Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-10-25
ECLI:NL:RBDHA:2024:23504
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,999 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/2093
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 oktober 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. J.C.H. Pronk),
en
de staatssecretaris van Defensie, verweerder
(gemachtigde: mr. H. Zilverberg).
Inleiding
1. In deze tussenuitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen een besluit van 1 juli 2020 tot verlenging van de aanstelling van eiser in loopbaanfase 2 en tegen een besluit van 23 juli 2020 tot verlening van eervol ontslag.
1.1.
Bij het bestreden besluit van 1 februari 2023 heeft verweerder een vergoeding toegekend voor de proceskosten die eiser heeft gemaakt in de bezwaarprocedures tegen de besluiten van 1 en 23 juli 2020.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
Voorafgaand aan de zitting van 11 maart 2024 heeft de gemachtigde van eiser de rechter gewraakt. De rechtbank heeft daarop het onderzoek geschorst in afwachting van de uitkomst van de wrakingsprocedure. Van deze schorsing is een proces-verbaal gemaakt dat aan partijen is toegezonden. Op de zitting van de wrakingskamer van 27 mei 2024 is het wrakingsverzoek ingetrokken. Hierna is de procedure voortgezet in de stand waarin zij zich bevond op het moment van het wrakingsverzoek.
1.4.
Het onderzoek is op de zitting van 13 september 2024 hervat en gelijktijdig behandeld met het samenhangende beroep met zaaknummer SGR 23/2053. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder, vergezeld door [naam] .
Totstandkoming van de besluiten
2. Bij besluit van 15 augustus 2019 is eiser met ingang van 26 augustus 2019 een functie in de rang van marechaussee der 1e klasse binnen de Koninklijke Marechaussee toegewezen. Eiser is daarbij geplaatst op een arbeidsplaats ten behoeve van het volgen van de opleiding Leergang Algemeen Opsporingsambtenaar. Ook zijn eisers bestemming en indeling bij een Operationeel Commando gewijzigd van het Commando Landstrijdkrachten naar de KMar. Verder staat in dit besluit dat eiser na het succesvol afronden van de LAO-opleiding op een functie binnen de KMar wordt geplaatst en wordt bevorderd tot wachtmeester met een nieuwe looptijd in rang van tien jaar. In verband met het volgen van de LAO-opleiding was de einddatum van eisers indeling in loopbaanfase twee vastgesteld op 30 juni 2020. Het diploma van de LAO-opleiding heeft eiser in juli 2020 behaald.
2.1.
Eiser is op 26 maart 2020 betrokken geweest bij een incident, waarbij hij is aangetroffen in een geparkeerde auto en aan een alcoholcontrole is onderworpen. Naar aanleiding van dit incident is op 28 oktober 2020 een ambtsbericht opgesteld.
2.2.
Bij het primaire besluit van 1 juli 2020 heeft verweerder eisers aanstelling in loopbaanfase 2 met drie maanden verlengd in verband met de ontslagtermijn en het ontslagmoment bepaald op 30 september 2020.
2.3.
Bij het primaire besluit van 23 juli 2020 is eiser met ingang van 1 oktober 2020 eervol ontslag verleend, omdat hij niet kan worden bevorderd dan wel omdat hij niet kan doorstromen naar loopbaanfase 3. Bij besluit van 2 oktober 2020 is dit besluit ingetrokken.
2.4.
Bij besluit van 2 oktober 2020 is met ingang van 1 oktober 2020 eisers bestemming gewijzigd en aan eiser een functie in de rang van korporaal der 1e klasse bij het CLAS toegewezen. Verder is bij afzonderlijk besluit van 2 oktober 2020 een nieuwe einddatum van eisers indeling in loopbaanfase 2 vastgesteld op 31 december 2025 in verband met het volgen van een (onder)officiersopleiding bij het CLAS. Tegen deze besluiten heeft eiser geen bezwaar gemaakt.
2.5.
Bij besluiten van 10 maart 2021 heeft verweerder de bezwaren van eiser, gericht tegen de primaire besluiten, niet-ontvankelijk verklaard, omdat hij geen procesbelang meer heeft. Eiser heeft vervolgens tegen deze besluiten beroep ingesteld. Deze rechtbank heeft bij uitspraak van 4 maart 2022 geoordeeld dat de bezwaren van eiser tegen de primaire besluiten ten onrechte niet-ontvankelijk zijn verklaard, omdat wel sprake is van procesbelang.
2.6.
