Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-12-18
ECLI:NL:RBDHA:2024:23317
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
10,456 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Familierecht
Zaaknummer: C/09/663456 / FA RK 24-2081
Kinderalimentatie
Beschikking van 18 december 2024
in de zaak van:
verzoekster,
wonende in [plaatsnaam],
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. O. Asscher,
t e g e n
verweerder,
wonende in [plaatsnaam],
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. D.G.M. van den Hoogen.
Procesverloop
1.1.
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
het verzoekschrift van de moeder met bijlagen 1 tot en met 15, binnengekomen op 19 maart 2024;
het verweerschrift van de vader bijlagen 1 tot en met 3;
het bericht namens de vader van 17 oktober 2024 met bijlagen 4 tot en met 10;
het bericht namens de moeder van 28 oktober 2024 met bijlagen 16 tot en met 26;
het bericht namens de vader van 5 november 2024 met als bijlage ‘pleitnota’;
het bericht namens de moeder van 6 november 2024 met bijlagen 27 tot en met 29;
het bericht namens de vader van 11 november 2024 met bijlagen 11 tot en met 16, en
et bericht namens de moeder van 19 november 2024 met nadere akte.
1.2.
Het verzoek en verweer zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling van 7 november 2024. Hiervan zijn aantekeningen gemaakt. Tijdens deze behandeling zijn via videobellen gehoord:
de moeder, bijgestaan door haar advocaat, en
de vader, bijgestaan door zijn advocaat.
2Waar gaat het over?
wat staat vast?
2.1.
Partijen zijn met elkaar getrouwd geweest.
2.2.
Bij beschikking van deze rechtbank van 6 april 2021 is tussen hen de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is op 27 september 2021 ingeschreven in de daarvoor bedoelde registers.
2.3.
Partijen zijn de ouders van:
[minderjarige 1], geboren op [datum];
[minderjarige 2], geboren op [datum], en
[minderjarige 3], geboren op [datum],
gezamenlijk te noemen: de kinderen.
2.4.
Bij beschikking van deze rechtbank van 29 maart 2022 zijn de kinderen uit huis geplaatst bij de vader, hetgeen in hoger beroep is bekrachtigd door het hof Den Haag.
2.5.
Bij beschikking van het hof Den Haag van 14 december 2022 is ten aanzien van kinderalimentatie het volgende bepaald:
de vader moet een bijdrage aan de moeder betalen van vanaf 27 september 2021 tot 1 januari 2022 € 367,- per kind per maand en vanaf 1 januari 2022 tot 1 april 2022 € 288,- per kind per maand;
de moeder moet vanaf 1 april 2022 een bijdrage van € 352,- per kind per maand betalen aan de vader. Vermeerderd met de wettelijke indexering bedraagt deze bijdrage vanaf 1 januari 2024 (afgerond) € 387,- per kind per maand.
wat ligt voor?
2.6.
De moeder wil – na intrekking van haar subsidiaire verzoek – dat de door haar te betalen kinderalimentatie vanaf 1 april 2022 wordt gewijzigd in € 0,- per maand (nihil) dan wel op een zodanige bijdrage die de rechtbank in goede justitie juist acht. Zij stelt dat de beschikking van het hof van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat daarin van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Daarnaast zijn nadien de omstandigheden gewijzigd, omdat beide partijen intussen een substantieel hoger inkomen hebben.
2.7.
De vader is het niet eens met het verzoek van de moeder en vraagt de rechtbank dit af te wijzen. Nu de moeder het (kennelijk) niet eens is met de beschikking van het hof, had het op haar weg gelegen om daar hoger beroep tegen in te stellen. Hij erkent dat de omstandigheden door de inkomensstijging van beide partijen zijn gewijzigd. Dit heeft tot gevolg dat er opnieuw gerekend moet worden.
Beoordeling
conclusie
3.1.
De rechtbank beslist dat de moeder een kinderalimentatie aan de vader moet betalen als hierna opgenomen in het dictum. De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt. Daarbij gaat zij in op de standpunten van partijen die voor de beoordeling van belang zijn. De berekeningen die de rechtbank heeft gemaakt, zijn als bijlagen aan deze beschikking toegevoegd. Bij de berekeningen rondt de rechtbank af op hele euro’s.
ontvankelijkheid: wat zegt de wet?
3.2.
Op grond van artikel 1:401 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank de kinderalimentatie opnieuw vaststellen als deze nooit goed is berekend omdat de rechter bij de eerdere beslissing is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens.
Volgens de geldende rechtspraak moet de reikwijdte van voornoemd artikel ruim worden opgevat. Dat een onvolkomenheid (destijds) in hoger beroep had kunnen zijn hersteld, vormt geen beletsel voor de wijziging van een eerdere beslissing.
3.3.
