Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-12-23
ECLI:NL:RBDHA:2024:23540
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,422 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/5768
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 december 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. D.C. Coppens),
en
de staatssecretaris van Defensie, verweerder
(gemachtigde: mr. drs. A. Verkroost).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van verweerder om hem te ontslaan wegens wangedrag.
1.1.
Verweerder heeft eiser met het besluit van 31 januari 2024 per 9 januari 2024 geschorst in het belang van de dienst. Met het besluit van 9 februari 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser vervolgens ontslag verleend.
1.2.
Eiser heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Met de uitspraak van 5 april 2024 heeft de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening toegewezen en bepaald dat het primaire besluit tot ontslag tot na de bekendmaking van het bestreden besluit wordt geschorst.
1.3.
Met het bestreden besluit van 1 mei 2024 op het bezwaar van eiser heeft verweerder het primaire besluit en daarmee het ontslag van eiser gehandhaafd.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 25 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder, vergezeld door [naam] .
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser, marechaussee der eerste klasse, was sinds 5 april 2020 als militair ambtenaar aangesteld bij het beroepspersoneel van de krijgsmacht, ingedeeld bij de Koninklijke Marechaussee (KMar). Hij was geplaatst op de Brigade Politie en Beveiliging en bekleedde daar de functie van Medewerker Beveiligingstaken bij de afdeling Gewapende Beveiliging Burgerluchtvaart.
2.1.
Op 22 december 2023 heeft eiser bij zijn Brigadecommandant melding gedaan van een incident dat de nacht daarvoor had plaatsgevonden en waarbij hij betrokken is geweest. Een centralist van de politie heeft met behulp van camerabeelden waargenomen dat eiser die nacht in een steeg in het centrum van [plaats] een witte substantie van een sleutel snoof. De politie heeft eiser daarna staande gehouden en hem een boete aangezegd. Vervolgens heeft op 9 januari 2024 een bestuursrechtelijke hoorzitting plaatsgevonden om te beoordelen of jegens eiser vanwege dit incident een orde- of rechtspositionele maatregel genomen moest worden. Na afloop van deze hoorzitting is aan eiser door zijn commandant medegedeeld dat hij het bevoegd gezag zal adviseren om over te gaan tot het ontslag omdat hij de overtuiging had verkregen dat eiser zich in de nacht van 21 december 2023 schuldig had gemaakt aan het gebruik van harddrugs (cocaïne). Dit is in strijd met het zero-tolerance beleid van Defensie dat is neergelegd in de Aanwijzing A/925 van 28 maart 2007. Verweerder heeft het advies van de commandant opgevolgd en besloten om eiser per 1 maart 2024 te ontslaan wegens wangedrag.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser betwist in de eerste plaats dat hij in de nacht van 21 december 2023 drugs heeft gebruikt. Het zakje dat door een van zijn vrienden aan de politie is overhandigd, is niet getest. Verder heeft eiser een haaranalyse laten uitvoeren die negatief is uitgevallen op het gebruik van drugs. Aan zijn eerdere verklaring dat hij ervan uitging dat hij die nacht wel cocaïne heeft gebruikt, mocht door verweerder geen groot gewicht worden toegekend. Deze verklaring was namelijk gebaseerd op wat zijn vrienden hem achteraf hebben verteld. Eiser zelf was dermate onder invloed van alcohol dat hij zich nauwelijks iets van de avond kon herinneren. Wel wist hij nog dat hij nauwelijks effect voelde van de substantie die hij tot zich nam. Ook het feit dat hem een boete is aangezegd, zegt niets over of hij die avond daadwerkelijk drugs heeft gebruikt. Nog daargelaten dat hij tot op heden nog geen boete heeft ontvangen, wordt een dergelijke boete namelijk ook uitgeschreven indien op de openbare weg met drugs vergelijkbare waren worden gebruikt.
