Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-11-24
ECLI:NL:RBDHA:2023:18406
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,966 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.31015
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], V-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. E.S. van Aken),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. N. Hamzaoui).
Procesverloop
Bij besluit van 29 september 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Oostenrijk daarvoor verantwoordelijk is.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 15 november 2023 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Als tolk is verschenen A. Sareen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Pakistaanse nationaliteit te hebben. Hij heeft op 29 mei 2023 asiel aangevraagd in Nederland.
2. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw. Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 23 juni 2021 een asielaanvraag heeft ingediend in Oostenrijk. Verweerder heeft daarom de autoriteiten van Oostenrijk verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid en onder d, van de Dublinverordening. De Oostenrijkse autoriteiten hebben dit verzoek geaccepteerd.
3. Eiser voert daartegen het volgende aan. Eiser behoort tot de Ahmadi en kan daarom niet terugkeren naar Pakistan. Oostenrijk voert een ander beschermingsbeleid dan Nederland ten aanzien van Ahmadi. De Oostenrijkse autoriteiten hebben een eerdere asielaanvraag van eiser afgewezen en wilden hem uitzetten naar Pakistan. Eiser vreest daarom voor indirect refoulement bij overdracht aan Oostenrijk. Eiser heeft in dit kader een uitspraak van het Oostenrijkse Verwaltungsgerichthof overgelegd. Het ligt in de rede dat Nederland nader onderzoek doet naar de opvang- en beschermingsmogelijkheden voor eiser in Oostenrijk en nagaat of er daadwerkelijk een garantie bestaat dat Oostenrijk de asielaanvraag van eiser inhoudelijk gaan behandelen. Eerder heeft eiser geen goed kenbare procedure gehad in Oostenrijk. Verder heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom geen toepassing is gegeven aan artikel 17 van de Dublinverordening.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Niet in geschil is dat Oostenrijk in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. In beginsel mag verweerder ten aanzien van Oostenrijk voorts uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
5. Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat de bewijslast om een reëel risico op indirect refoulement aannemelijk te maken bij eiser ligt. Om aan de bewijslast te voldoen moet hij in de eerste plaats algemene informatie overleggen waaruit voldoende concrete aanknopingspunten volgen dat het beschermingsbeleid in de verantwoordelijke lidstaat evident en fundamenteel verschilt van het beleid dat door de Nederlandse autoriteiten wordt gevoerd. Dat evidente en fundamentele verschil moet erin gelegen zijn dat op voorhand duidelijk is - dus zonder een inhoudelijke beoordeling van de asielaanvraag - dat eiser in de verantwoordelijke lidstaat op grond van het algemene beschermingsbeleid geen internationale bescherming krijgt, terwijl hij dat in Nederland in beginsel wel krijgt. Daarnaast moet eiser concrete aanknopingspunten naar voren brengen die erop wijzen dat niet alleen het bestuursorgaan maar ook de rechter in de verantwoordelijke lidstaat hem niet zal beschermen tegen refoulement.
6. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat hij door een verschil in beschermingsbeleid tussen Oostenrijk en Nederland een reëel risico loopt op indirect refoulement bij overdracht aan Oostenrijk. Eiser heeft geen gegevens overgelegd waaruit zonder inhoudelijke beoordeling van de asielaanvraag volgt dat Oostenrijk een fundamenteel ander beschermingsbeleid dan Nederland voert ten aanzien van Ahmadi’s en dat hij als gevolg daarvan bij terugkeer naar Oostenrijk het risico loopt op refoulement omdat hij wordt uitgezet naar Pakistan. In het Nederlandse landenbeleid zijn Ahmadi’s uit Pakistan weliswaar als risicogroep aangemerkt, maar daarbij geldt nog steeds dat het reële risico op ernstige schade bij terugkeer individueel wordt beoordeeld. Het enkel behoren tot de Ahmadi’s leidt in Nederland nog niet tot inwilliging van een asielaanvraag. Verweerder stelt zich dan ook terecht op het standpunt dat niet op voorhand vast staat dat aan eiser in Nederland wel internationale bescherming verleend zal worden, terwijl Oostenrijk dat niet doet. Voor zover uit de door eiser overgelegde uitspraak van het Oostenrijkse Verwaltungsgerichthof blijkt dat eisers asielaanvraag is afgewezen en het beroep van eiser is verworpen wegens het ontbreken van rechtsvragen die grondwettelijke betekenis hebben, leidt dit niet tot de conclusie dat eiser een reëel risico op indirect refoulement aannemelijk heeft gemaakt. Verweerder mag ervan uitgaan dat de Oostenrijkse autoriteiten het reëel risico op indirect refoulement beoordelen in overeenstemming met de eisen van het EVRM, het Vluchtelingenverdrag en het Handvest.
7. Daarnaast heeft Oostenrijk met het claimakkoord gegarandeerd de asielaanvraag van eiser in behandeling te nemen met inachtneming van de Europese asiel- en opvangrichtlijnen. Voor zover eiser meent dat Oostenrijk in strijd handelt met deze richtlijnen, kan hij daarover te klagen bij de (hogere) Oostenrijkse autoriteiten. Eiser heeft niet onderbouwd dat dit voor hem niet mogelijk zou zijn of dat de Oostenrijkse autoriteiten hem niet kunnen of willen helpen.
8. Tot slot heeft verweerder voldoende gemotiveerd waarom geen gebruik wordt gemaakt van de discretionaire bevoegdheid van artikel 17 van de Dublinverordening. Er is geen sprake van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van eiser aan Oostenrijk van onevenredige hardheid getuigt.
9. Het beroep is ongegrond.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Vreemdelingenwet 2000.
Verordening (EU) nr. 604/2013.
Uitspraak van 6 juli 2022 van de Afdeling, ECLI:NL:RVS:2022:1864.
Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2576.