Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-05-16
ECLI:NL:RBDHA:2024:7748
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,494 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.17260
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. D.P.J. Cain),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. S.J.R.R. Brock).
Procesverloop
Bij besluit van 12 april 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 16 mei 2024 op zitting behandeld in Breda. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Overwegingen
1. Niet in geschil is dat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag omdat eiser eerder een asielaanvraag in Bulgarije heeft gedaan, er een claimakkoord is en eiser het grondgebied van de lidstaten niet heeft verlaten voordat hij in Nederland een asielaanvraag heeft ingediend. Wel is in geschil of kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Bulgarije en of verweerder de verantwoordelijkheid voor de aanvraag onverplicht aan zich had moeten trekken, omdat de overdracht leidt tot onevenredige hardheid voor eiser.
2. In het bestreden besluit is verweerder uitvoerig ingegaan op zowel landeninformatie, als de door eiser zelf gestelde ontberingen in Bulgarije, waaronder detentie, mishandeling en discriminatie. Daarbij heeft verweerder recente jurisprudentie betrokken van zowel de Afdeling van 29 september 2023 en 29 februari 2024, als het Hof van Justitie van 29 februari 2024. Daartegen is ingebracht dat eiser het niet eens is met de Afdelingsuitspraak van 19 april 2024. Eiser voert aan dat op grond van het arrest van het Hof van Justitie ook individuele omstandigheden moeten worden betrokken bij de beoordeling. De rechtbank begrijpt dat de stelling van eiser is dat dat onvoldoende is gebeurd in het bestreden besluit. In de uitspraken van Afdeling van 29 februari 2024 en 19 april 2024 is recente landeninformatie over Bulgarije betrokken. Dat gaat ook over opvang, de asielprocedure en toegang tot de rechtsbijstand in Bulgarije. Onderstreept wordt uit die informatie blijkt dat geen sprake is van een onverschillige overheid. De rechtbank ziet geen reden om af te wijken van die beoordeling. De rechtbank voegt daaraan toe dat het Hof van Justitie in het arrest van 29 februari 2024 in punt 64 heeft geoordeeld dat bij de vraag of sprake is van een Jawo-situatie de in aanmerking te nemen situatie is die waarin de betrokkene zich bij of na de overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat zou kunnen bevinden, en niet die waarin hij zich bevond toen hij die lidstaat aanvankelijk betrad. Dat betekent dat de door eiser gestelde ervaringen in Bulgarije betreurenswaardig zijn voor zover zij voldoende aannemelijk zijn gemaakt, maar dat het bij de beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel bepalend is of de Dublinterugkeerder een reëel risico loopt ernstige schade bij of na de overdracht. De beroepsgronden die zien op het interstatelijk vertrouwensbeginsel treffen daarom geen doel.
3. Bij de vraag of verweerder de verantwoordelijkheid van de aanvraag onverplicht aan zich moet trekken, stelt de rechtbank voorop dat verweerder beoordelingsruimte heeft met betrekking tot bijzondere individuele feiten en omstandigheden. In dit geval is een beroep gedaan op wat eiser heeft doorgemaakt in Bulgarije en merkt hij op dat er familieleden van hem zijn in Nederland, te weten zijn broer en de tante van zijn moeder. Ten aanzien van de doorgemaakte omstandigheden in Bulgarije verwijst de rechtbank naar de Afdelingsuitspraken van 14 augustus 2014 en 19 april 2024 waarin staat dat de feiten en omstandigheden die aan de orde zijn gekomen bij de beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet hoeven te worden betrokken bij de beoordeling of sprake is van onevenredige hardheid. Met betrekking tot de familieleden in Nederland heeft verweerder terecht aangestipt dat eiser heeft verklaard dat hij niet bij zijn tante wil verblijven. Ten aanzien van de broer is ter zitting door verweerder terecht gewezen op bepalingen in Dublinverordening die gelden voor familieleden. Eiser valt daar niet onder. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze feiten en omstandigheden niet maken dat overdracht van onevenredige hardheid getuigt. Ook deze beroepsgrond treft geen doel.
4. Het beroep is ongegrond.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2024 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en geanonimiseerd gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal door plaatsing in het digitale dossier.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2023:3646.
ECLI:NL:RVS:2024:870.
ECLI:EU:C:2024:195.
ECLI:NL:RVS:2024:1653, overweging 1.
Een situatie zoals bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218 (Jawo).
ECLI:NL:RVS:2014:3164.
ECLI:NL:RVS:2024:1653, overweging 2.