Mocht wel komen vast te staan dat eiser die nacht drugs heeft gebruikt, moet het op grond daarvan verleende ontslag als onevenredig worden aangemerkt. Eiser verwijst in dit verband naar de eerdere uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 april 2024 waarin – kort samengevat – is geoordeeld dat verweerder zijn drugsbeleid vanwege de veranderde tijdsgeest en de specifieke omstandigheden in het geval van eiser niet zonder meer heeft kunnen toepassen. Verweerder heeft daarop in het bestreden besluit de evenredigheid van het ontslag nader onderbouwd. Deze onderbouwing schiet volgens eiser echter tekort. Verweerder is daarin voorbijgegaan aan de omstandigheid dat het incident plaatsvond in privétijd zonder de aanwezigheid van andere collega’s en bovendien niet in de plaats waar eiser is gelegerd. Daarbij had eiser ten tijde van het incident verlof. De redenering van verweerder dat de effecten van harddrugs langer dan een dag aanwezig zijn in het lichaam waardoor het risico bestaat op een onveilige werkomgeving, gaat in dit geval dan ook niet op. Daarnaast was Defensie bekend met het feit dat eiser voor zijn dienstverband al een keer eerder drugs had gebruikt en is hem meermaals gewezen op de mogelijkheid om na zijn ontslag weer te solliciteren. Het ontslagbesluit valt tegen die achtergrond moeilijk te plaatsen. Verder is het eiser bekend dat binnen Defensie militairen werkzaam zijn die andere strafbare feiten hebben gepleegd. Het enkele feit dat iemand een strafbaar feit heeft gepleegd, is op zichzelf dan ook onvoldoende om een ontslag op te kunnen baseren. Verder moet in het kader van de evenredigheid worden meegewogen dat eiser op de werkvloer bekend stond als een uitstekende collega die onder andere collega’s veel vertrouwen genoot. Ter ondersteuning hiervan heeft eiser een brief van de Groepscommandant Gewapende Beveiliging Burgerluchtvaart op Schiphol overlegd. Tot slot had verweerder eiser ook kunnen overplaatsen naar een ander onderdeel van de krijgsmacht of hem een leeropdracht kunnen aanbieden. In dat geval was hij als getraind militair voor de krijgsmacht, die kampt met zware tekorten, behouden gebleven.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. Volgens de wet kan aan een militair ontslag worden verleend wegens wangedrag in de dienst, dan wel buiten de dienst, voor zover dat gedrag schadelijk is of kan zijn voor zijn dienstvervulling of niet in overeenstemming is met het aanzien van het ambt.
5. In het ambtenarentuchtrecht gelden niet de zeer strikte bewijsregels die in het strafrecht van toepassing zijn. Wel is noodzakelijk dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokkene de hem verweten gedragingen heeft begaan. Bovendien dient het wangedrag aan hem toe te rekenen te zijn en dient de opgelegde straf evenredig te zijn aan de ernst van het gestelde wangedrag.
6. Verweerder voert een zero-tolerance beleid met betrekking tot (hard)drugs. Dat stringente beleid is neergelegd in de Aanwijzing A/925 van 28 maart 2007, waarmee het beleid zoals eerder verwoord in de brief van de staatssecretaris van 16 april 1997 is neergelegd om harmonisering van de uitvoeringspraktijk ten goede te komen. In dat beleid staat ook dat het gebruik of aanwezig hebben van drugs, om welke reden dan ook, door militairen niet wordt getolereerd. Als hoofdregel geldt dan ook dat de militair die zich op enigerlei wijze inlaat met harddrugs, voor ontslag wordt voorgedragen.
7. De eerste vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of verweerder de overtuiging heeft kunnen verkrijgen dat eiser zich op enigerlei wijze heeft ingelaten met harddrugs.
7.1.
