Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-10-15
ECLI:NL:RBDHA:2024:23515
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,539 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/2091
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 oktober 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [land van herkomst] , eiser
(gemachtigde: mr. J.P.W. Temminck Tuinstra),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. A. Houben).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit tot intrekking van zijn Nederlanderschap.
1.1.
Verweerder heeft dit besluit (het primaire besluit) op 29 maart 2017 genomen. Met het bestreden besluit van 1 februari 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit kennelijk-niet ontvankelijk verklaard.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 17 september 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser (met behulp van een videoverbinding), zijn gemachtigde vergezeld door mr. C. Buisman en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Deze zaak gaat over de vraag of verweerder op goede gronden heeft besloten om het bezwaar van eiser niet inhoudelijk te behandelen, omdat het te laat is ingediend. Eiser heeft op 26 december 2023 zijn bezwaarschrift ingediend tegen het besluit van 29 maart 2017, waarin verweerder heeft besloten tot intrekking van zijn Nederlanderschap.
Wat zijn de regels?
3. De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.
Wat vindt eiser in beroep?
4. In de eerste plaats is het primaire besluit niet goed bekendgemaakt. Verweerder heeft dit besluit gestuurd naar eisers laatst bekende adres in Nederland, maar hij woont al sinds 2012 in België. Eiser heeft zich in 2012 al laten uitschrijven bij de gemeente Ronde Venen. Ook in de jaren daarna heeft hij er alles aan gedaan om de Nederlandse autoriteiten van zijn verhuizing naar België op de hoogte te stellen. Pas in november 2023 vernam eiser dat zijn Nederlanderschap was ingetrokken. Hij heeft toen binnen zes weken, en dus op tijd, bezwaar ingesteld. Eiser hoefde niet bedacht te zijn op een publicatie van het intrekkingsbesluit in de Staatscourant. Er was namelijk geen reden om een intrekkingsbesluit te verwachten. Daarbij had het gelet op de omstandigheden in deze zaak voor de hand gelegen dat verweerder het primaire besluit naar zijn laatst bekende gemachtigde had gestuurd.
4.1.
In de tweede plaats is het te laat indienen van het bezwaarschrift verontschuldigbaar. Het intrekken van het Nederlanderschap heeft namelijk verstrekkende gevolgen omdat eiser hierdoor zijn Unieburgerschap is kwijtgeraakt. Bovendien is eiser het inhoudelijk niet eens met de beslissing en zijn bezwaar heeft kans van slagen. Verder had verweerder hem een termijn moeten bieden om zijn bezwaargronden aan te vullen. Ten onrechte is zijn gemachtigde om een schriftelijke machtiging gevraagd voordat het dossier kon worden opgevraagd. Verweerder heeft hiermee in strijd gehandeld met meerdere bepalingen uit het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest).
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Procesbelang
5. Verweerder heeft zich op de zitting op het standpunt gesteld dat eiser geen procesbelang meer heeft, omdat hij inmiddels beschikt over de Belgische nationaliteit. Door de vrijwillige verkrijging hiervan heeft eiser automatisch het Nederlanderschap verloren.
5.1.
Eiser stelt nog steeds belang te hebben bij een inhoudelijke behandeling van zijn beroep, omdat hij pas sinds 2024 de Belgische nationaliteit heeft. Bij een eventueel gegrond beroep moet verweerder zijn bezwaar inhoudelijk beoordelen en bezien of zijn Nederlanderschap op 29 maart 2017 mocht worden ingetrokken. In die mogelijke procedure staan de door eiser in de tussenliggende periode met het Nederlanderschap samenhangende opgebouwde financiële rechten op het spel.
5.2.
Hoewel uit de beschikbare stukken niet duidelijk kan worden afgeleid dat eiser pas sinds 2024 de Belgische nationaliteit heeft, is met de uitleg van eiser voldoende komen vast te staan dat hij een actueel (financieel) heeft bij de uitkomst van dit beroep. Eiser heeft dus (voldoende) procesbelang. De rechtbank zal daarom een oordeel geven over de vraag of verweerder het bezwaarschrift van eiser inhoudelijk moest behandelen.
Heeft verweerder het primaire besluit op de juiste manier bekendgemaakt?
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het primaire besluit op de juiste manier heeft bekendgemaakt en dat eiser zijn bezwaarschrift daarom te laat heeft ingediend. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
6.1.
Verweerder moest het besluit bekendmaken door toezending of uitreiking ervan aan eiser. Het uitgangspunt is dat verweerder daarbij gebruik moet maken van de gegevens uit de Basisregistratie personen (BRP). Als de betrokkene naar het buitenland is vertrokken en er geen adres bij het bestuursorgaan bekend is, dan is bekendmaking van het besluit in de Staatscourant een geschikte manier van bekendmaking.
6.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat verweerder het primaire besluit van 29 maart 2017 aangetekend naar eisers laatst bekende BRP-adres ( [adres] te [plaats] ) heeft gestuurd. Ook staat vast dat dit besluit onder vermelding van ‘geadresseerde onbekend’ is geretourneerd. Verweerder heeft het besluit vervolgens op 3 april 2017 bekendgemaakt in de Staatscourant. Verweerder heeft daarmee dus voldaan aan de wettelijke vereisten voor het bekendmaken van een besluit.