Een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst inzake levensonderhoud kan ook worden gewijzigd of ingetrokken wanneer zij later door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.
uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens?
3.4.
Volgens de moeder heeft de beschikking van het hof van 14 december 2022 – samenvattend – om de navolgende redenen niet aan de wettelijke maatstaven beantwoord:
o de basisbehoefte van de kinderen is ten onrechte vermeerderd met de netto kosten van kinderopvang, omdat die kosten waren komen te vervallen;
o bij het bepalen van de alimentatieverplichting van de moeder vanaf 1 april 2022 is ten onrechte aangesloten bij dezelfde berekening als die is gebruikt voor het bepalen van de alimentatieverplichting van de vader in de periode 1 januari 2022 tot 1 april 2022, en
o de vader heeft het hof destijds – ter zitting – niet juist en onvolledig geïnformeerd over zijn inkomen.
3.5.
Naar het oordeel van de rechtbank brengt het gegeven dat het hof bij het bepalen van de alimentatieverplichting van de moeder per 1 april 2022 geen nieuwe berekening heeft gemaakt op zich al mee dat de door haar aan de vader te betalen bijdrage op onjuiste gegevens is gestoeld. De rechtbank merkt op dat met ingang van 1 april 2022 een wijziging heeft plaatsgevonden in de verblijfplaats van de kinderen. Zij zijn vanaf dat moment bij de vader uit huis geplaatst. Dit brengt mee dat niet langer de moeder, maar de vader recht heeft op kinderbijslag en kindgebonden budget (KGB). Daarnaast komt de vader in aanmerking voor de combinatiekorting. Deze (fiscale) voorzieningen hebben bij de vader tot een draagkracht verhogend (en bij de moeder een draagkracht verlagend) effect geleid, hetgeen (uiteindelijk) van invloed is op de hoogte van de te betalen kinderalimentatie. Tegen deze achtergrond is het hof bij het bepalen van de bijdrage vanaf 1 april 2022 bij beide partijen uitgegaan van een onjuiste draagkracht. Zoals uit het hierna berekende ook zal blijken, heeft deze bijdrage van aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven beantwoord. De rechtbank komt aldus toe aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek van de moeder. De overige door de moeder gestelde misslagen behoeven daarom geen bespreking.
3.6.
Nu de moeder reeds op grond van artikel 1:401 lid 4 BW kan worden ontvangen in haar verzoek en die wijzigingsgrond verder strekt, laat de rechtbank de bespreking van de wijziging van omstandigheden achterwege.
ingangsdatum
3.7.
De wet laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn gewijzigd, de datum van het verzoekschrift en de datum waarop de rechter beslist. De rechter kan dus een bijdrage wijzigen over een periode in het verleden, maar moet daar terughoudend mee omgaan omdat dit flinke gevolgen voor partijen kan hebben.
3.8.
Nu hiervoor is overwogen dat de beschikking van het hof van 14 december 2022 – in elk geval – vanaf 1 april 2022 niet aan de wettelijke maatstaven heeft voldaan, zal de rechtbank de alimentatieverplichting van de moeder vanaf die datum opnieuw berekenen.
behoefte kinderen
3.9.
Partijen zijn het erover eens dat de basisbehoefte van de kinderen in totaal € 1.570,- per maand bedroeg in 2019. De rechtbank zal daarom die behoefte als uitgangspunt nemen. Vermeerderd met de indexering bedroeg de behoefte € 1.689,- per maand in 2022, € 1.746,- per maand in 2023 en bedraagt deze met ingang van 1 januari 2024 € 1.855,- per maand.
3.10.
Wat partijen verdeeld houdt is de vraag of de basisbehoefte moet worden vermeerderd met de netto kinderopvangkosten. In de beschikking van de rechtbank van 2021 is de basisbehoefte vermeerderd met de netto kinderopvangkosten van € 1.000,- per maand. Het hof heeft in haar beschikking van 14 december 2022 deze verhoging (ondanks het bezwaar van de vader) overgenomen. Namens de moeder is ter zitting verklaard dat de verhoging vanaf 1 december 2022, de dag waarop [minderjarige 3] 4 jaar werd, moet wegvallen – buitenschoolse opvang (BSO) is goedkoper dan een kinderdagverblijf – en dat zij vanaf de uithuisplaatsing van de kinderen bij de vader de kosten van kinderopvang tot (in elk geval) die datum is blijven doorbetalen. De vader stelt dat de basisbehoefte ook vanaf 2023 moet worden vermeerderd met de door hem betaalde netto kosten voor BSO.
3.11.
De rechtbank merkt op dat in de beschikking van 6 april 2021 is overwogen dat het netto gezinsinkomen ten tijde van het uiteengaan van partijen in ieder geval meer bedroeg dan € 6.000,- per maand. Dat is de hoogste inkomensgrens in de behoeftetabellen. De behoefte van de kinderen is daarom gemaximaliseerd op € 1.570,- per maand. Dit neemt niet weg dat gelet op de welstand waarin partijen leefden het aannemelijk is dat zij een hoger bedrag aan de kinderen te besteden hadden.
3.12.
De basisbehoefte valt uiteen in verblijfskosten (de kosten die een ouder maakt voor het verblijf van een kind bij hem of haar) en de verblijfsoverstijgende kosten (de kosten die niet met het verblijf hebben te maken). De netto kinderopvangkosten kunnen tot de verblijfsoverstijgende kosten worden gerekend. Voor verblijfsoverstijgende kosten is (naast de kinderbijslag) 30% van de basisbehoefte beschikbaar. Uitgangspunt is dat de kosten van kinderopvang, ook omdat daar een kinderopvangtoeslag tegenover staat, uit de basisbehoefte kunnen worden voldaan. In het geval van partijen is sprake van een situatie waarin nadat de toeslag in mindering wordt gebracht, nog een aanmerkelijk deel van de kosten van kinderopvang resteert. Dit heeft tot gevolg dat de netto kosten van kinderopvang voor een groot deel uit de basisbehoefte moeten worden voldaan, terwijl er ook andere verblijfs- en verblijfsoverstijgende kosten zijn. Dit strookt niet met de welstand die de kinderen destijds feitelijk hebben genoten. In deze visie wordt de rechtbank gesterkt, nu uit de beschikking van 6 april 2021 blijkt dat partijen het er over eens waren dat de tabelbehoefte moet worden verhoogd met de (netto) kosten van kinderopvang en de (tevergeefs) door de moeder (in elk geval voor de periode dat zij de onderhoudsgerechtigde was) geleverde inspanningen om de basisbehoefte ook met andere kosten verder te verhogen. Tegen deze achtergrond zal de rechtbank (net als de rechtbank eerder en ook het Hof) hierna de basisbehoefte in ieder jaar vermeerderen met de netto kosten van kinderopvang en (vanaf 1 januari 2023) BSO.
Dictum
De rechtbank:
4.1.
wijzigt de beschikking van het hof Den Haag van 14 december 2022 en bepaalt dat de moeder een kinderalimentatie aan de vader moet betalen van:
van 1 april 2022 tot 30 november 2022 € 557,- per maand;
van 1 december tot 31 december 2022 € 358,- per maand;
van 1 januari 2023 tot 31 december 2023 € 191,- per maand;
van 1 januari 2024 tot 30 juni 2024 € 343,- per maand, en
vanaf 1 juli 2024 € 396,- per maand;
4.2.
bepaalt dat de moeder deze alimentatie wat de toekomstige termijnen betreft steeds vóór de eerste van de maand vooraf moet betalen;
4.3.
bepaalt dat de vader gerechtigd is het teveel betaalde bedrag aan kinderalimentatie over de periode vanaf 1 april 2022 in 24 maandelijkse termijnen te voldoen, te beginnen op 1 januari 2025;
4.4.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad, en
4.5.
wijst de verzoeken voor het overige af.
Dit is de beslissing van rechter mr. F.P. Dresselhuys-Doeleman, tot stand gekomen in samenwerking met griffier mr. N. Kum. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 december 2024 in aanwezigheid van de griffier.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof in Den Haag. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.
Bijlage 1: indexering basisbehoefte
Bijlage 2: berekening draagkracht moeder 2022
Bijlage 3: berekening draagkracht vader 2022
Bijlage 4: berekening draagkracht moeder 2023
Bijlage 5: berekening draagkracht vader 2023
Bijlage 6: berekening draagkracht moeder 2024 (1 januari – 30 juni 2024)
Bijlage 7: berekening draagkracht vader 2024 (1 januari – 30 juni 2024)
Bijlage 8: berekening draagkracht moeder vanaf 1 juli 2024
Bijlage 9: berekening draagkracht vader vanaf 1 juli 2024
HR 12 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK5026.
HR 15 november 1996, NJ 1997/450
Artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek
Artikel 1:402 van het Burgerlijk Wetboek
Zie bijlage 1
Artikel 1:397 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek
Zie Rapport Alimentatienormen 2024, paragraaf 4.6
Zie bijlage 2
Zie bijlage 3
Zie bijlage 4
Zie bijlage 5
Zie bijlage 6
Zie bijlage 7
Zie bijlage 8
Zie bijlage 9
Beoordeling
jaar 2022
3.13.
Voor dit jaar is tussen partijen niet in discussie dat de basisbehoefte van € 1.689,- per maand tot – in ieder geval – 1 december 2022 vermeerderd met worden met de netto kinderopvangkosten van € 1.000,- per maand. De totale behoefte bedroeg daarmee € 2.689,- per maand.
jaar 2023
3.14.
