Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-06-14
ECLI:NL:RBDHA:2023:8889
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,346 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.10408
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser], eiser
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. J.J.J. Jansen),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. S.J.R.R. Brock).
Procesverloop
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 22 mei 2023 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1979 en de Syrische nationaliteit te hebben. Later heeft hij verklaard ook de Venezolaanse nationaliteit te hebben. Op 23 november 2021 heeft eiser een asielaanvraag ingediend. Hij heeft hieraan ten grondslag gelegd dat hij is bedreigd door bendes in Venezuela en daardoor bij terugkeer vreest voor ontvoering. Daarnaast heeft hij in Venezuela geen inkomen en kan hij daar geen toekomst opbouwen.
2. Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat eiser hem heeft misleid over zijn nationaliteit en een identiteitsdocument heeft vernietigd of zich daarvan heeft ontdaan. Eiser heeft aanvankelijk verklaard alleen de Syrische nationaliteit te hebben terwijl naderhand is gebleken dat hij ook de Venezolaanse nationaliteit bezit. Verweerder heeft geloofwaardig geacht dat een bende in Venezuela dreigementen heeft geuit. De vrees bij terugkeer is echter niet aannemelijk gevonden. Eiser is zelf nooit bedreigd en heeft alleen van zijn zwager gehoord dat zijn naam is genoemd en dat ze allemaal zijn bedreigd. Ten aanzien van de door eiser overgelegde aangifte door de zwager stelt verweerder dat deze aangifte niet op echtheid kan worden gecontroleerd omdat het een kopie is. Ook zijn er video-opnames overgelegd, maar hierop is geen datum vermeld en uit de opnames blijkt niet op wie deze betrekking hebben.
3. Eiser kan zich niet vinden in het bestreden besluit en voert daartoe aan dat hij tot een risicogroep behoort en dat er daarom een individuele beoordeling had moeten worden gemaakt, met name van risico-verhogende aspecten. Hierbij verwijst eiser naar twee uitspraken van de Afdeling van 22 maart 2023.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Uit de twee uitspraken van de Afdeling van 22 maart 2023 volgt dat de algemene veiligheidssituatie in Venezuela wel ernstig is, maar dat dit geen automatisch risico oplevert op ernstige schade voor vreemdelingen bij terugkeer en daardoor sprake is van een schending van artikel 3 van het EVRM. Het is daarom aan eiser om aannemelijk te maken dat hij bij terugkeer wel een risico loopt op een schending van artikel 3 van het EVRM.
5. Eiser heeft dit niet aannemelijk gemaakt . Eiser heeft zijn stellingen niet voldoende onderbouwd. Verweerder heeft terecht geconstateerd dat de door eiser overgelegde video’s geen datum van opname bevatten en daarin geen namen worden genoemd. Uit de video’s is daarom niet af te leiden dat eiser zelf is bedreigd. Daarnaast heeft eiser verklaard dat de bedreigingen telefonisch aan zijn zwager zijn gedaan en heeft hij zelf nooit problemen ondervonden. Dit betekent dat hij nooit persoonlijk is bedreigd. Hieruit volgt dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat hij een risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM bij terugkeer. Dat eiser wel indirect is bedreigd heeft verweerder onvoldoende mogen vinden om de gestelde vrees voor vervolging of een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM bij terugkeer aannemelijk te vinden.
6. De stelling van eiser dat verweerder niet conform de uitspraak van de Afdeling van 22 maart 2023 zijn asielrelaas heeft beoordeeld wordt niet gevolgd. Verweerder heeft aan de hand van het asielrelaas van eiser een individuele beoordeling gemaakt en deze ook gerelateerd aan de beschikbare landeninformatie.
7. Niet in geschil is dat eiser bewust zijn Venezolaanse nationaliteit heeft achtergehouden en zijn Venezolaanse identiteitsdocument heeft vernietigd. De aanvraag is daarom terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr.E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c en d van de Vreemdelingenwet 2000.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2023:1054; ECLI:NL:RVS:2023:1055.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden.
Gelet op artikel 30b, eerste lid, onder c en d, van de Vreemdelingenwet 2000.