Verweerder heeft naar aanleiding van deze uitspraak op 1 februari 2023 een nieuwe beslissing op de bezwaren van eiser genomen en hierin besloten om eiser een vergoeding van de proceskosten in beide bezwaarprocedures toe te kennen.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
3. Deze zaak gaat over de rechtmatigheid van twee rechtspositionele besluiten die verweerder heeft genomen naar aanleiding van een incident op 26 maart 2020. Partijen verschillen onder meer van mening over de vraag of eiser een procesbelang heeft bij het bestreden besluit van 1 februari 2023.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser betoogt dat verweerder een te beperkte uitleg heeft gegeven aan de uitspraak van de rechtbank van 4 maart 2022, door niet inhoudelijk in te gaan op de bezwaargronden van eiser. Er is wel degelijk een actueel belang bij het beroep tegen het besluit van 1 februari 2023. Het ligt namelijk binnen verweerders macht om eiser opnieuw aan te stellen op een functie binnen de KMar. Dit is ook in lijn met het besluit van 15 augustus 2019 waarin staat vermeld dat eiser na het succesvol afronden van de LAO-opleiding op een functie binnen de KMar wordt geplaatst en wordt bevorderd tot wachtmeester met een nieuwe looptijd in rang van tien jaar. Los daarvan verzoekt eiser om een schadevergoeding vanwege de schending van de redelijke termijn in deze procedure. Ook daarin ligt een procesbelang besloten. Voorts verzoekt eiser om een vergoeding van de werkelijke gemaakte proceskosten.
Wat vindt verweerder in beroep?
5. Verweerder wijst erop dat bij het bestreden besluit een vergoeding voor in bezwaar gemaakte proceskosten is toegekend aan eiser. Gelet hierop en op de omstandigheid dat het ontslagbesluit bij besluit van 2 oktober 2020 is ingetrokken, valt niet in te zien welk belang eiser nog heeft bij het beroep.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Procesbelang
6. Procesbelang is het belang dat een eiser heeft bij de uitkomst van een procedure. Daarbij gaat het erom of het doel dat de eiser voor ogen staat, met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de eiser van feitelijke betekenis is. In beginsel heeft degene die opkomt tegen een besluit, procesbelang bij een beoordeling van zijn bezwaar of beroep, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is komen te vervallen.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat eiser procesbelang heeft. Het doel dat eiser voor ogen staat kan op zichzelf worden bereikt met een beoordeling van het bestreden besluit, dat strekt tot instandlating van rechtspositionele maatregelen. Dat doel is – samengevat – het opnieuw aanstellen van eiser in een functie bij de KMar en vergoeding van schade, zoals misgelopen inkomsten. Het kunnen bereiken van dat doel heeft voor eiser ook feitelijke betekenis. Voor eisers procesbelang bij de beoordeling van het ontslagbesluit is daarbij van belang dat een intrekking van het ontslagbesluit niet betekent dat daaruit geen schade kan zijn ontstaan. Inhoudelijk7. Het bestreden besluit is beperkt tot toekenning van een proceskostenvergoeding aan eiser, waarbij het niet nader gemotiveerde standpunt wordt ingenomen dat geen sprake is van een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid in de primaire besluitvorming. Gelet op de uitspraak van 4 maart 2022 kan verweerder daarmee niet volstaan, maar moet inhoudelijk worden beslist op de in de bezwaarschriften van 14 en 23 juli 2020 opgenomen bezwaargronden.
7.1.
Dat de rechtbank in de uitspraak van vandaag in de samenhangende zaak met zaaknummer 23/2053 heeft geoordeeld dat verweerder het ambtsbericht heeft mogen vaststellen, maakt dit niet anders. De rechtmatigheid van het ambtsbericht brengt niet zonder meer met zich dat de in deze procedure voorliggende rechtspositionele maatregelen rechtmatig zijn.
Mogelijkheid tot herstel van het geconstateerde gebrek
8. Gelet op wat onder 7. is overwogen, heeft verweerder het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid en is dat besluit niet deugdelijk gemotiveerd. Het bestreden besluit is daarom in strijd genomen met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
8.1.
De rechtbank ziet ten behoeve van een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding om verweerder met toepassing van de bestuurlijke lus in de gelegenheid te stellen om op deze wijze dit gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Dat herstellen kan uitsluitend met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het bestreden besluit.
8.2.
De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak.
8.3.
De rechtbank draagt verweerder op haar zo spoedig mogelijk, in ieder geval binnen twee weken na verzending van deze uitspraak, kenbaar te maken of hij gebruik maakt van de gelegenheid om het gebrek te herstellen. Als verweerder gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen een termijn van twee weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beginsel, ook in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder zitting uitspraak doen op het beroep.
8.4.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten, het griffierecht en de hoogte van de schadevergoeding vanwege schending van de redelijke termijn nu nog geen beslissing neemt.
Dictum
De rechtbank:
- draagt verweerder op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- stelt eiser vervolgens in de gelegenheid om, indien verweerder van voormelde gelegenheid gebruik maakt, binnen twee weken na ontvangst van de herstelpoging van verweerder daarop te reageren;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, rechter, in aanwezigheid van
mr. R.J.P. Lindhout, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op
25 oktober 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.
KMar.
LAO-opleiding.
OPCO.
CLAS
Zaaknummers 21/2664 en 21/2399.
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 4 september 2024,
ECLI:NL:RVS:2024:3591
Artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb.