Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-07-22
ECLI:NL:RBDHA:2024:12156
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,816 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.26319
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juli 2024 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. N.D. Schraa),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
(gemachtigde: mr. S. Alberts).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 27 juni 2024 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om voorlopige voorziening, op 16 juli 2024 op zitting behandeld. De gemachtigde van de minister heeft aan de zitting deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht, niet verschenen.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Kroatië een verzoek om overname gedaan. Kroatië heeft dit verzoek aanvaard.
Mag de minister ten opzichte van Kroatië uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
5. Eiser betoogt dat de minister ten opzichte van Kroatië ten onrechte is uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hij verwijst hierbij ter onderbouwing naar de openbare landeninformatie, waaruit blijkt dat er in Kroatië systematische pushbacks plaatsvinden. Deze landeninformatie is tegenstrijdig met de informatie die verkregen is van de Kroatische autoriteiten, waar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 september grotendeels op is gebaseerd. Eiser wijst erop dat dergelijke pushbacks aan de buitengrenzen van Kroatië vragen oproepen over de behandeling van Dublinclaimanten in Kroatië. Hij is zelf ook slachtoffer geworden van pushbacks en een onmenselijke behandeling in Kroatië. De minister heeft de verklaringen van eiser over deze omstandigheden niet voldoende betrokken bij de bestreden besluitvorming. Gelet op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Bosch van 27 maart 2024, heeft de minister ten onrechte de geloofwaardigheid van de verklaring van eiser niet beoordeeld. Eiser verwijst ook naar de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 29 februari 2024, waaruit blijkt dat de minister eerst rekening moet houden met de informatie die door eiser is aangeleverd en daarna pas met de openbare bronnen over de algemene situatie. Uit de voorgenoemde uitspraken kan de conclusie worden getrokken dat het aan de minister is om te onderbouwen dat Dublinclaimanten in Kroatië geen risico lopen om slachtoffer te worden van pushbacks. De minister heeft dit onvoldoende gedaan. Daarnaast heeft de Afdeling in de uitspraak van 13 september alleen geoordeeld over de vraag of Dublinclaimanten het risico lopen op pushbacks. De Afdeling heeft dus niet geoordeeld over de vraag of de slechte behandeling van asielzoekers en het geweld dat wordt gepleegd dusdanig is dat sprake is van een reëel risico op een onmenselijke behandeling na overdracht. Eiser voert aan dat daarvan sprake is en dat artikel 3 van het EVRM aan zijn overdracht in de weg staat.. Hij wijst in dit kader op het Lighthouse Reports artikel van 8 december 2022 waaruit blijkt dat asielzoekers achterin politiebusjes worden opgesloten. De minister stelt zich verder ten onrechte op het standpunt dat er een onafhankelijk monitoringsmechanisme is ingesteld en daarom geen sprake is van onwelwillendheid van de Kroatische autoriteiten. Uit het rapport van Center for Peace Studies van 10 december 2022 blijkt namelijk dat dit toezicht niet effectief is.
5.1.