Vaststaat dat een centralist van de politie met behulp van camerabeelden heeft waargenomen dat eiser in de nacht van 21 op 22 december 2023 in een steeg in het centrum van [plaats] een witte substantie van een sleutel snoof en dat eiser even later is staande gehouden door de politie. Toen de agenten verzochten om alle drugs die aanwezig waren in te leveren, kregen zij van één van de vrienden van eiser een zakje met wit poeder erin overhandigd. Vervolgens hebben zij aan onder meer eiser een kennisgeving van bekeuring gegeven. Uit de stukken volgt dat eiser een dag later op eigen initiatief telefonisch contact heeft gezocht met een van zijn collega’s bij de KMar om over het incident te praten. Deze collega heeft dit vervolgens doorgespeeld aan een van de Opperwachtmeesters, die op zijn beurt weer de waarnemend eerste teamleider van eiser over het incident heeft geïnformeerd. Laatstgenoemde heeft vervolgens telefonisch contact opgenomen met eiser. Uit het verslag van dit gesprek volgt onder meer dat eiser heeft verklaard dat hij met zijn vrienden was gaan stappen in [plaats] , zij die avond veel alcohol hadden genuttigd, een van zijn vrienden cocaïne bij zich had en eiser dit ook heeft gebruikt nadat hij dit kreeg aangeboden. Daarbij verklaarde eiser een gigantische fout te hebben gemaakt waarvoor hij zijn excuses wilde aanbieden. Vervolgens heeft op 9 januari 2024 een bestuursrechtelijke hoorzitting plaatsgevonden met onder meer de commandant van eiser.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het ontslag in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 december 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:RBDHA:2024:5651.
Op grond van artikel 39, tweede lid en onder l, in samenhang met artikel 41 van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR).
Op grond van artikel 2:64b van de Algemene Plaatselijke Verordening [plaats] 2021.
ECLI:NL:RBDHA:2024:5651.
Op grond van artikel 39, tweede lid en onder l, in samenhang met artikel 41 van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR).
Zie onder meer de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (Raad) van 15 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT1997.
Zie onder meer de uitspraak van de Raad van 3 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3053.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 december 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:20157.
Beoordeling
Blijkens het verslag hiervan antwoordde eiser op de door zijn commandant gestelde vraag of hij die nacht drugs heeft gebruikt ‘dat hij inderdaad wat heeft gebruikt, maar niet precies weet wat het was’. Op de vraag of eiser daarna nog aan zijn vrienden heeft gevraagd wat hij dan heeft gebruikt, antwoordde eiser ‘dat het waarschijnlijk cocaïne was en dat zij de substantie ook als zijnde cocaïne hebben gekocht’.
7.2.
Net als de voorzieningenrechter is de rechtbank van oordeel dat verweerder gelet op het voorgaande de overtuiging heeft kunnen verkrijgen dat eiser zich in de nacht van 21 op 22 december 2023 op enigerlei wijze heeft ingelaten met harddrugs. De rechtbank volgt verweerder in zijn betoog dat de latere ontkennende verklaringen van eiser – waarbij hij in twijfel trekt of het daadwerkelijk om cocaïne ging – de bewijswaarde van zijn eerdere bekennende verklaringen op dit onderdeel niet kunnen aantasten. Dit geldt ook voor het betoog van eiser dat de betreffende substantie nooit is getest en dat uit het aanzeggen van de boete niet automatisch kan worden afgeleid dat het daadwerkelijk om harddrugs gaat. Verweerder hoefde evenmin gewicht toe te kennen aan het betoog van eiser dat uit een haaranalyse zou blijken dat hij geen drugs heeft gebruikt. Verweerder heeft er in dat verband terecht op gewezen dat uit de uitslag van deze test niet kan worden afgeleid dat deze daadwerkelijk door eiser zelf is afgenomen. Daar komt bij dat het een relatief goedkope zelftest betreft en dus geen sprake is geweest van een door een professionele en erkende instantie uitgevoerd onderzoek. Dit tezamen met het feit dat de test bijna twee maanden na het incident is afgenomen doet de vraag rijzen hoe betrouwbaar de uitslag hiervan is.