De vader heeft als bijlage 15 facturen overgelegd die zien op de door hem in de jaren 2023 en 2024 gemaakte kosten voor BSO. Daaruit maakt de rechtbank op dat de vader in 2023 gemiddeld € 1.200,- per maand aan BSO heeft betaald. Volgens de als bijlage 16 overgelegde proefberekening stond daar een toeslag tegenover van € 748,- per maand. De rechtbank zal dit bedrag (anders dan de moeder stelt) meenemen bij het bepalen van de netto kosten van BSO van de vader. Het in de proefberekening opgenomen inkomen strookt volledig met de inkomensgegevens die blijken uit de aangifte IB 2023 van de vader. Aldus ziet de rechtbank geen reden om aan deze berekening te twijfelen. Dit maakt dat de netto BSO-kosten (€ 1.200 - € 748 =) € 452,- per maand bedroegen in 2023. Als dit wordt opgeteld bij de basisbehoefte, bedraagt de totale behoefte (€ 1.746 + € 452 =) € 2.198,- per maand.
jaar 2024
3.15.
In dit jaar bedragen de kosten voor BSO gemiddeld € 1.546,- per maand. Volgens de proefberekening van de vader ontvangt hij een toeslag van € 1.151,- per maand. De vader betaalt dus netto (€ 1.546 - € 1.151 =) € 395,- per maand aan BSO. Wanneer dit wordt opgeteld bij de basisbehoefte, bedraagt de totale behoefte (€ 1.855 + € 395 =) € 2.250,- per maand.
draagkracht ouders
3.16.
Bij de berekening van de kinderalimentatie moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van de ouders kan betalen. Dat wordt de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd. Volgens de wet moeten de ouders namelijk naar draagkracht in de behoefte van de kinderen voorzien.
3.17.
Hiervoor heeft de rechtbank overwogen dat de alimentatieverplichting van de moeder vanaf 1 april 2022 zal worden herberekend. De rechtbank zal hierna afzonderlijk over 5 verschillende perioden de kinderalimentatie berekenen, te weten:
van 1 april 2022 tot en met 30 november 2022;
van 1 december 2022 tot en met 31 december 2022;
van 1 januari 2023 tot en met 31 december 2023;
van 1 januari 2024 tot en met 30 juni 2024, en
vanaf 1 juli 2024 (door de inkomensstijging van de moeder).
Daarbij zal de rechtbank eerst ingaan op de vraag in hoeverre de schulden van de moeder met de bijbehorende aflosverplichtingen van invloed zijn op haar draagkracht (3.18 t/m 3.24) en op de vraag waarmee rekening wordt gehouden bij het vaststellen van het inkomen van de vader (3.25 en 3.26).
leningen moeder
3.18.
De moeder heeft als bijlage 19 een schuldenoverzicht d.d. 19 oktober 2024 overgelegd. Daaruit blijkt een totale schuld van € 366.083,92. Deze schuld is (voor een groot deel) opgebouwd in de periode 2021-2024. In die periode is ook sprake geweest van loonbeslag. De moeder stelt dat zij na aflossing op haar schulden geen draagkracht overhoudt om kinderalimentatie te betalen. Hoewel zij naar eigen zeggen maandelijks € 1.473,25 aflost, verwachten haar schuldeisers dat nadat haar bijdrage voor de kinderen wordt verlaagd zij meer kan aflossen.
3.19.
Uit voornoemde overzicht blijken de volgende schulden:
o lening [schuldeiser]: € 158.515,-;
o lening Sociaal fonds werkgever: € 4.800,-;
o lening Nationaal Warmtefonds: € 23.890,25;
o schuld [voormalige advocaat 1]: € 28.907,-;
o schuld [voormalige advocaat 2]: € 20.000,-;
o schuld [voormalige advocaat 3]: € 8.971,67;
o schuld moeder: € 116.000,-;
o schuld vrienden: € 5.000,-.
3.20.
Bij het bepalen van draagkracht van een onderhoudsplichtige kan rekening worden gehouden met lasten die niet vermijdbaar en ook niet verwijtbaar zijn aangegaan of voortbestaan. Een vermijdbare last is een last waarvan een onderhoudsplichtige zich geheel of gedeeltelijk kan bevrijden. Ook een last die een onderhoudsplichtige elders binnen diens budget (bijvoorbeeld de draagkrachtvrije ruimte) kan opvangen is vermijdbaar. Omdat een vermijdbare last niet op het inkomen hoeft te drukken, wordt daar geen rekening mee gehouden bij de berekening van kinderalimentatie. Een verwijtbare last ziet op een last die de onderhoudsplichtige met het oog op diens onderhoudsverplichting niet had mogen laten ontstaan of die niet mag blijven voortbestaan. Een verwijtbare last drukt wel op het inkomen, maar heeft geen voorrang op de betaling van kinderalimentatie.
