Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-09-06
ECLI:NL:RBDHA:2024:23480
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,126 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/7806
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 september 2024 in de zaak tussen
[eiser]
, uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. M.P.K. Ruperti),
en
de staatssecretaris van Defensie, verweerder
(gemachtigde: mr. M.G. Kruithof).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van verweerder om hem te ontslaan wegens wangedrag.
1.1.
Verweerder heeft bij besluit van 26 mei 2023 het ontslag verleend (het primaire besluit). Met het bestreden besluit van 3 oktober 2023 op het bezwaar van eiser is verweerder bij dat besluit gebleven.
1.2.
Eiser kan zich met het bestreden besluit niet verenigen en heeft hiertegen beroep ingesteld. Verweerder heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 6 mei 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn moeder, zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder, vergezeld door mr. E. Damstra.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser, marechaussee der 4e klasse, was als militair ambtenaar aangesteld bij het beroepspersoneel van de krijgsmacht, ingedeeld bij de Koninklijke Marechaussee (KMar). In de nacht van 20 op 21 april 2023 hebben twee verbalisanten van een patrouille-eenheid eiser met twee collega’s op een schoolplein vlakbij de [kazerne] te [plaats] aangetroffen terwijl zij een joint aan het roken waren. Een daarop bij eiser uitgevoerde speekseltest toonde aan dat hij positief testte op het gebruik van cannabis. In het beleid van verweerder wordt een militair voorgedragen voor ontslag als hij in privé-tijd met, of ten overstaan van, andere militairen softdrugs gebruikt. Verweerder heeft de gedraging van eiser gekwalificeerd als wangedrag en besloten om eiser per 1 juli 2023 te ontslaan wegens wangedrag.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser heeft ter zitting heeft aangegeven dat zijn beroep met name ziet op de evenredigheid van het strafontslag. Hij stelt daartoe dat hij altijd goed heeft gefunctioneerd als militair en zich gedurende het onderzoek coöperatief heeft opgesteld. Verder wijst eiser erop dat het gemeten cannabis-gehalte laag was, het de eerste keer was dat hij betrokken was bij een incident, hij een groot financieel belang heeft bij het behouden van zijn dienstbetrekking en het ontslag hem eveneens op emotioneel vlak raakt. Daarbij wordt volgens eiser het zero-tolerance beleid ten aanzien van drugs door verweerder niet consistent gehandhaafd. Hij wijst in dat verband op een incident waarbij twee collega’s van hem zijn betrapt op het gebruik van harddrugs, maar dat is verzuimd om hier gedegen onderzoek naar te doen. Verder wijst hij ook op een incident uit het verleden waarbij hasj is aangetroffen bij een kaderlid, verstopt in een plafond. Hier is echter geen melding van gemaakt en hij is niet ontslagen. Eiser betoogt dan ook dat hij zwaarder wordt gestraft dan anderen in vergelijkbare situaties. Bovendien lijkt in een uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 5 april 2024 ruimte te worden geboden voor een minder strikte toepassing van het zero-tolerance beleid ten aanzien van drugs. Verder was eiser ten tijde van het incident nog jong en was zijn prefrontale cortex nog niet volledig ontwikkeld. De vraag is dan ook of de gedraging eiser kan worden toegerekend. Verweerder had dan ook met een minder zwaar middel, zoals het opstellen van een ambtsbericht, in dit geval kunnen volstaan.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser in de nacht van 20 op 21 april 2023 in aanwezigheid van twee collega’s een joint heeft gerookt terwijl hij bekend was met het zero-tolerance-beleid binnen de KMar. Verweerder was dan ook bevoegd tot het verlenen van ontslag op grond van wangedrag.
5. Niet is gebleken van omstandigheden waardoor het wangedrag eiser niet zou zijn toe te rekenen. Het betoog van eiser dat hij jong was en zijn prefrontale cortex daardoor niet optimaal ontwikkeld was, kan in dat verband niet slagen. Zo mag van een militair van de KMar worden verwacht dat hij zich bewust is van de regels en dat hij daarnaar handelt. Daarbij heeft verweerder terecht gesteld dat eiser bij zijn aanstelling als militair psychisch is goedgekeurd voor de functie. Eiser heeft geen medische stukken overgelegd die aannemelijk maken dat desondanks sprake is van een (medische) beperking waardoor hij de ontoelaatbaarheid van zijn handelen niet heeft kunnen inzien.
6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, gelet op de aard en de ernst van het verweten gedrag, het ontslag niet onevenredig hoeven achten ten opzichte van de voor eiser nadelige gevolgen daarvan. Verweerder heeft groot gewicht kunnen toekennen aan de omstandigheid dat eiser met zijn handelswijze het vertrouwen dat verweerder in hem als integere en betrouwbare militair moet kunnen stellen in ernstige mate heeft geschaad. Het gebruik en bezit van drugs door een militair is vanuit het oogpunt van veiligheid ontoelaatbaar en heeft eveneens negatieve effecten op de geloofwaardigheid en integriteit van de krijgsmacht als geheel. Daarbij geldt dat deze maatstaf voor eiser als militair binnen het KMar nog hoger ligt nu hij belast was met het uitvoeren van de militaire politietaak. Met een minder vergaande maatregel als het instellen van een ambtsbericht heeft verweerder daarom niet hoeven volstaan. Dat eiser ten tijde van het incident jong was, het gemeten cannabis-gehalte laag was, het de eerste keer was dat eiser betrokken was bij een incident en het ontslag hem zowel financieel als emotioneel zwaar treft, heeft verweerder niet zwaarder hoeven laten wegen dan het organisatiebelang van Defensie. Het beroep van eiser op de uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 april 2024 kan evenmin leiden tot het oordeel dat de toepassing van het zero-tolerance beleid in deze zaak buiten toepassing moet worden gelaten. De rechtbank overweegt dat in die zaak andere feiten en omstandigheden speelden en een vergelijking met deze zaak daarom niet goed mogelijk is. Daarbij heeft verweerder ter zitting aangegeven dat weliswaar op dit moment wordt bekeken of verweerder het zero-tolerance beleid in de huidige vorm wil handhaven, echter dit heeft nog niet geleid tot het vaststellen van nieuw gewijzigd beleid. Ook ten aanzien van de twee door eiser genoemde incidenten waarbij sprake zou zijn geweest van drugsgebruik is sprake van afwijkende omstandigheden die maken dat deze incidenten niet kunnen worden gezien als gelijke zaken.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het ontslag in stand blijft. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, rechter, in aanwezigheid van
mr. R.J.P. Lindhout, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 september 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
De Aanwijzing SG A/925 van 28 maart 2007 “Uitvoering drugsbeleid Defensie”
Op grond van artikel 39, tweede lid en onder l, in samenhang met artikel 41 van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR).
ECLI:NL:RBDHA:2024:5651