8. Het voorgaande maakt dat verweerder in beginsel bevoegd was om eiser conform zijn drugsbeleid ontslag te verlenen wegens wangedrag. Bijzondere feiten of omstandigheden waaruit volgt dat de gedraging niet aan eiser kan worden toegerekend, zijn gesteld noch gebleken. De volgende vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of het ontslag evenredig is aan de ernst van het gestelde wangedrag.
8.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, gelet op de aard en de ernst van het verweten gedrag, het ontslag niet onevenredig hoeven achten ten opzichte van de voor eiser nadelige gevolgen daarvan. Verweerder heeft groot gewicht kunnen toekennen aan de omstandigheid dat eiser met zijn handelwijze het vertrouwen dat verweerder in hem als integere en betrouwbare militair moet kunnen stellen in ernstige mate heeft geschaad. Harddrugs kunnen alleen in het criminele circuit worden verkregen en het gebruik ervan houdt dit in stand. Verder is het gebruik en bezit van (hard)drugs door een militair vanuit het oogpunt van veiligheid ontoelaatbaar en heeft eveneens negatieve effecten op de geloofwaardigheid en integriteit van de krijgsmacht als geheel. Ook ondergraaft drugsgebruik het uitgangspunt dat militairen onderling op elkaar moeten kunnen vertrouwen. Dit geldt te meer, zoals verweerder op de zitting nader heeft toegelicht, nu door de verharding van de maatschappij en de recente geopolitieke ontwikkelingen er een grotere kans bestaat dat een militair daadwerkelijk wordt ingezet. Daarbij komt dat de lat voor eiser als militair binnen de KMar nog hoger ligt nu hij belast was met het uitvoeren van de militaire politietaak. Tegen die achtergrond vindt de rechtbank het niet onredelijk dat ten aanzien van dit onderdeel van de krijgsmacht ook ontslag wordt verleend als, zoals in het geval van eiser, sprake is van het eenmalig buiten werktijd en zonder de aanwezigheid van collega’s gebruiken of voorhanden hebben van een gebruikershoeveelheid aan drugs. Met een minder vergaande maatregel dan ontslag heeft verweerder daarom niet hoeven volstaan. Dat hierdoor een getraind militair, waarvan het functioneren buiten kijf stond, voor Defensie verloren gaat, is een bewuste keuze geweest van verweerder en heeft hij niet zwaarder hoeven laten wegen dan het organisatiebelang van Defensie.
8.2.
Het beroep van eiser op de eerdere uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 april 2024 kan evenmin leiden tot het oordeel dat de toepassing van het zero-tolerance beleid in dit geval buiten toepassing moet worden gelaten. Verweerder heeft in reactie op deze eerdere uitspraak toegelicht dat het drugsbeleid weliswaar wordt geëvalueerd, maar dat de uitkomst hiervan nog onzeker is. Dat waar nodig een voorstel tot aanpassing zal worden gedaan, wil volgens verweerder gelet op de net genoemde doelstellingen van Defensie echter niet zeggen dat dit zal leiden tot een andere benadering in het geval van harddrugs.
De omstandigheid dat eiser eerder wel door de KMar is aangenomen terwijl bekend was dat hij eerder al een keer drugs had gebruikt en hem meerdere malen te kennen is gegeven dat hij na zijn ontslag weer kan solliciteren, acht de rechtbank anders dan eiser niet zonder meer in strijd met het zero-tolerance beleid. Tijdens het eerdere drugsgebruik was eiser immers nog geen militair. Hij vertegenwoordigde Defensie, en daarmee haar kernwaarden, op dat moment dus nog niet richting de samenleving. Hoewel uit het verslag van de hoorzitting van 9 januari 2024 inderdaad blijkt dat eiser door zijn commandant is gewezen op de mogelijkheid om in de toekomst weer bij Defensie te solliciteren, heeft verweerder daarbij het uitdrukkelijke voorbehoud gemaakt dat dan de reden van het beëindigen van een eerdere aanstelling zal worden meegewogen.