3.21.
Met betrekking tot de lening van [schuldeiser] staat vast dat – in elk geval – de resterende schuld volledig ziet op de financiering van de kosten van de moeder voor de in de afgelopen jaren gevoerde procedures rond de scheiding en de kinderbeschermingsmaatregel. Partijen hebben vanaf 2019 immers meer dan 30 procedures gevoerd, waarvan de moeder een groot deel is gestart. De rechtbank neemt in aanmerking dat onder omstandigheden advocaatkosten – voor zover die in redelijkheid zijn gemaakt – bij de berekening van kinderalimentatie kunnen worden meegenomen. In een geval als in de onderhavige zaak waarin de vrouw in een vrij kort tijdsbestek voor een bedrag van ten minste € 150.000,- advocaatkosten heeft gemaakt, kan bezwaarlijk worden volgehouden dat deze redelijk zijn. Daarnaast merkt de rechtbank op dat de lening bij Nationaal Warmtefonds op 11 januari 2023 is aangegaan voor de vervanging van (naar de rechtbank begrijpt) kozijnen. Hoewel de rechtbank begrijpt dat dit een redelijke investering is met als doel om energie (en daarmee kosten) te besparen, rijmt het aangaan van deze lening niet met de gestelde benepen financiële situatie van de moeder. De rechtbank heeft verder geen stukken gezien die aantonen dat de moeder een schuld is aangegaan bij vrienden.
3.22.
Voor wat betreft de lening die de moeder bij haar (eigen) moeder is aangegaan merkt de rechtbank het volgende op. Uit de als bijlage 19 overgelegde overzichten blijkt dat de moeder diverse bedragen geleend en geschonken heeft gekregen. Samenvattend gaat het om de navolgende bedragen:
€ 50.000,- ontvangen op 5 november 2020 (lening);
€ 11.000,- ontvangen, waarbij geen datum van overschrijving is genoemd (lening);
€ 50.000,- ontvangen op 13 maart 2021 (schenking);
€ 50.000,- ontvangen op 18 maart 2021 (schenking);
€ 9.000,- ontvangen op 16 januari 2024 (lening), en
€ 100.000,- ontvangen op 23 januari 2024 (schenking).
3.23.
Aldus blijkt uit het bovenstaande dat de moeder in totaal € 70.000,- heeft geleend en een bedrag van tenminste € 200.000,- geschonken heeft gekregen. Daargelaten dat uit een aantal overgelegde lenings- en schenkingsovereenkomsten blijkt dat deze op een veel later moment zijn ondertekend dan de betalingen hebben plaatsgevonden, kan de rechtbank daaruit niet afleiden dat de moeder (nog) een schuld aan haar moeder heeft van € 116.000,-. Voor zover dat nog wel het geval is, blijkt uit de overgelegde stukken dat de moeder formeel geen terugbetalingsverplichting aan haar moeder heeft, hoewel zij dat moreel anders ervaart.
3.24.
De rechtbank is gelet op het hiervoor overwogene van oordeel dat niet kan worden geconcludeerd dat de gestelde lasten niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn.
Beoordeling
Niet is gebleken wat het maakte dat de moeder (ook gelet de door haar gestelde beperkte financiële situatie) genoodzaakt was om procedure op procedure te starten. Daar komt bij dat de moeder met de ontvangen schenkingen zich voor een groot deel van haar schulden had kunnen bevrijden. Daarom zal de rechtbank geen rekening houden met de schulden bij de berekening van haar draagkracht en moet zij die vanuit haar vrije ruimte voldoen. Uit het hierna overwogene blijkt dat de moeder daar ook toe in staat is. Zo is zij kennelijk in staat om op dit moment maandelijks met een bedrag van € 1.473,25 af te lossen. De rechtbank weegt ook mee dat uit het hierna overwogene blijkt dat de moeder een groot deel van haar draagkracht niet hoeft aan te wenden voor de kosten van de kinderen. Zij kan ook het niet benutte deel daarvan benutten voor schulden. Verder merkt de rechtbank op dat uit de aangehechte berekeningen blijkt dat de moeder een – forfaitair berekend – woonbudget heeft dat veel hoger is dan haar hypotheeklast van € 1.085,- bruto per maand, waarbij nog geen rekening is gehouden met het te benutten fiscaal voordeel. Dit maakt dat ook het feitelijk niet benutte deel van het woonbudget kan worden aangewend voor schulden. Daar komt bij dat de moeder een van haar voorgaande advocaten aansprakelijk heeft gesteld. Zij verwacht een bedrag van rond de € 80.000,- te ontvangen, waarmee zij wil aflossen op schulden. Ook merkt de rechtbank op dat uit het hierna overwogene zal blijken dat de vader een groot deel van de door hem ontvangen kinderalimentatie moet terugbetalen aan de moeder.
inkomen vader
3.25.
