Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-11-19
ECLI:NL:RBDHA:2024:23459
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,241 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.28688
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[verzoeker] , verzoeker V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M. Spapens), en
de Minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoeker om vergoeding van zijn proceskosten.
Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door verweerder op zijn asielaanvraag. Op 18 september 2024 heeft verweerder alsnog een inwilligend besluit genomen op de aanvraag.
Naar aanleiding hiervan heeft verzoeker het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
Verweerder heeft per bericht van 10 oktober 2024 aangegeven de proceskosten niet te willen vergoeden.
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.1 Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
1. Op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. Verzoeker heeft op 4 september 2023 zijn asielaanvraag ingediend. Verweerder had, met toepassing van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), in beginsel uiterlijk op 4 maart 2024 op de aanvraag moeten beslissen.
4. Sinds 27 januari 2023 is het besluit met kenmerk WBV 2023/3 van kracht.2 Dit besluit heeft tot gevolg dat de beslistermijnen van asielaanvragen die zijn ingediend vanaf 1 januari 2023 tot 1 januari 2024 met negen maanden zijn verlengd. De asielaanvraag van verzoeker viel onder het toepassingsbereik van dit besluit. Dat betekent dat de beslistermijn in zijn zaak is negen maanden is verlengd en dat verweerder uiterlijk op 4 december 2024 op de aanvraag moest beslissen. De termijn om te beslissen op zijn aanvraag was daarom nog niet verstreken toen hij de ingebrekestelling indiende bij verweerder. De ingebrekestelling van 2 juli 2024 was dan ook prematuur, zodat niet was voldaan aan de voorwaarden voor het indienen van een beroep op grond van het niet tijdig beslissen door verweerder, als bedoeld in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb. Er is daarom nimmer sprake is geweest van een ontvankelijk beroep.
5. In het bericht van 10 oktober 2024 betwist verzoeker, onder verwijzing naar ‘jurisprudentie’, dat de ingebrekestelling prematuur zou zijn ingediend. De rechtbank leest dit, gelet op de verwijzing in de beroepsgronden naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 13 maart 20243, als een betwisting van de rechtsgeldigheid van WBV 2023/3. De rechtbank volgt dit standpunt niet en verwijst voor de motivering naar de uitspraak van deze zittingsplaats van 16 februari 2024.4 Hierin heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat ten tijde van de inwerkingtreding van WBV 2023/3 sprake was van een situatie als bedoeld in artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw.
6. De rechtbank zal verweerder daarom niet veroordelen in de proceskosten van verzoeker.
Dictum
De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Khalloufi, griffier.
2 Staatscourant van 26 januari 2023, nr. 3235.
3 ECLI:NL:RBDHA:2024:3346.
4 ECLI:NL:RBDHA:2024:1859.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
19 november 2024
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.