging.
Inleiding
6. Deze zaak heeft een lange voorgeschiedenis. De eerste beslissing op bezwaar van 19 maart 2021 is bij uitspraak van 14 oktober 2021 van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, vernietigd. Vervolgens heeft de minister op 25 november 2021 wederom op het bezwaar beslist. Op de zitting van het daartegen ingestelde beroep is het besluit van 25 november 2021 ingetrokken. Op 29 september 2022 is voor de derde keer het bezwaar ongegrond verklaard. Ook deze beslissing op bezwaar is in beroep vernietigd. Het bestreden besluit is dus het vierde besluit op het bezwaar en het is de derde keer dat de minister een belangenafweging heeft verricht, in alle gevallen in het nadeel van eisers.
De gehanteerde toetsingsmaatstaf
7. De minister heeft zich in het bestreden besluit (en overigens ook in het eerdere besluit op bezwaar van 29 september 2022) op het standpunt gesteld dat slechts in geval van zeer bijzondere omstandigheden een positieve verplichting zou bestaan om aan de ouders van referent verblijf in Nederland toe te staan. De minister heeft dit standpunt in het verweerschrift laten vallen, omdat in de uitspraak van 10 maart 2023 al was geoordeeld dat de minister dit onvoldoende had uitgelegd en de door de rechtbank gevraagde rechtsbron niet kan worden gegeven. Desondanks heeft de minister op zitting meegedeeld wel op deze manier naar gezinsherenigingszaken als deze te kijken en heeft zij gewezen op de achterliggende ratio van deze tegenwerping, namelijk dat het gaat om eerste toelating. Dit betekent dat familieleven nooit op basis van legaal verblijf heeft plaatsgevonden en dan is er volgens de minister meer nodig om verblijf toe te staan. Hierbij speelt volgens de minister mee dat er geen beleid is voor gezinshereniging met meerderjarigen. Eisers hebben dit standpunt gemotiveerd betwist, onder verwijzing naar jurisprudentie van het EHRM.
8. Het EHRM heeft in zijn arrest van 9 juli 2021 een duidelijk overzicht gegeven van het toetsingskader bij de beoordeling van de vraag of aan familieleden van op hun grondgebied verblijvende personen verblijf moet worden toegestaan. De rechtbank zal dat hier (kort) samenvatten.
8.1
In de overwegingen 131 tot en met 133 noemt het EHRM eerst een aantal algemene uitgangspunten die volgen uit de jurisprudentie. In deze overwegingen wordt onder meer aangegeven dat het lidstaten is toegestaan om de binnenkomst van vreemdelingen te reguleren, dat het EVRM een vreemdeling geen recht op binnenkomst of verblijf garandeert en dat artikel 8 van het EVRM in beginsel geen domiciliekeuze biedt. Verder overweegt het EHRM dat desondanks de mate waarin een lidstaat familieleden tot haar grondgebied moet toelaten afhangt van de omstandigheden van het geval en dat een ‘fair balance’ moet worden gevonden tussen de tegenstrijdige belangen van de betrokken partijen. Het EHRM eindigt deze opsomming met een verwijzing naar de belangen van het kind en stelt vast dat hoewel deze belangen op zichzelf niet doorslaggevend kunnen zijn, aan de belangen van het kind wel een belangrijk gewicht toekomt.
8.2
In overweging 134 benoemt het EHRM vervolgens – onder verwijzing naar verschillende eigen arresten – een aantal omstandigheden die, als één of meer daarvan van toepassing zijn, niet snel tot een positieve verplichting van de lidstaat zullen leiden om gezinshereniging toe te staan:
Als het familieleven is aangegaan in een periode dat de verblijfsstatus van een familielid zodanig was dat het voortzetten van het familieleven van aanvang af precair was. Als dit aan de orde is zal alleen in uitzonderlijke omstandigheden een verwijdering in strijd zijn met artikel 8 van het EVRM;
Als de persoon die om gezinshereniging verzoekt, beperkte banden heeft met de lidstaat;
Als er geen onoverkomelijke obstakels zijn die in de weg staan aan het uitoefenen van het familieleven in het land van oorsprong van degene die om gezinshereniging verzoekt; en,
Als de persoon die om gezinshereniging verzoekt niet kan aantonen dat hij beschikt over voldoende, duurzame en zelfstandige middelen van bestaan voor hem en zijn gezinsleden.