Voor wat betreft de draagkracht van de vader merkt de rechtbank op dat zijn inkomen van de [internationale organisatie] de berekening gecompliceerd maakt. Dit inkomen is vrijgesteld van inkomstenbelasting, maar de vader is daarvoor wel premieplichtig. Daarbij komt dat het inkomen van de [internationale organisatie] meetelt voor de berekening van de arbeidskorting en de toeslagen. Ook heeft de vader (onbetwist) gesteld dat hij de door hem in 2022 en 2023 ontvangen WIA-uitkering zal moeten terugbetalen. De vader heeft niet door het overleggen van een alimentatieberekening een standpunt ingenomen over hoe het een en ander in zijn draagkrachtberekening moet worden verwerkt.
3.26.
Gelet op het vorenstaande neemt de rechtbank bij het bepalen van draagkracht van de vader het volgende als uitgangspunt. De rechtbank houdt geen rekening met de WIA-uitkering, omdat de vader deze uiteindelijk moet terugbetalen. Hoewel het wegvallen van deze uitkering gevolgen heeft voor de hoogte van de algemene heffingskorting, zal de rechtbank daar niet op vooruitlopen. Ten aanzien van de heffingskortingen zal de rechtbank voor de jaren 2022 en 2023 aansluiten bij de aangiften IB (bijlage 14). Er zal geen (her)berekening worden gemaakt van de verschuldigde sociale premies. Het totaal van het door de vader in Nederland genoten inkomen is namelijk (vrijwel) in ieder jaar hoger dan het maximale (zogenoemde) premie-inkomen. Derhalve hoeven over het inkomen van de [internationale organisatie] geen sociale premies te worden afgedragen. Het terugbetalen van de WIA-uitkering zal mogelijk tot gevolg hebben dat de vader over (een deel van) het inkomen van de [internationale organisatie] de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW zal moeten betalen. In het licht van wat hiervoor over de WIA-uitkering is overwogen, zal de rechtbank voor de jaren 2022 en 2023 daar geen rekening mee houden. Bij de berekening van de draagkracht van de vader in 2024 zal de rechtbank wel een berekening maken van de verschuldigde bijdrage ZVW. Anders dan de vader heeft verzocht, wordt ten aanzien van het inkomen van de [internationale organisatie] geen rekening gehouden met een (vrijwillige) pensioenopbouw. Niet is gebleken dat de vader een deel van zijn inkomen daarvoor reserveert of dat in het verleden heeft gedaan. Ook eerder heeft de rechtbank hier geen rekening mee gehouden, evenmin als het Hof. Tot slot zal bij het inkomen van de vader van [werkgever] rekening worden gehouden met het opgenomen ouderschapsverlof. Het brutoloon wordt daardoor minder, maar daar staat tegenover dat de vader meer ruimte krijgt om te werken voor de [internationale organisatie].
periode 1 april 2022 tot en met 30 november 2022
draagkracht moeder
3.27.
Bij het bepalen van de draagkracht van de moeder rekent de rechtbank net als in de beschikking van het hof van 2022 met een jaarinkomen van € 65.210,-. Uit dit inkomen blijkt een netto besteedbaar inkomen (NBI) en een draagkracht van € 3.656,- en € 1.077,- per maand.
draagkracht vader
3.28.
Bij het bepalen van de draagkracht van de vader kijkt de rechtbank naar de aangifte IB 2022. Daaruit blijkt een inkomen van [werkgever] van € 34.308,-. Verder blijkt dat de vader van het pensioenfonds van [werkgever] een bedrag van € 5.242,- heeft ontvangen. Ook blijkt dat de vader een bedrag van € 32.664,- heeft ontvangen van de [internationale organisatie].
3.29.
Uit de aangehechte berekening blijkt dat als met deze inkomens wordt gerekend, daaruit een NBI en een draagkracht voortvloeit van € 5.296,- en € 1.881,- per maand. De rechtbank heeft zoals uit de aangifte IB 2022 blijkt, rekening gehouden met een totale heffingskorting van € 5.121,-. Voor wat betreft het KGB heeft de rechtbank gerekend met het in 2022 (bijlage 16) op € 1.701,- per jaar berekende bedrag.
verdeling kosten
3.30.
Partijen hebben samen een draagkracht van € 2.958,- per maand. Dit is voldoende om in alle kosten (€ 2.689,-) van de kinderen te voorzien.
Het door de moeder te dragen deel bedraagt:
= € 979,- per maand.
De vader draagt:
= € 1.710,- per maand.
zorgkorting
3.31.
