Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-05-13
ECLI:NL:RBDHA:2024:7197
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,710 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.18636
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 mei 2024 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. B.A. Zevenbergen),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
(gemachtigde: mr. M. Mikolayczyk).
Procesverloop
Bij het bestreden besluit van 29 april 2024 heeft de staatssecretaris aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 7 mei 2024 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Aan deze zitting hebben deelgenomen de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de staatssecretaris.
De gemachtigde van eiser heeft na de zitting nog een stuk ingediend. De rechtbank ziet echter in dit bericht geen aanleiding om het onderzoek te heropenen omdat de rechtbank ambtshalve beoordeelt of eiser op de zitting wilde verschijnen.
Overwegingen
Heeft eiser afstand gedaan van zijn recht om gehoord te worden op zitting?
1. Eiser is niet verschenen tijdens de zitting, terwijl hij wel is opgeroepen. Omdat eiser niet is verschenen, moet de rechtbank zich er van vergewissen dat eiser niet wilde verschijnen op de zitting. Uit de verklaring van zijn gemachtigde op zitting blijkt dat eiser op de hoogte was van de zitting op 7 mei. De rechtbank heeft op 7 mei 2024, vóór de zitting, twee stukken ontvangen, namelijk een ‘afstandsverklaring transport’ en een ‘aanvraag regulier vervoer op maat(regel) op verzoek van DC Rotterdam.’ De rechtbank begrijpt de afstandsverklaring transport zo, dat eiser deze heeft getekend op 7 mei 2024 in [plaats]. Uit deze afstandsverklaring blijkt dat hij niet wenst te verschijnen op een zitting. Hoewel in de verklaring niet is aangekruist om welke zitting het gaat, blijkt uit de Aanvraag regulier vervoer op maat dat eiser op 7 mei 2024 van [plaats] naar Rotterdam vervoerd zou worden voor een afspraak van 9.00 uur tot 09:30 uur (het tijdstip van de geplande zitting), met als aanvraagreden: Vreemdelingenkamer, type ‘art. 59’. Hieruit leidt de rechtbank af dat de afstandsverklaring ziet op de bewaringszitting van 7 mei 2024.
Kunnen de gronden de maatregel van bewaring dragen?
2. De staatssecretaris baseert de onderhavige maatregel op artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 (b-grond). Hij stelt zich op het standpunt dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. De staatssecretaris heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2.1.
Eiser betwist alleen zware grond 3d. Hierin ziet de rechtbank geen aanleiding om de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 onrechtmatig te achten. Dit omdat de overige gronden de maatregel kunnen dragen en de daarop gegeven (feitelijke) toelichting niet is betwist. De rechtbank hoeft daarom wat eiser in het kader van zware grond 3d heeft aangevoerd niet te bespreken. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000
3. De staatssecretaris baseert de maatregel ook op artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 (c-grond). Hij stelt zich op het standpunt dat eiser (1°) in bewaring werd gehouden in het kader van een terugkeerprocedure uit hoofde van de Terugkeerrichtlijn, (2°) reeds de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure heeft gehad en (3°) op redelijke gronden kan worden aangenomen dat hij de aanvraag louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen.
3.1.
De rechtbank heeft ambtshalve de motivering van de c-grond op de zitting aan de orde gesteld. De rechtbank geeft hier echter verder geen oordeel over omdat de b-grond afzonderlijk voldoende is om de maatregel van bewaring te dragen en deze grondslag is gelet op rechtsoverweging 2.1 rechtmatig.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
4. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de staatssecretaris en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, rechter, in aanwezigheid van mr. K.H.M.M. Otten, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
ABRvS 31 maart 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AH9706.
Zie ABRvS 13 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1528.
Vergelijk de uitspraak van de ABRvS van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829.