8.3
In overweging 135 benoemt het EHRM juist omstandigheden die, als er meerdere tegelijkertijd van toepassing zijn, normaliter wel hebben geleid tot het aannemen van een positieve verplichting voor de lidstaat om gezinshereniging toe te staan:
De persoon die verzoekt om gezinshereniging heeft een gevestigde status in het gastland (‘settled migrant’) of heeft sterke banden met dat land;
Het gezinsleven bestond al toen de verzoekende persoon zijn status verkreeg;
Zowel de verzoekende persoon als het familielid verbleven al in de lidstaat;
Er waren kinderen betrokken bij de zaak; en,
Er waren onoverkomelijke of belangrijke obstakels die in de weg staan aan het uitoefenen van het gezinsleven in het land van oorsprong.
9.1
De rechtbank stelt vast dat de minister, ook na de vernietiging van het eerdere besluit door de rechtbank, niet heeft onderbouwd op grond waarvan zij tot de conclusie komt dat in een geval als hier aan de orde slechts in zeer bijzondere omstandigheden een positieve verplichting zou bestaan om het verblijf van de ouders bij referent toe te staan. Uit de WI 2020/16 blijkt dit in ieder geval niet, zo is ook door de minister op de zitting bevestigd. De door de minister beschreven uitvoeringspraktijk is dus niet in overeenstemming met de eigen werkinstructie.
9.2
Belangrijker is echter dat dit betoog van de minister niet in overeenstemming is met de jurisprudentie van het EHRM. Het EHRM heeft, zoals hierboven uiteen is gezet, in het arrest in de zaak van [naam 3] . tegen Denemarken alleen in de situatie dat familieleven wordt aangegaan als het verblijfsrecht van één of meer van de familieleden precair is, geoordeeld dat sprake moet zijn van zeer bijzondere omstandigheden om tot een positieve verplichting tot verblijfsaanvaarding te komen. Dat is bijvoorbeeld het geval als vreemdelingen het familieleven zijn aangegaan tijdens onrechtmatig verblijf in een lidstaat. Een dergelijke situatie is hier niet aan de orde. Eisers en referent zijn het familieleven namelijk aangegaan in Syrië, lang voor de komst van referent naar Nederland. Er is dus geen grondslag in de jurisprudentie van het EHRM te vinden voor het door de minister voorgestane toetsingskader in gezinsherenigingszaken als deze. Uit jurisprudentie van het EHRM volgt ook niet dat sprake moet zijn van ‘zeer bijzondere omstandigheden om verblijf toe te staan’ als geen beleid voor gezinshereniging is opgesteld door een lidstaat. Dit ligt ook voor de hand, nu het recht op gezinshereniging rechtstreeks uit het EVRM volgt.
Conclusie
14. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met 3:2 en 7:12 van de Awb onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en niet voldoende is gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en herroept het primaire besluit van
11 september 2020. De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb nu zelf een beslissing en bepaalt dat de minister de gevraagde mvv’s moet verlenen binnen een termijn van vier weken.
15. Omdat eisers geen griffierecht hebben betaald, hoeft de minister geen griffierecht aan hen te vergoeden. Omdat het beroep gegrond is, krijgen eisers een vergoeding van hun proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Als aan eisers een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandsverlener.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 31 juli 2023;
- herroept het besluit van 11 september 2020;
- bepaalt dat de minister binnen vier weken de gevraagde mvv’s verleent en dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit; en,
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Moussaoui, voorzitter, en mr. R.H.G. Odink en
mr. M.B. de Boer, leden, in aanwezigheid van L. Fernandez Ferreiro, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
Machtiging tot voorlopig verblijf.
Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
ECLI:NL:RBDHA:2021:16884.
Zaaknummer: VK 22/491. De zitting vond plaats op 22 juni 2022.
Zie de uitspraak van 10 maart 2023 van deze rechtbank en zittingsplaats, NL22.21763.