Partijen zijn het eens over een zorgkorting van 25% van de basisbehoefte, oftewel (€ 1.689 x 25% =) € 422,- per maand in 2022. Dit betekent dat de moeder een bijdrage van (€ 979 - € 422 =) € 557,- per maand kan betalen aan de vader.
periode 1 december 2022 tot 31 december 2022
verdeling kosten
3.32.
Vanaf 1 december 2022 is er een wijziging opgetreden in de kosten van kinderopvang, omdat [minderjarige 3] vanaf dat moment naar de BSO gaat. Partijen hebben geen standpunt ingenomen over wat dat betekent voor de basisbehoefte. De rechtbank zal omdat de vader wel kosten voor BSO heeft gemaakt de basisbehoefte toch vermeerderen. Bij gebrek aan gegevens over de netto BSO-kosten in 2022 sluit zij – om praktische redenen – aan bij de netto BSO-kosten in 2023. De totale behoefte komt dan uit op (€ 1.689 + € 452 =) € 2.141,- per maand.
Het door de moeder te dragen deel bedraagt:
= € 780,- per maand.
De vader draagt:
= € 1.361,- per maand.
zorgkorting
3.33.
De moeder moet na toepassing van de zorgkorting een bijdrage van (€ 780 - € 422 =) € 358,- per maand aan de vader betalen.
periode 1 januari 2023 tot 31 december 2023
draagkracht moeder
3.34.
Bij het bepalen van de draagkracht van de moeder sluit de rechtbank in deze periode aan bij haar jaaropgave 2023. Daaruit blijkt een brutoloon van € 90.720,-.
Beoordeling
Uit de aangehechte berekening blijkt dat daaruit een NBI en draagkracht voortvloeien van € 4.716,- en € 1.488,- per maand.
draagkracht vader
3.35.
Aan de zijde van de vader rekent de rechtbank met de inkomensgegevens die blijken uit de aangifte IB 2023. Het brutoloon vanuit [werkgever] bedroeg € 55.102,-. Verder heeft de vader van [verzekeringsmaatschappij] een bedrag ontvangen van € 6.043,- en van het pensioenfonds van [werkgever] € 5.182,-. Tot slot blijkt een inkomen van de [internationale organisatie] van € 66.880,-.
3.36.
Uit de aangehechte berekening blijkt dat als met deze inkomens wordt gerekend, daaruit een NBI en draagkracht voortvloeit van € 9.275,- en € 3.723,- per maand. De rechtbank heeft zoals uit de aangifte IB 2023 blijkt, geen rekening gehouden met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. Voor wat betreft het KGB, rekent de rechtbank met (€ 42 x 12) € 504,- per jaar, zoals volgt uit de proefberekening (bijlage 12) van de vader.
verdeling kosten
3.37.
Partijen hebben samen een draagkracht van € 5.211,- per maand. Dit is voldoende om in alle kosten (€ 2.198,-) van de kinderen te voorzien.
Het door de moeder te dragen deel bedraagt:
= € 628,- per maand.
De vader draagt:
= € 1.570,- per maand.
zorgkorting
3.38.
De moeder moet na toepassing van de zorgkorting van (25% x de basisbehoefte van € 1.746 =) € 437,- per maand een bijdrage van (€ 628 - € 437 =) € 191,- per maand aan de vader betalen.
periode 1 januari 2024 tot 30 juni 2024
draagkracht moeder
3.39.
Bij het bepalen van de draagkracht van de moeder rekent de rechtbank met haar loonstroken van begin 2024 (bijlage 17). Daaruit blijkt een brutoloon van € 7.095,- per maand. Er wordt maandelijks € 1.161,- gespaard voor het IKB-budget. Het bruto jaarloon komt daarmee op € 99.072,-. Daarop strekken in mindering de pensioenpremies van (12 x € 603 =) € 7.236,-. Uit de aangehechte berekening blijkt een NBI en draagkracht van € 4.833,- en € 1.479,- per maand.
draagkracht vader
3.40.
Ook bij het bepalen van de draagkracht van de vader rekent de rechtbank met de loonstroken van begin 2024 (bijlage 10). Daaruit blijkt een brutoloon van € 2.876,- per maand. De rechtbank houdt rekening met het vakantiegeld en het iedere maand met € 62,- opgebouwde persoonlijk budget. De rechtbank houdt geen rekening met de fiscale bijtelling voor het privégebruik van de werkauto. Op het brutoloon strekken in mindering de pensioenpremies van € 504,- per maand. De rechtbank gaat ervan uit dat ook in 2024 van het pensioenfonds van [werkgever] een uitkering is gedaan. Omdat de vader daar geen gegevens van heeft overgelegd, rekent de rechtbank net als in 2023 met een bedrag van € 5.182,-. Voor wat betreft het inkomen van de [internationale organisatie] gaat de rechtbank uit van het gemiddelde van 2022 en 2023, zijnde € 49.772,-. De rechtbank gaat daarmee voorbij aan de stelling van de vader dat het inkomen van de [internationale organisatie] in 2024 tussen de $ 32.000,- en $ 38.000,- zal bedragen. De vader heeft niet (rekenkundig) onderbouwd hoe hij tot die bedragen komt. Daar komt bij dat de inkomens van de [internationale organisatie] in de door hem overgelegde jaaropgaven, niet rijmen met de in de aangifte IB 2022 en 2023 opgegeven inkomens.
