Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-06-26
ECLI:NL:RBDHA:2025:11340
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,295 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.26486
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. E. El Assrouti),
en
de minister van Asiel en Migratie,
Procesverloop
De minister heeft op 11 februari 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en daarom het vooronderzoek gesloten op 20 juni 2025.
Overwegingen
Toetsingskader
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. Uit de uitspraak van 19 mei 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 12 mei 2025) onrechtmatig is.
Ontbreekt het zicht op uitzetting?
3. Eiser betoogt dat onvoldoende zicht op uitzetting bestaat. De minister heeft een laissez-passertraject opgestart bij de vertegenwoordiging van de Indiase autoriteiten, hier is tot op heden niet op gereageerd. Eiser is gepresenteerd bij de Indiase autoriteiten. Het ziet er niet naar uit dat op korte termijn een laissez-passer wordt verstrekt. In dit kader is het ook van belang dat eerder voor eiser een laissez-passertraject is opgestart in 2023. Eiser is toen ook gepresenteerd bij de vertegenwoordiging van de Indiase autoriteiten. Eiser is toen ook niet uitgezet en de bewaring is destijds opgeheven.
3.1
De beroepsgrond slaagt niet. Wat eiser betoogt heeft de rechtbank al beoordeeld in de eerdere uitspraken van 3 maart 2025, 9 april 2025 en 12 mei 2025. De rechtbank ziet geen aanleiding om nu anders over de beroepsgrond te oordelen en verwijst voor de motivering van deze beslissing naar de uitspraak van 3 maart 2025.
Handelt de minister voldoende voortvarend?
4. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. In dit kader voert eiser aan dat de minister sinds de vorige uitspraak slechts twee keer heeft gerappelleerd bij de vertegenwoordiging van de Indiase autoriteiten in Nederland en één vertrekgesprek heeft gevoerd met eiser. Eiser betoogt dat dit onvoldoende is, omdat eiser in het vertrekgesprek van 4 juni 2025 heeft aangegeven dat als hij in vrijheid wordt gesteld direct zal vertrekken uit Nederland en niet meer zal terugkomen. Hieruit kan dan ook worden opgemaakt dat eiser zijn uitzet niet in expres belemmerd. Volgens eiser is het van belang dat hij al sinds 2023 wacht op een laissez-passer.
4.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Door op 21 mei 2025 en op 12 juni 2025 te rappelleren bij de vertegenwoordiging van de Indiase autoriteiten in Nederland, en op 4 juni 2025 een vertrekgesprek met eiser te houden is door de minister voldoende voortvarend gehandeld. Dat eiser aan heeft gegeven vrijwillig te vertrekken als hij in vrijheid wordt gesteld en dat er voor eiser al eerder een laissez-passertraject heeft gelopen maakt dit niet anders.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
5. Los van de door eiser aangevoerde grond, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H.J. Boerhof, rechter, in aanwezigheid van S. Voolstra, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000.
Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 19 mei 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:9036.
Vergelijk de uitspraak van de ABRvS van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829.