Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-06-12
ECLI:NL:RBDHA:2023:8623
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Bodemzaak
1,435 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.11904
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juni 2023 in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. M.J.A. Rinkes),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van 18 april 2023 (het bestreden besluit), waarin de staatsecretaris de asielaanvraag van eiser van 9 december 2022 niet in behandeling heeft genomen, omdat Roemenië verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt of de staatssecretaris de aanvraag van eiser niet in behandeling had mogen nemen. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de zogenaamde beroepsgronden.
3. Het beroep is ongegrond. De staatssecretaris mag voor Roemenië uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de staatssecretaris een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Roemenië een verzoek om terugname gedaan. Roemenië heeft dit verzoek aanvaard.
Mag de staatssecretaris voor Roemenië uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
5. Eiser betoogt dat de staatsecretaris voor Roemenië niet mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hij stelt dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd en daarom niet voldoet aan de eisen die volgen uit de rechtspraak. Eiser wijst er in de eerste plaats op dat de rechtspraak impliceert dat voor Roemenië in het geval van Dublinclaimanten niet zonder meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan en mag worden uitgegaan. Daarnaast stelt eiser dat er een kennelijk verschil is in het beschermingsbeleid ten aanzien van Syriërs tussen Roemenië en Nederland.
5.1.
Dit betoog slaagt niet. Eiser stelt weliswaar dat het besluit onvoldoende is gemotiveerd, maar legt niet uit aan welke eisen de staatssecretaris in het bestreden besluit niet heeft voldaan en op welk(e) punt(en) het besluit volgens hem niet voldoende is gemotiveerd. De staatssecretaris is in het bestreden besluit ingegaan op de door eiser in de zienswijze genoemde algemene informatie ten aanzien van Roemenië. Eiser heeft in beroep niet concreet aangevoerd of onderbouwd waarom die motivering niet voldoende is, maar in het algemeen slechts verwezen naar de in de zienswijze overlegde informatie. Dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) in de door eiser genoemde uitspraak van 7 maart 2023 heeft geoordeeld dat de staatssecretaris bij statushouders nog mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, betekent niet dat dat voor asielzoekers niet meer zo is. De staatssecretaris heeft namelijk terecht verwezen naar recente uitspraken van de Afdeling, waaruit blijkt dat de staatssecretaris ten aanzien van Roemenië in het algemeen, dus ook bij asielzoekers, nog kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is niet gebleken dat de Afdeling hier anders over is gaan denken. Eiser onderbouwt tot slot niet waar het volgens hem kennelijke verschil in het beschermingsbeleid uit bestaat.
Conclusie
6. De staatssecretaris heeft de aanvraag terecht buiten behandeling gesteld.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de staatssecretaris de asielaanvraag van eiser niet in behandeling hoeft te nemen en eiser mag overdragen aan Roemenië. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, rechter, in aanwezigheid van mr. D. Steenbeek, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht maakt dat mogelijk.
Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Eiser wijst op ABRvS 26 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1654, r.o. 4.1-4.1.3.
Eiser wijst op ABRvS 7 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:902.
ABRvS 31 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2521, ABRvS 9 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3671, 12 januari 2023, ECLI:NL:2023:110.