Dit betoog slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat ten opzichte van Kroatië kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Ter onderbouwing van dit standpunt wordt verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 13 september 2023. Dit is de eerste uitspraak waarin de Afdeling opnieuw oordeelt over de situatie in Kroatië voor Dublinclaimanten sinds de uitspraken van 13 april 2022. De Afdeling heeft de minister toen de opdracht gegeven om nader onderzoek te doen. Bij uitspraak van 13 september 2023 is geoordeeld dat Nederland aan zijn onderzoeksplicht heeft voldaan. Uit de in het kader van dat onderzoek verkregen informatie van de Kroatische autoriteiten volgt naar het oordeel van de Afdeling dat overgedragen Dublinclaimanten niet het risico lopen om door Kroatië te worden uitgezet zonder behandeling van hun asielverzoek of tijdens de behandeling van hun asielverzoek. De Kroatische autoriteiten hebben zich ook bereid verklaard om in voorkomende gevallen individuele garanties af te geven. Op basis van deze bevindingen heeft de Afdeling geoordeeld dat ten aanzien van Kroatië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden uitgegaan. Het is aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval niet zo is. Eiser heeft een beroep gedaan op de uitspraak van 27 maart 2024, van deze rechtbank, zittingsplaats Den Bosch waarin werd gekomen tot een andere bewijslastverdeling op basis van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 29 februari 2023. De rechtbank volgt die motivering niet en leidt uit dit arrest niet af dat er tot een andere bewijslastverdeling wordt gekomen dan eerder werd aangenomen in bijvoorbeeld het arrest Jawo.Uit het arrest van 29 februari 2024 volgt namelijk dat het in de eerste plaats aan de vreemdeling is om aannemelijk te maken dat een andere lidstaat zich niet houdt aan zijn verdragsverplichtingen. Vervolgens is het aan de minister om deze informatie te onderzoeken en te beoordelen. Daarbij dient de minister in een voorkomend geval op eigen initiatief rekening te houden met relevante informatie waarvan hij niet onkundig kan zijn met betrekking tot mogelijke structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor personen die in de verantwoordelijke lidstaat om internationale bescherming verzoeken. Als sprake is van ernstige, op feiten berustende gronden om aan te nemen dat er in het geval van overdracht een reëel risico op dergelijke behandelingen bestaat, moet van die overdracht worden afgezien, tenzij individuele garanties worden gevraagd en verstrekt en deze geloofwaardig en toereikend zijn om elk reëel risico op een onmenselijke of vernederende behandeling uit te sluiten. In het bestreden besluit heeft de minister de verklaringen van eiser over pushbacks en geweld in Kroatië weliswaar niet op geloofwaardigheid beoordeeld, maar de minister heeft toegelicht dat deze verklaringen niet maken dat ten aanzien van Kroatië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Op zitting heeft de minister dit nader toegelicht en gesteld dat deze verklaringen zien op de situatie aan de grens en niet op de situatie van eiser als Dublinterugkeerder. Anders dan eiser stelt heeft de minister de verklaringen van eiser afdoende meegewogen bij de beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Over de behandeling van asielzoekers zoals beschreven in het artikel van Lighthouse Report heeft de minister op zitting terecht opgemerkt dat dit ziet op asielzoekers die zich aan de buitengrens bevinden en de pushbacks die daar plaatsvinden. . Niet aannemelijk is dat eiser als Dublinterugkeerder in een dergelijke situatie terecht zal komen. De Afdeling heeft bovendien in een andere uitspraak van 13 september 2023 geoordeeld dat dit rapport geen aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat Dublinclaimanten niet worden opgenomen in de nationale asielprocedure. Eiser wordt middels een claimakkoord overgedragen, zodat het voor de Kroatische autoriteiten duidelijk is dat eiser een Dublinterugkeerder is. Omdat de rechtbank tot de conclusie komt dat de minister terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de minister de asielaanvraag terecht niet in behandeling heeft genomen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. D. Steenbeek, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Lighthouse Reports, ‘Europe’s Black Sites’, 8 december 2022 en Centre for Peace Studies, ‘Human Rights Violations at Croatian Borders’, 10 december 2022.
ABRvS 13 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3411.
Rb Den Haag, zp. Den Bosch, 27 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:4267.
HvJEU 29 februari 2024, ECLI:C:2024:195.
ABRvS 13 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1042 en ECLI:NL:RVS:2022:1043.
HvJEU 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218.
HvJEU 29 februari 2024, ECLI:EU:C:2024:195, r.o. 72.
ECLI:NL:RVS:2023:3479.
ABRvS 13 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3411 en Beslisnota Tweede Kamer d.d. 21 december 2020 (nr. 4392657).
Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem 9 december 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:21350 en Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam 11 september 2023, NL23.117777 (niet gepubliceerd).
Dat staat in artikel 17 van de Dublinverordening, nader ingevuld in paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
ECLI:NL:RVS:2024:1653, r.o. 2.