Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2022-11-22
ECLI:NL:RBDHA:2022:12644
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,523 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.21830
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[Naam], eiser
V-nummer: [Nummer]
(gemachtigde: mr. M.C.M. van der Mark),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. I. Vugs).
Procesverloop
Bij besluit van 25 oktober 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL22.21830, op 18 november 2022 op zitting behandeld in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Kurdi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser is geboren op [Geboortedatum] en heeft de Syrische nationaliteit. Op 22 april 2022 heeft eiser een asielaanvraag ingediend in Nederland.
2. Verweerder heeft deze asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Oostenrijk volgens hem verantwoordelijk is voor de behandeling ervan. De Nederlandse autoriteiten hebben Oostenrijk op 21 juni 2022 verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening. De Oostenrijkse autoriteiten zijn op 27 juni 2022 akkoord gegaan met de terugname van eiser op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening.
3. Eiser voert aan dat ten aanzien van Oostenrijk niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan en dat overdracht aan Oostenrijk leidt tot een reëel risico op indirect refoulement. Tussen Oostenrijk en Nederland is sprake van een evident en fundamenteel verschil in beschermingsbeleid voor Syrische vluchtelingen. Eisers asielaanvraag in Oostenrijk is afgewezen, terwijl hij in Nederland op grond van het Nederlandse beleid in het bezit zou zijn gesteld van een asielvergunning. Ter onderbouwing heeft eiser het besluit van de Oostenrijkse autoriteiten waarin zijn asielaanvraag wordt afgewezen overgelegd. Verder verwijst eiser naar het WBV 2022/24 van 4 november 2022, het Algemeen Ambtsbericht Syrië van mei 2022 en de kamerbrief van 3 oktober 2022 over het landenbeleid Syrië. Het is aan verweerder om nader onderzoek te doen naar de stand van zaken in de asielprocedure in Oostenrijk, nu Oostenrijk het terugnameverzoek geaccepteerd heeft op de grond dat de aanvraag in behandeling is, terwijl uit de overgelegde stukken blijkt dat de asielaanvraag is afgewezen.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag verweerder in het algemeen ervan uitgaan dat Oostenrijk zijn internationale verplichtingen nakomt. Het ligt daarom op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat Oostenrijk die verplichtingen in zijn geval niet zal nakomen. Gelet op het Jawo-arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ligt de lat hiervoor hoog.
5. De rechtbank is verder met verweerder van oordeel dat eiser er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat hij door een verschil in beschermingsbeleid een reëel risico loopt op indirect refoulement bij overdracht aan Oostenrijk. De bewijslast om een reëel risico op indirect refoulement aannemelijk te maken ligt bij de vreemdeling. Eiser heeft geen gegevens verschaft of stukken overgelegd waaruit zonder inhoudelijke beoordeling van de asielaanvraag volgt dat Oostenrijk een fundamenteel ander beschermingsbeleid dan Nederland voert voor Syriërs. Verder heeft eiser geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht die erop wijzen dat niet alleen het bestuursorgaan maar ook de rechter in de verantwoordelijke lidstaat hem niet zal beschermen tegen refoulement. Daarbij komt dat eiser ter zitting heeft verklaard dat hij in Oostenrijk beroep heeft ingesteld tegen de afwijzende beschikking aldaar, maar dat hij dit beroep niet heeft afgewacht en zelfstandig naar Nederland is vertrokken.
6. Verweerder heeft verder terecht geconcludeerd dat het enkele gegeven dat Oostenrijk een claimakkoord heeft afgegeven op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening, terwijl eisers asielaanvraag is afgewezen er niet op duidt dat ten aanzien van Oostenrijk niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Oostenrijkse autoriteiten hebben door met de terugname van eiser in te stemmen, gegarandeerd dat zij een asielverzoek van eiser in behandeling zullen nemen en daarbij de Europese richtlijnen, waaronder de Terugkeerrichtlijn en de Opvangrichtlijn, in acht nemen. Dat betekent onder andere dat de Oostenrijkse autoriteiten eiser niet zullen uitzetten als dit strijdig blijkt met het verbod op (indirect) refoulement.
7. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. N.M.L. van der Kammen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Verordening (EU) nr. 604/2013.
Staatscourant 2022, 29838.
Met als kenmerk: 4068490.
Van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218.
Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1862 en 5 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2576.
Richtlijn 2008/115/EG.
Richtlijn 2013/33/EU.