Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-04-17
ECLI:NL:RBDHA:2023:5747
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,356 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.8304
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[Naam], eiseres
v-nummer: [Nummer]
(gemachtigde: mr. R.S. Sewdajal),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. I. Vugs).
Procesverloop
Bij besluit van 17 maart 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling genomen, omdat Roemenië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL23.8305, op 12 april 2023 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen A.A. Fawzy. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiseres stelt te zijn geboren op [Geboortedatum] en de Syrische nationaliteit te bezitten. Zij heeft op 19 september 2022 een asielaanvraag in Nederland ingediend.
2. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw. Eiseres heeft tijdens het aanmeldgehoor verklaard dat aan haar een verblijfstitel, een afgeleide status, door de Roemeense autoriteiten is verleend. Verweerder heeft daarom de autoriteiten van Roemenië verzocht om eiseres over te nemen op grond van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening. De Roemeense autoriteiten hebben dit verzoek geaccepteerd.
3. Eiseres voert in beroep aan dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met haar bijzondere en persoonlijke omstandigheden. Zo is zij slachtoffer geweest van huiselijk geweld in Roemenië. Zij moest onder dwang van haar ex-man binnen blijven, mocht de Roemeense taal niet leren en mocht geen contact hebben met andere mensen. Ook heeft zij haar zoon moeten achterlaten in Roemenië. Eiseres vreest bij terugkeer wederom voor problemen met haar ex-man. De Roemeense autoriteiten kunnen haar hier niet tegen beschermen. Zij verwijst hiervoor naar een rapport van UN Working Group. Ter zitting wijst eiseres ter zitting nog op diverse uitspraken waaruit zou blijken dat verweerder eerst moet onderzoeken of de Roemeense autoriteiten daadwerkelijk bescherming kunnen bieden. Daarnaast wonen de oom en tante van eiseres in Nederland, waarbij zij wil verblijven. Verweerder had gelet op deze omstandigheden haar asielaanvraag in behandeling moeten nemen op grond van artikel 17 van de Dublinverordening.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Niet in geschil is dat Roemenië in beginsel verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van eiseres. Verweerder kan voorts nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaan ten aanzien van Roemenië. Dit is ook door de Afdeling recentelijk nog beoordeeld. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat hier niet langer vanuit kan worden gegaan. Nu eiseres hiertegen geen inhoudelijke beroepsgronden heeft ingediend, is zij hier niet in geslaagd.
5. Verder heeft verweerder terecht geen aanleiding gezien om gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid op grond van artikel 17 van de Dublinverordening om de behandeling van de asielaanvraag van eiseres aan zich te trekken. Dat eiseres, zoals zij heeft gesteld, slachtoffer is geworden van huiselijk geweld met alle gevolgen van dien is geen omstandigheid die maakt dat de overdracht aan Roemenië van onevenredige hardheid zou getuigen. Verweerder heeft hiervoor kunnen meewegen dat niet is gebleken dat eiseres bescherming heeft gezocht bij de Roemeense autoriteiten. Het beroep op het rapport van UN Working Group slaagt evenmin. Uit dit rapport volgt weliswaar dat de Roemeense autoriteiten meer moeten doen om gelijkheid voor vrouwen te waarborgen, maar hieruit volgt evenmin dat zij geen bescherming kunnen of willen bieden aan eiseres. Met het claimakkoord hebben de Roemeense autoriteiten immers gegarandeerd eiseresses verzoek om internationale bescherming in behandeling te nemen. Om deze reden slaagt het beroep van eiseres op de ter zitting genoemde uitspraken niet. Verder heeft eiseres de familieband met haar gestelde oom en tante niet nader onderbouwd, waardoor niet is gebleken van een afhankelijkheidsrelatie met hen zoals is bedoeld in artikel 16 van de Dublinverordening.
6. Het beroep is daarom ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. S.C. Spruijt, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Vreemdelingenwet 2000.
Verordening (EU) nr. 604/2013.
ECLI:NL:RBDHA:2018:10077, ECLI:NL:RVS:2022:2521 en ECLI:NL:RBDHA:2022:14427.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2023:110.