Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-07-11
ECLI:NL:RBDHA:2024:13161
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,607 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.24980
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser]
, V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. O.C. Bondam),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. L. Verhaegh).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 17 juni 2024 niet in behandeling genomen omdat Polen verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, P. Cuijpers als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de staatssecretaris een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een
andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.¹ In dit geval heeft Nederland bij Polen een verzoek om terugname gedaan. Polen heeft dit verzoek aanvaard.
Welke lidstaat is verantwoordelijk voor de asielaanvraag?
5. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de asielaanvraag niet op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in Nederland wordt behandeld. Eiser verwijst hiertoe naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 19 december 2023.² De overdracht zou van bijzondere hardheid getuigen, omdat eiser in het verleden in Polen is onderworpen aan mensenrechtenschendingen. Eiser heeft in zijn gehoor aangegeven dat hij slachtoffer is geworden van mensenrechtenschendingen. Hij werd gediscrimineerd op basis van zijn seksuele geaardheid en ras en werd ook ernstig mishandeld. Ter zitting heeft eiser aangevuld dat hij in Polen jarenlang op straat heeft moeten leven, dat hij drie keer is verkracht en dat hij een operatie nodig had, maar dat hij deze niet kon betalen.
6. De rechtbank overweegt als volgt. Ten aanzien van Polen kan de minister in beginsel uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De minister heeft meer specifiek gewezen op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 1 juli 2022³ die gaat over de situatie van LHBTI-ers in Polen. Ook heeft de minister ter zitting gewezen op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 5 juni 2024.⁴ Dit wordt door eiser ook niet betwist.
7. In het bestreden besluit heeft de minister gemotiveerd waarom geen toepassing is gegeven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Gelet op wat eiser heeft verklaard, heeft de minister tot de conclusie kunnen komen dat er geen concrete aanwijzingen zijn dat Polen zijn internationale verplichtingen niet nakomt. De minister heeft in dit kader overwogen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 4 van het Handvest. Hij heeft namelijk geen documenten overgelegd die zijn verklaringen onderbouwen. De rechtbank begrijpt de zwaarte van de gestelde gebeurtenissen waarover eiser verklaart, maar wijst er op dat, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, er vanuit mag worden gegaan dat Polen zijn verdragsverplichtingen nakomt. Mocht eiser problemen ervaren in Polen, dan is het aan hem om daarover bij de Poolse autoriteiten hierover te klagen. Niet is gebleken dat dit voor eiser niet mogelijk is. De uitspraak van zittingsplaats Haarlem waar eiser naar verwijst, betreft geen vergelijkbare zaak. In die zaak wordt door de minister uitgegaan van de gestelde gebeurtenissen in de verantwoordelijke lidstaat. Dat is anders in deze zaak, waar de minister het standpunt in heeft genomen dat de gestelde gebeurtenissen niet aannemelijk zijn bevonden wegens het ontbreken van bewijs. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
1. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
2 ECLI:NL:RBDHA:2023:21350.
3 ECLI:NL:RBDHA:2022:6488.
4 ECLI:NL:RBDHA:2024:9428.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.W.M. Engels, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
11 juli 2024
Documentcode: [documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.