Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2022-05-10
ECLI:NL:RBDHA:2022:4606
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,704 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL21.18357
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[Naam], eiseres
V-nummer: [Nummer]
(gemachtigde: mr. J.W. van de Wege),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: A. de Graaf).
Procesverloop
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen verweerders besluit van 11 november 2021 (het bestreden besluit) over de afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 11 februari 2022 op zitting behandeld. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Tevens waren aanwezig [Naam 2] (referent) en H. Ahmad als tolk. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.
De uitspraaktermijn is met zes weken verlengd.
Overwegingen
1. Eiseres is geboren op [Geboortedatum] en heeft de Syrische nationaliteit. Referent is de vader van eiseres, is geboren op [Geboortedatum 2] en heeft ook de Syrische nationaliteit. Referent is op 30 april 2019 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Op 6 juni 2019 heeft hij verzocht om een mvv voor zijn echtgenote en voor zijn zes kinderen, onder wie eiseres, met het oog op verblijf bij hem in Nederland (nareizen in de asielprocedure). De aanvraag voor eiseres is geweigerd vanwege het ontbreken van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Haar bezwaar tegen het afwijzende besluit van 21 februari 2020 is door verweerder op 7 juli 2020 ongegrond verklaard. Dat besluit is door deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, bij uitspraak van 3 juni 2021 vernietigd. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat verweerder de conclusie om het jongvolwassenenbeleid niet toe te passen niet voldoende had gemotiveerd. Dat gold ook voor het oordeel van verweerder dat tussen eiseres en referent geen sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid. Verder had verweerder ten onrechte nagelaten om eiseres te horen op haar bezwaar. De rechtbank heeft verweerder opgedragen om, met inachtneming van de uitspraak, een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres. Referent is hierna op 18 oktober 2021 door verweerder gehoord op het bezwaar.
2. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiseres opnieuw ongegrond verklaard.
Verweerder concludeert wederom dat er geen aanleiding bestaat om het jongvolwassenenbeleid toe te passen en dat geen sprake is een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid tussen eiseres en referent. Omdat eiseres meerderjarig is, is daarom volgens verweerder tussen eiseres en referent geen sprake van beschermenswaardig familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM.
3. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat verweerder op basis van de specifieke omstandigheden van het geval heeft beoordeeld of sprake is van jongvolwassenheid. Wederom gaat verweerder uit van een rigide leeftijdsgrens. Verweerder stelt dat eiseres niet is aan te merken als jongvolwassene omdat zij op het peilmoment 26 jaar oud was, wat niet hetzelfde is als ‘ongeveer 25 jaar’. Dit is volgens eiseres in strijd met de uitspraak van de rechtbank van 3 juni 2021 en de rechtspraak van de Afdeling. Eiseres wijst ook op de uitspraak van de rechtbank, zittingsplaats Zwolle van 11 mei 2021, waarin is overwogen dat niet valt uit te sluiten dat ook een persoon van 26 jaar en 10 maanden oud als jongvolwassene moet worden aangemerkt. Ook verweerders overweging dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden, is niet in lijn met voornoemde rechtspraak, omdat steeds een individuele beoordeling dient plaats te vinden. De omstandigheid dat een ongehuwde vrouw volgens haar traditie en cultuur afhankelijk is van de ouders is hierbij relevant. Het getuigt volgens eiseres daarom niet van een juiste benadering om in reactie hierop te wijzen op het uitgangspunt dat kinderen zichzelf vanaf ongeveer 25 jaar kunnen redden. Verweerder overweegt verder dat de omstandigheden dat eiseres illegaal heeft gewerkt, onvoldoende verdiende en haar inkomsten moest afstaan aan het gezin, niet betekenen dat de gehanteerde leeftijdsgrens in dit geval onredelijk is. Ook dat is een onjuiste benadering. Uit genoemde omstandigheden kunnen juist geen argumenten voor zelfstandigheid worden afgeleid. Uit het arrest Maslov maakt eiseres op dat voor het aannemen van jongvolwassenheid vooral van belang is dat een meerderjarige geen eigen gezin heeft gesticht.
Verweerder maakt subsidiair volgens eiseres niet duidelijk hoe de omstandigheid dat eiseres als 26-jarige net buiten het jongvolwassenenbeleid valt, is meegewogen in de beoordeling van de vraag naar een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid. Uit de werkinstructie blijkt volgens eiseres dat genoemde omstandigheid een belangrijke factor in haar voordeel is. Verder wijst eiseres er in dit verband op dat zij altijd met de overige gezinsleden heeft samengewoond, dat zij financieel afhankelijk is van haar ouders en dat zij in Turkije geen mogelijkheden heeft om te werken. Haar emotionele afhankelijkheid is groot omdat zij altijd met haar ouders heeft samengewoond en met hen Syrië is ontvlucht. Ten slotte heeft zij geen banden meer met Syrië.
4. Uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat voor het kunnen vaststellen van gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen ouders en meerderjarige kinderen is vereist dat sprake is van ‘bijkomende elementen van afhankelijkheid’ oftewel dat tussen hen meer dan de normale emotionele banden bestaan. Dat vereiste geldt niet in de situatie van meerderjarige kinderen die jongvolwassen zijn en nog geen eigen gezin hebben gesticht.
5. Met het oog hierop heeft de staatssecretaris beleid gemaakt. Dit beleid is neergelegd in paragraaf B7/3.8.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000:
“De IND neemt familie- en gezinsleven aan als bedoeld in artikel 8 EVRM tussen ouders en hun meerderjarige kinderen, zonder dat sprake moet zijn van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie, uitsluitend als het meerderjarige kind:
jongvolwassen is;
met de ouder(s) in gezinsverband samenleeft;
niet in zijn eigen onderhoud voorziet, en
geen zelfstandig gezin heeft gevormd.”
6. Een en ander is uitgewerkt in de Werkinstructies (WI) 2019/15 en 2020/16: “Bij jongvolwassenen gaan we uit van meerderjarige kinderen in de leeftijd van 18 tot ongeveer 25 jaar. Hoe ouder het meerderjarige kind is, hoe eerder je kunt aannemen dat de meerderjarige in staat is om op eigen benen te staan. Dit betekent dat je een 25-jarig kind in beginsel niet beschouwt als jongvolwassene. Voor het aannemen van familie- of gezinsleven tussen ouder en een meerderjarig kind van 25 jaar of ouder beoordeel je of sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie, ook al woont het meerderjarige kind nog thuis en heeft het altijd in gezinsverband samengeleefd met de ouder.”
7. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 16 november 2018 geoordeeld dat het niet onredelijk is dat verweerder bij kinderen in de leeftijd van 18 jaar oud tot ongeveer 25 jaar oud aanneemt dat sprake is van jongvolwassenen. In haar uitspraak van 8 april 2020 heeft de Afdeling overwogen dat, bij het ontbreken van een harde leeftijdsgrens, verweerder bij vreemdelingen van ongeveer 25 jaar oud op basis van de specifieke omstandigheden van het geval moet beoordelen of sprake is van jongvolwassenen.
8. De rechtbank heeft in de uitspraak tussen partijen van 3 juni 2021 overwogen dat verweerder ten onrechte een harde leeftijdsgrens leek te hebben gehanteerd bij de beoordeling of eiseres is aan te merken als jongvolwassene. De rechtbank heeft daarnaast overwogen dat verweerder niet was ingegaan op de door eiseres aangevoerde omstandigheden. Hierdoor was niet inzichtelijk welke omstandigheden op welke wijze waren meegewogen. Met zijn overweging in het bestreden besluit dat het jongvolwassenenbeleid niet wordt toegepast op eiseres omdat zij ten tijde van de asielaanvraag van referent 26 jaar oud was en dus niet “ongeveer 25 jaar” oud, refereert verweerder aan zijn uitgangspunt zoals neergelegd in de werkinstructie dat de ontwikkeling naar zelfstandigheid van een meerderjarige in elk geval zal zijn voltooid bij het bereiken van de leeftijd van 25 jaar. Uit het bestreden besluit volgt echter ook dat verweerder, ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank van 3 juni 2021, aan de hand van wat eiseres heeft aangevoerd nader heeft onderzocht of eiseres als jongvolwassene moet worden aangemerkt. Het standpunt van eiseres dat verweerder een te strakke leeftijdsgrens hanteert, leidt daarom hoe dan ook niet tot een geslaagd beroep.
9. Het voorgaande neemt verder niet weg dat verweerder in de leeftijd van eiseres, rond de bovengrens van de in het beleid onderscheiden categorie jongvolwassenen een indicatie mag zien dat zij zich zelfstandig kan handhaven.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van N.A. D'Hoore, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
zaaknummer AWB 20/5767.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RBDHA:2021:4971.
ECLI:CE:ECHR:2008:0623JUD000163803.
Europese Hof voor de rechten van de mens
zie bijvoorbeeld het arrest van 17 februari 2009, Onur tegen het Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2009:0217JUD002731907, punt 45, en het arrest van 12 januari 2010, A.W. Khan tegen het Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2010:0112JUD004748606, punt 32
zie bijvoorbeeld het arrest van 23 juni 2008, Maslov tegen Oostenrijk, ECLI:CE:ECHR:2008:0623JUD000163803, punt 62, en het arrest van 23 september 2010, Bousarra tegen Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:2010:0923JUD002567207, punt 38
ECLI:NL:RVS:2020:996