6.3.
Het betoog van eiser dat hij alles heeft gedaan om de Nederlandse autoriteiten op de hoogte te stellen van zijn verhuizing naar België, leidt niet tot een ander oordeel. Eiser moest zijn verhuizing naar een nieuw adres in het buitenland namelijk via een formele aangifte doorgeven aan de gemeente in Nederland waar hij het laatst heeft gewoond. Dat heeft hij niet gedaan. De e-mail van 20 maart 2024 van een medewerker van de gemeente Ronde Venen waarin wordt bevestigd dat eiser in 2012 uit deze gemeente is uitgeschreven, is ook geen formele aangifte.
Dat eiser zich niet op de hoogte heeft gesteld van de Staatscourant komt verder voor zijn eigen rekening en risico, omdat deze manier van bekendmaking is toegestaan, ook bij besluiten die niet op aanvraag zijn genomen.
De rechtbank volgt eiser tot slot niet in zijn standpunt dat verweerder het primaire besluit ook naar eisers laatst bekende gemachtigde had moeten sturen. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat hij dat alleen moest doen als eiser hem had gemeld dat de gemachtigde uit een andere, eerdere zaak ook in deze procedure voor eiser optreedt. Eiser heeft dat niet aan verweerder gemeld.
6.4.
De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift tegen een besluit is zes weken na de dag waarop het besluit is bekendgemaakt. Eiser heeft zijn bezwaarschrift pas ruim zes jaar na de bekendmaking ervan ingediend. Het bezwaarschrift is daarom te laat ingediend.
Is de te late indiening van het bezwaarschrift verontschuldigbaar?
7. De te late indiening van het bezwaarschrift is in dit geval niet verontschuldigbaar. De rechtbank legt hierna uit waarom dat zo is.
7.1.
Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, dan moet verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dat betekent dat het bezwaar niet inhoudelijk wordt beoordeeld. Als er een goede reden is dat het bezwaarschrift te laat is ingediend, dan verklaart verweerder het bezwaar toch ontvankelijk. Het kan dan gaan om te late indiening die is veroorzaakt door bijzondere omstandigheden die de indiener betreffen, door het handelen of nalaten van het bestuursorgaan en mogelijk ook om andere redenen.
7.2.
Eiser heeft geen bijzondere omstandigheden naar voren gebracht die maken dat de te late indiening van zijn bezwaarschrift in dit geval kan worden verontschuldigd. Zijn betoog dat verweerder hem ten onrechte geen nadere termijn zou hebben gegeven voor het aanvullen van zijn bezwaargronden en zijn gemachtigde ten onrechte is verzocht om een schriftelijke machtiging voordat het dossier van eiser kon worden opgevraagd – wat daar verder ook van zij – is daarvoor onvoldoende.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk mocht verklaren en dat verweerder het bezwaar niet inhoudelijk hoefde te beoordelen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.K.S. Mollen, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
BIJLAGE
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:40
Een besluit treedt niet in werking voordat het is bekendgemaakt.
Artikel 3:41
1. De bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.
2. Indien de bekendmaking van het besluit niet kan geschieden op de wijze als voorzien in het eerste lid, geschiedt zij op een andere geschikte wijze.
(…)
Artikel 6:6
Het bezwaar of beroep kan niet-ontvankelijk worden verklaard, indien:
a. niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, of
b. het bezwaar- of beroepschrift geheel of gedeeltelijk is geweigerd op grond van artikel 2:15,
mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
Artikel 6:7
De termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift bedraagt zes weken.
Artikel 6:8
1. De termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
(…)
Wet basisregistratie personen
Artikel 1.4
1. Het college van burgemeester en wethouders is verantwoordelijk voor het bijhouden van persoonsgegevens in de basisregistratie overeenkomstig afdeling 1 van hoofdstuk 2.
(…)
Artikel 2.20
(…)
2. Indien een ingezetene die zijn adres heeft gewijzigd, in gebreke is met het doen van aangifte, draagt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar betrokkene zijn adres heeft, ambtshalve zorg voor opneming van gegevens betreffende het adres. Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd de gegevens alsnog aan de aangifte van de betrokkene te ontlenen, indien de aangifte na afloop van de aangiftetermijn geschiedt.
(…)
Artikel 2:43
1. De ingezetene die naar redelijke verwachting gedurende een jaar ten minste twee derde van de tijd buiten Nederland zal verblijven, doet bij het college van burgemeester en wethouders van de bijhoudingsgemeente voor zijn vertrek uit Nederland schriftelijk aangifte van vertrek. De aangiftetermijn vangt aan op de vijfde dag voor de dag van vertrek.
(…)
Eiser beroept zich op de artikelen 41, 42 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 4 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3591.
Uitspraak van de Afdeling van 7 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2214.
Uitspraak van de Afdeling van 4 december 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB9995.
Artikel 2.43, eerste lid, van de Wet basisregistratie personen (Wet BRP).
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:506.
Artikelen 6:7 en 6:8 van de Awb.
Artikel 6:11 van de Awb.
Zie de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31.