3.41.
Uit de aangehechte berekening blijkt een NBI en draagkracht van € 7.214,- en € 2.646,- per maand. De rechtbank heeft de arbeidskorting handmatig berekend, omdat het rekenprogramma er niet op is ingericht om bij het bepalen van die korting rekening te houden met een buitenlands inkomen dat niet in Nederland wordt belast. De rechtbank rekent met een grondslag van (€ 31.969 + € 49.772 =) € 81.741,-. Volgens de formule € 5.532 - 6,510% x (arbeidsinkomen - € 39.957) volgt daaruit een arbeidskorting van € 2.812,-. Daarbij komt de combinatiekorting van € 2.950,- en de algemene heffingskorting (die het rekenprogramma wel berekent) van € 2.544,-. De rechtbank rekent aldus met een totale heffingskorting van € 8.306,-. Voor wat betreft het KGB is de rechtbank uitgegaan van het bedrag dat blijkt uit de proefberekening van de vader van € 599,- per maand, zijnde € 7.188,- per jaar. Tot slot houdt de rechtbank rekening met de verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage ZVW. Die heeft zij berekend als volgt. Het zogenoemde ‘maximum bijdrage-inkomen’ voor de heffing van de bijdrage ZVW bedroeg in 2024 € 71.628,-. Hierop strekt in mindering het belastbaar inkomen van de vader (zoals blijkt uit de aangehechte berekening) van € 37.151,-. Over het deel van (€ 71.628 - € 37.151 =) € 34.477,- moet de vader dan (x 5,32%) € 1.833,- betalen. De rechtbank heeft dit verwerkt onder punt 117a van haar berekening.
verdeling kosten
3.42.
Partijen hebben samen een draagkracht van € 3.922,- per maand. Dit is voldoende om in alle kosten (€ 2.250,-) van de kinderen te voorzien.
Het door de moeder te dragen deel bedraagt:
= € 807,- per maand.
De vader draagt:
= € 1.443,- per maand.
zorgkorting
3.43.
De moeder moet na toepassing van de zorgkorting van (25% x € 1.855 =) € 464,- per maand een bijdrage van (€ 807 - € 464 =) € 343,- per maand aan de vader betalen.
periode vanaf 1 juli 2024
3.44.
De moeder heeft vanaf 1 juli 2024 een substantiële loonsverhoging (10%) gehad in verband met een nieuwe CAO. Uit de meest recente loonstroken van de vader blijkt dat ook hij (een periodieke) loonsverhoging heeft gehad. De rechtbank ziet daarom reden om vanaf 1 juli 2024 een knip te maken voor kinderalimentatie.
draagkracht moeder
3.45.
Uit de loonstrook van de moeder van juli 2024 blijkt een bruto maandloon van € 7.748,-. Verder spaart de moeder maandelijks een bedrag van € 1.278,- voor het IKB-budget. Aldus komt het bruto jaarloon van de moeder op € 108.312,-. Daarop strekken in mindering de pensioenpremies van (12 x € 603 =) € 7.236,-. Als met deze gegevens wordt gerekend, volgt daaruit een NBI en een draagkracht van € 5.172,- en € 1.645,- per maand.
draagkracht vader
3.46.
Uit de loonstrook van de vader van juli 2024 blijkt een brutoloon van € 2.976,-. De fiscale bijtelling voor het privégebruik van de auto van € 680,- neemt de rechtbank niet mee. Op het brutoloon strekken in mindering de pensioenpremies van € 564,-. De rechtbank houdt ook hier rekening met het saldo persoonlijk budget. Uit het verschil tussen het saldo in de loonstroken van juli en augustus 2024 leidt de rechtbank af dat de vader maandelijks € 64,- spaart. De rechtbank rekent voor het overige met dezelfde gegevens als hiervoor genoemd onder 3.40 en 3.41. Uit de aangehechte berekening volgt dan een NBI en draagkracht van € 7.242,- en € 2.659,- per maand.
verdeling kosten
3.47.
Partijen hebben samen een draagkracht van € 4.101,- per maand. Dit is voldoende om in alle kosten (€ 2.250,-) van de kinderen te voorzien.
Het door de moeder te dragen deel bedraagt:
= € 860,- per maand.