Europese Hof voor de Rechten van de Mens.
In de zaak van [naam 3] . tegen Denemarken, nr. 6697/18, ECLI:CE:ECHR:2021:0709JUD000669718.
Met ‘de persoon die om gezinshereniging verzoekt’ wordt de referent bedoeld.
Werkinstructie 2020/16 ‘Richtlijnen voor de toepassing van artikel 8 EVRM’ van 18 november 2020.
Zie ook de dissenting opinion bij het arrest van 18 november 2014 van Senchishak tegen Finland, nr. 5049/12, ECLI:CE:ECHR:2014:1118JUD000504912: “The Court’s view as to whether the relationship between two persons amounts to “family” ties within the meaning of Article 8 has never been confined to the definition of “family members” provided in the relevant domestic legislation. For this reason the fact that the applicable domestic law in the present case does not regard elderly parents in relation to their adult children as “family members” can neither bind the Court nor change its autonomous interpretation of the notion of “family life” and the circle of individuals entitled to rely on the protection of Article 8 of the Convention.”
Zie onder meer de arresten van 23 juni 2008, in de zaak van [naam 4] tegen Oostenrijk, nr. 1638/03, ECLI:CE:ECHR:2008:0623JUD000163803, overweging 75, en van 12 januari 2021, in de zaak van [naam 5] tegen Denemarken, nr. 56803/18, ECLI:CE:ECHR:2021:0112JUD005680318, overweging 46
WI 2020/16, p. 15: “Overkomst van achtergebleven gezinsleden: In beginsel een minder ruime beoordelingsruimte, omdat niet alleen sprake is van migratiecontrole maar ook van reeds bestaand gezinsleven. Er moet een evenwichtige belangenafweging zijn tussen deze twee belangen.”
WI 2020/16, p. 15: “Met kinderen, beoordelingsruimte is kleiner.”
Zie ook het verweerschrift van 24 juni 2024, p. 3.
Verklaring van 20 mei 2022 van Psychotherapiepraktijk Prinsenland.
Zie ook overweging 154 van het arrest in de zaak van [naam 3] . tegen Denemarken waarbij het EHRM verwijst naar de gevolgen van langdurige scheiding zoals omschreven door het UNHCR: “when refugees [were] separated from family members as a consequence of their flight, a prolonged separation [could] have devastating consequences on the well-being of the refugees and their families.”
Vergelijk het arrest van het EHRM van 4 juli 2023, in de zaken van [naam 6] en anderen tegen Zwitserland, nrs. 13258/18, 15500/18, 57303/18 en 9078/20, ECLI:CE:ECHR:2023:0704JUD001325818, overweging 121.
Zie het arrest van 16 juli 2020, in de zaken van B.M.M., C-133/19, C-136/19 en C-137/19, ECLI:EU:C:2020:577, overweging 37, en het arrest van 12 april 2018, in de zaak A. en S., C550/16, ECLI:EU:C:2018:248, overweging 58.
Zie ook het al genoemde arrest in de zaak van [naam 6] en anderen tegen Zwitserland, overweging 105.
Zie ook het onderzoek ‘The Net Fiscal Positition of Migrants in Europe: Trends and Insights’ van de Universiteit Leiden van mei 2024.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2024:1188.
Zie overweging 154 van het al genoemde arrest in de zaak van [naam 3] . tegen Denemarken.
Zie overweging 162 van het al genoemde arrest in de zaak van [naam 3] . tegen Denemarken.
Algemene wet bestuursrecht.
Beoordeling
Met het opstellen van beleid kan de minister enkel ten voordele en niet ten nadele van de vreemdeling afwijken van de toetsingsmaatstaf zoals volgt uit jurisprudentie van het EHRM.
