Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-08-10
ECLI:NL:RBDHA:2023:22191
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,879 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.12789
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. D.G. Metselaar),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. T. Pourjalili).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft de Syrische en Venezolaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1983. Hij heeft op 18 februari 2022 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 21 april 2023 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 27 juni 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde, [tolk] als tolk in de Arabische taal en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van eisers asielaanvraag als kennelijk ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het asielrelaas
4. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is in 2018 vanuit Venezuela naar Syrië gevlucht omdat zijn zwager in Venezuela is vermoord door een bende en eiser en zijn familie door de bende zijn bedreigd. Eiser is vanuit Syrië naar Nederland gevlucht vanwege de algemene situatie en omdat eiser vreest voor de autoriteiten en terroristen aldaar. Hij heeft zich op 18 februari 2022 bij de Nederlandse autoriteiten gemeld.
Het bestreden besluit
5.1.
Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
Identiteit, nationaliteit en herkomst zijn geloofwaardig geacht en relevante elementen; en
problemen en bedreigingen in Venezuela door de bende [naam 1] .
5.2
Verweerder heeft eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht. De problemen en bedreigingen in Venezuela door de bende [naam 1] acht verweerder ongeloofwaardig. Omdat eiser volgens verweerder hem heeft misleid door omtrent eisers identiteit of nationaliteit valse informatie of documenten te verstrekken of relevante informatie of documenten achter te houden die een negatieve invloed op de beslissing hadden kunnen hebben, heeft verweerder eisers asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
De geloofwaardigheidsbeoordeling
6. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte zijn problemen en bedreigingen in Venezuela door de bende [naam 1] ongeloofwaardig heeft geacht. Daartoe betoogt eiser – samengevat – dat verweerder hem ten onrechte heeft tegengeworpen dat hij vage en tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd.
7.1
De rechtbank overweegt als volgt. Verweerder heeft niet ten onrechte aan eiser tegengeworpen dat van eiser verwacht kan worden dat hij specifieker verklaart over de bende dan hij heeft gedaan. Nu eiser zelf heeft verklaard dat de bedreigingen die hij heeft ontvangen afkomstig waren van de bende, moet hij naar het oordeel van de rechtbank ook kunnen uitleggen hoe hij tot die conclusie is gekomen. Dit geldt ook voor iemand die analfabeet en laag opgeleid is zoals eiser. Eiser heeft dat echter nagelaten. Verweerder heeft ook niet ten onrechte aan eiser tegengeworpen dat uit de verklaring van eiser dat de bende niet echt het probleem is en dat het vooral gaat om de algemene veiligheidssituatie in Venezuela, volgt dat eiser geen problemen heeft met de bende. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de correcties en aanvullingen waarin is toegelicht dat eiser deze vraag niet goed heeft begrepen. Verweerder heeft op de zitting beaamd dat hij abusievelijk niet is ingegaan op eisers correcties en aanvullingen op dit punt, maar verweerder heeft daarbij toegelicht dat hij eiser daar niet in volgt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft hij zich hierbij niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de bedreiging de kern van eisers asielrelaas betreft, zodat niet in te zien valt dat eiser verklaart dat de bende niet het probleem is wegens een verkeerde opvatting van de vraag. Eiser is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet benadeeld door dit motiveringsgebrek. De rechtbank merkt hierbij op dat, anders dan eiser stelt, verweerder niet gehouden is op grond van artikel 17, derde lid, van Richtlijn 2013/32/EU (Procedurerichtlijn) alle correcties en aanvullingen over te nemen die een vreemdeling aandraagt. De bedoeling van de correcties en aanvullingen is om een correcte afspiegeling van het gehoor weer te geven en niet om verklaringen die haaks staan op andere verklaringen, zoals hier het geval is, weg te nemen.