9.3
Evenmin kan de rechtbank het betoog van de minister op de zitting volgen, dat de omstandigheid dat het gaat om eerste toelating leidt tot een ongunstigere uitgangspositie bij de daaropvolgende belangenafweging en dat er daarom meer of zwaarder wegende belangen aan de kant van eisers zouden moeten zijn om de belangenafweging in hun voordeel te doen omslaan. Ook dit volgt niet uit de jurisprudentie van het EHRM. Zoals hiervoor is beschreven, is er alleen een negatievere uitgangspositie voor de vreemdeling in het specifieke geval dat het familieleven wordt aangegaan tijdens een periode dat het verblijfsrecht onzeker is. Verder is het vaste jurisprudentie van het EHRM dat als sprake is van een ‘settled migrant’ die een groot deel van zijn leven heeft doorgebracht in de lidstaat er een positievere uitgangspositie is voor de vreemdeling. In een dergelijk geval kan alleen als sprake is van ‘very serious reasons’ worden overgegaan tot verblijfsbeëindiging. In alle overige gevallen is volgens de rechtbank sprake van een neutraal uitgangspunt bij de te verrichten belangenafweging, waarbij vervolgens alle relevante belangen betrokken moeten worden, indachtig de hiervoor vermelde uitgangspunten van het EHRM. Dat geldt dus ook voor een zaak als deze.
9.4
Daarnaast volgt uit WI 2020/16 dat de beoordelingsruimte voor de minister in beginsel kleiner is als het gaat om achtergelaten gezinsleden en in alle gevallen kleiner is als kinderen onderdeel van het gezin vormen. Uit het besluit blijkt niet dat de minister rekening heeft gehouden met deze beperktere beoordelingsruimte.
10. Uit de overwegingen 9.2 en 9.3 volgt dat de minister in het besluit ten onrechte een te strenge beoordeling heeft toegepast bij de belangenafweging door te beoordelen of er zeer bijzondere omstandigheden aan de orde zijn. In plaats daarvan had de minister een evenwichtige belangenafweging moeten maken waarbij zij alle omstandigheden meeweegt. Bovendien had de minister daar de in overweging 9.4 genoemde omstandigheden bij moeten betrekken. Dat heeft de minister nagelaten. Daarmee kleeft er een voorbereidings- en een motiveringsgebrek aan het besluit. Het beroep is dan ook gegrond en het besluit wordt vernietigd.
11. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit in te stand te laten, zoals is verzocht door de minister. De minister heeft in het verweerschrift en op de zitting weliswaar gesteld dat de uitkomst van de belangenafweging hetzelfde zou zijn als wel van het juiste uitgangspunt zou zijn uitgegaan, maar zij heeft dat geenszins inzichtelijk kunnen maken.
12. De rechtbank ziet daarentegen wel aanleiding om anderszins tot een definitieve beslechting van het geschil te komen, namelijk door zelf in de zaak te voorzien. Daarbij zijn verschillende omstandigheden van belang. Allereerst duurt de procedure al zeer lang. De aanvraag is van 25 september 2019, inmiddels bijna vijfeneenhalf jaar geleden. Daarnaast ligt in deze procedure alweer het vierde besluit op het bezwaar voor en is het de derde keer dat de minister tot een onjuiste belangenafweging komt. Verder heeft de minister in deze zaak uitdrukkelijk erkend zich in het bestreden besluit niet te hebben gehouden aan de opdracht van de rechtbank in de uitspraak van 10 maart 2023, nadat een eerder besluit na de uitspraak van 14 oktober 2021 al zeer kort voor de zitting van 22 juni 2022 van de rechtbank is ingetrokken. Desondanks heeft de minister het bestreden besluit in deze procedure gehandhaafd. Hieruit spreekt volgens de rechtbank een onwelwillende houding van de minister om in deze zaak te doen wat noodzakelijk is. De minister heeft een andere kijk op het toetsingskader, de te hanteren uitgangspunten en de wijze waarop vervolgens de belangen moeten worden gewogen, terwijl wordt erkend dat daar geen rechtsbron voor kan worden gegeven en heeft ook nagelaten te voldoen aan de opdrachten van de rechtbank. Uit het verweerschrift en het verhandelde op de zitting in deze zaak leidt de rechtbank af dat dit bij een nieuwe vernietiging niet anders zal zijn. Daarnaast heeft de minister op de zitting meegedeeld dat zij liever geen bestuurlijke lus wenst om proceseconomische redenen. Vanuit een oogpunt van effectieve rechtsbescherming ziet de rechtbank dan ook aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. Ook speelt nog een rol dat referent heeft onderbouwd dat bij hem sprake is van stevige psychische problemen. Hij heeft onbetwist gesteld dat deze problemen spelen sinds kort na de tweede beslissing op het bezwaar en dat de problemen te maken hebben met de situatie van hem en zijn familieleden. Tot slot is relevant dat de belangen van beide partijen duidelijk voor het voetlicht zijn gebracht en dat, zoals hiervoor al is geoordeeld, de beoordelingsruimte die de minister nog heeft in deze zaak beperkt is omdat het gaat om achtergelaten gezinsleden en er kinderen bij de zaak betrokken zijn.
13.1
De minister heeft geconcludeerd dat de belangenafweging in het nadeel van eisers uitvalt. In het voordeel van eisers heeft de minister meegewogen dat eisers beschikken over paspoorten, dat er een objectieve belemmering is om het gezinsleven in Syrië uit te oefenen, dat referent binding heeft met Nederland, dat er een minderjarige betrokken is bij deze zaak, dat er sprake is van familieleven tussen eisers en referent en dat er geen openbare orde belemmeringen zijn. De minister heeft de belangen van de meerderjarige zussen niet betrokken bij de belangenafweging omdat tussen hen en referent geen beschermenswaardig familieleven is aangenomen. In het nadeel van eisers heeft de minister het economisch belang van Nederland meegewogen, dat het gaat om eerste toelating, dat eisers geen binding hebben met Nederland, dat referent zich zelfstandig heeft kunnen handhaven en dat hij stappen heeft gezet naar zelfstandigheid.
13.2
De rechtbank is enigszins terughoudend toetsend van oordeel dat de minister door zo te oordelen niet tot een ‘fair balance’ is gekomen in deze zaak. De belangenafweging dient in het voordeel van eisers uit te vallen. Daarbij gaat de rechtbank – zoals hiervoor al is overwogen – uit van een neutraal uitgangspunt.
13.2.1
Allereerst is van belang dat het onvermijdelijk is dat een jongvolwassen referent na het indienen van een gezinsherenigingsaanvraag ouder en zelfstandiger wordt en dat dit met zich brengt, anders dan de minister heeft betoogd, dat hier in de belangenafweging in beginsel slechts zeer beperkt gewicht aan toekomt in het nadeel van betrokkenen. Verder volgt uit de jurisprudentie van Hof van Justitie van de Europese Unie dat de minister rekening moet houden met de kwetsbaarheid van minderjarigen en dat het handelen van de lidstaat geen gevolgen mag hebben voor de vreemdeling. Het betoog van de minister dat gelet op de ex nunc toetsing alleen naar de huidige situatie moet worden gekeken, faalt alleen al hierom. Niet alleen moet worden gekeken naar alle omstandigheden in plaats van alleen de omstandigheden nu, maar de situatie zoals deze nu is, is niet tot nauwelijks aan referent te wijten. Dat deze omstandigheden zich hebben voorgedaan, komt namelijk voor rekening en risico van de minister. Het is immers door haar handelen – dit is immers het vierde besluit op het bezwaar dat niet houdbaar is – dat er nog steeds geen definitieve beslissing is op de aanvraag uit 2019. Bovendien is in rechtsoverweging 12 al gerefereerd aan de psychische problemen die referent ondervindt als gevolg van de langdurige scheiding. Aan de door referent gezette stappen naar zelfstandigheid en de omstandigheid dat hij zich zelfstandig heeft weten te handhaven, komt in deze zaak zodoende slechts zeer weinig gewicht toe.
13.2.2
Verder moet ook aan het economisch belang minder belang toekomen dan de minister daaraan toekent.