7.2
Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet ten onrechte aan eiser heeft tegengeworpen dat tegenstrijdig is dat eiser heeft verklaard weinig van de veiligheidssituatie in Syrië af te weten, maar hij wel wist dat hij vrijstelling moest regelen voor de dienstplicht. Verweerder vindt het opmerkelijk dat eiser stelt weinig te weten van de situatie in Syrië terwijl eiser stelt dat hij familie in Syrië heeft met wie hij contact heeft. Dat – zoals eiser in de beroepsgronden heeft gesteld – eiser van jongs af aan wist van de dienstplicht, neemt die tegenstrijdigheid niet weg. Daarbij komt dat eisers gemachtigde te kennen heeft gegeven dat eiser wel wist van de burgeroorlog wanneer zij gevraagd is naar de aanleiding voor het aanvragen van vrijstelling. Dit gegeven benadrukt te meer de tegenstrijdigheid met de verklaring dat eiser weinig wist van de situatie in Syrië. De niet nader onderbouwde stelling dat eiser weinig van de situatie in Syrië heeft meegekregen van zijn familie daar volgt de rechtbank niet, nu niet valt in te zien dat hij in contact stond met zijn familie daar en zij – in het licht van de ernst van de situatie in Syrië – volgens eisers verklaringen weinig over de situatie daar aan hem hebben meegegeven. Deze tegenwerpingen maken naar het oordeel van de rechtbank dat verweerder eisers asielrelaas ongeloofwaardig heeft mogen achten. De rechtbank merkt hierbij op dat de omstandigheid dat verweerder twee andere tegenwerpingen heeft laten vallen, bovenstaande tegenwerpingen niet wegneemt. Tot slot merkt de rechtbank op dat eiser op de zitting te kennen heeft gegeven dat “ [naam 1] ” een foutieve vertaling is van “ [naam 2] ” en deze fout gedurende de hele procedure heeft doorgewerkt. Hoewel de rechtbank dit niet onaannemelijk acht, doet eisers stelling geenszins af aan vorenstaande tegenwerpingen. De beroepsgrond slaagt niet.
De veiligheids- en humanitaire situatie in Venezuela
8. Eiser voert aan dat in de deelstaat Apure in Venezuela, vanwege het geweld dat wordt veroorzaakt door meerdere guerrillagroeperingen, sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Ter onderbouwing van zijn betoog heeft eiser (in de bestuurlijke fase en) in beroep landeninformatie van VluchtelingenWerk Nederland overgelegd waaruit dat zou moeten blijken. Op de zitting heeft eiser er nog op gewezen dat uit een conclusie van de advocaat-generaal van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 juni 2023 blijkt dat hij van oordeel is dat – naast landeninformatie – individuele omstandigheden van een vreemdeling een rol moeten spelen bij een glijdende-schaal-beoordeling van de vraag of in een land of een gebied sprake is van een “15-c-situatie”. Hoe meer het bewijs wordt geleverd dat eiser specifiek wordt geraakt om redenen die te maken hebben met zijn persoonlijke omstandigheden, hoe lager de mate van willekeurig geweld zal zijn die vereist is om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming. In dit verband betoogt eiser dat hij niemand heeft in Venezuela.
9. De rechtbank overweegt allereerst dat uit het beleid van verweerder en recente jurisprudentie van de Afdeling volgt dat ten aanzien van Venezuela geen sprake is van een zogeheten “15-c-situatie”. Hoewel uit de informatie die eiser heeft overgelegd volgt dat de veiligheidssituatie in Venezuela zorgelijk is en de situatie in de deelstaat Apure zorgelijker is dan de rest van het land, leidt die informatie niet tot het oordeel van de rechtbank dat in Venezuela, of in het bijzonder de deelstaat Apure, sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Die informatie geeft naar het oordeel van de rechtbank geen wezenlijk ander beeld van de situatie in Venezuela dan de informatie die al door de Afdeling is beoordeeld.
Conclusie
12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt.
13. Omdat er een motiveringsgebrek aan het bestreden besluit kleeft veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.674,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.
Dictum
De rechtbank:
-verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.674,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Moussaoui, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A. Faulborn, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000.
Richtlijn 2011/95/EU.
ECLI:EU:C:2023:469.
Zie paragraaf C7/36 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitspraak van 22 maart 2023 ECLI:NL:RVS:2023:1054. Zie ook de uitspraak van 9 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1774.
Zie p. 6-7 van het rapport Aanmeldgehoor en p. 10-11 van het rapport Nader gehoor.
Zie p. 10-11 van het rapport Nader gehoor.