Beoordeling
Het is juist dat er een reële kans is dat eisers in eerste instantie een beroep zullen doen op de openbare kas en de algemene voorzieningen. Dat neemt echter niet weg dat referent op dit moment al over middelen van bestaan beschikt, ondanks zijn jonge leeftijd en studie, om zichzelf te onderhouden, ook al zijn die middelen (nog) niet voldoende voor het onderhouden van zijn familieleden. De rechtbank acht hierbij relevant dat uit rechtspraak van het EHRM volgt dat flexibel om moet worden gegaan met voorwaarden voor gezinshereniging, zoals het middelenvereiste, zodat rekening kan worden gehouden met de bijzonder kwetsbare situatie waarin vluchtelingen zich bevinden om te voorkomen dat het recht op gezinshereniging onmogelijk wordt en leidt tot permanente scheiding van families. Bovendien ligt het in de lijn der verwachtingen dat ook de twee zussen van referent op relatief korte termijn zullen kunnen participeren. Zij hebben namelijk gestudeerd, en spreken vloeiend Engels. Hierbij speelt mee dat uit een recente studie volgt dat migranten, waaronder ook vluchtelingen, Europese overheden minder kosten dan autochtone burgers. Het in het bestreden besluit ingenomen standpunt dat niet is onderbouwd dat de zussen vloeiend Engels spreken, wordt niet gevolgd nu de minister in de beslissing op het bezwaar van 29 september 2022 hiervan uitging en eisers daarna niet om onderbouwing heeft gevraagd. Aan hen kan dan niet worden tegengeworpen dat dit niet is onderbouwd. Het standpunt van de minister dat het een toekomstige onzekere gebeurtenis is dat de zussen op relatief korte termijn zullen participeren, wordt ook niet gevolgd. In de uitspraak van 10 maart 2023 heeft deze rechtbank en zittingsplaats in overweging 5.3 namelijk al geoordeeld dat dit standpunt niet houdbaar is en dat nader moet worden gemotiveerd waarom de economische gevolgen van de eventuele komst van de zussen van referent naar Nederland niet zijn meegewogen in de belangenafweging. Het standpunt van de minister in het verweerschrift dat ten onrechte aan een belangenafweging met de zussen is toegekomen omdat dit niet hoeft volgens de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, wordt eveneens niet gevolgd. Hoewel het juist is dat de minister geen beschermingswaardig familieleven heeft aangenomen tussen referent en zijn zussen, miskent de minister hiermee dat zij wel beschermingswaardig familieleven heeft aangenomen tussen de meerderjarige zussen van referent en hun ouders. Gelet hierop dienen de economische belangen van de zussen in hun voordeel betrokken te worden in de belangenafweging.
13.2.3
Tegenover deze minder zwaarwegende factoren aan de kant van de minister staat naar het oordeel van de rechtbank een flink aantal (zwaarwegende) factoren aan de kant van eisers. Allereerst gaat het om de overkomst van leden van het kerngezin van referent, niet van andere familieleden. Verder is relevant dat referent als minderjarige is gevlucht. De omstandigheid dat het om een vluchtsituatie gaat, weegt in het voordeel van eisers. Daarnaast is relevant dat er met het broertje van referent, [naam 2] , een minderjarige in het spel is. Er zijn ook geen openbare orde-bezwaren tegen de overkomst van eisers. Daarnaast is er een objectieve belemmering om het gezinsleven in Syrië uit te oefenen. Deze belemmering was er al bij binnenkomst van referent, bestaat al lang en duurt vooralsnog voort. Niet alleen het bestaan, maar ook de duur van de objectieve belemmering is een relevante factor bij de beoordeling. Het EHRM heeft immers niet voor niets geoordeeld dat hoe langer de objectieve belemmering voortduurt, des te zwaarder dit meeweegt in de belangenafweging. Ook speelt mee dat de situatie in Syrië erg onrustig is en er op korte termijn geen verbetering is te verwachten. Verder zijn er, zoals al door de minister was vastgesteld, paspoorten voorhanden. Tot slot heeft referent een sterke binding met Nederland, inmiddels heeft hij zelfs de Nederlandse nationaliteit verkregen. Samenvattend komt het erop neer dat, naast een aantal andere factoren in het voordeel van eisers, zich vier van de vijf in overweging 135 van het arrest [naam 3] . tegen Denemarken genoemde omstandigheden zich voordoen. Onder deze omstandigheden is de rechtbank enigszins terughoudend toetsend van oordeel dat er op de minister een positieve plicht rust om tot verblijfsaanvaarding over te gaan.