Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-10-30
ECLI:NL:RBDHA:2023:16567
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
936 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.22539
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. Ö. Saraç),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda).
Procesverloop
Bij besluit van 7 augustus 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Kroatië daarvoor verantwoordelijk is.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 26 oktober 2023 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaand telefonisch bericht niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 2001 en de Turkse nationaliteit te hebben. Hij heeft asiel aangevraagd in Nederland. Uit het Eurodac-systeem is gebleken dat eiser eerder asiel heeft aangevraagd in Kroatië.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder eisers asielaanvraag niet in behandeling genomen omdat Kroatië daarvoor verantwoordelijk is.
3. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert aan dat Dublinclaimanten in Kroatië niet adequaat worden behandeld aangezien zij, soms gewelddadig, over de grens worden gezet zonder in de gelegenheid te zijn gesteld om de asielprocedure te doorlopen (pushbacks). Hierbij beroept eiser zich op het AIDA-rapport uit 2022, een brief van Vluchtelingenwerk Nederland aan de Tweede Kamer van 23 februari 2023 en de uitspraak van de rechtbank van 6 juni 2023.
4. Los van de vraag of het beroepschrift wel een reactie op het bestreden besluit bevat, is er inmiddels een uitspraak gedaan door de Afdeling. Daarin is geoordeeld dat ten aanzien van Kroatië kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat er geen risico’s zijn op pushbacks. Eiser heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat hij in een situatie terecht zou komen die in strijd is met artikel 4 van het Handvest (het verbod van onmenselijke behandeling).
5. Het beroep is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2023 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en wordt geanonimiseerd gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.
Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Zoals bedoeld in de Verordening (EU) 604/2014 (Dublinverordening).
AIDA, ‘Country Report: Croatia. 2022 Update’, 31 december 2022.
Brief VluchtelingenWerk Nederland – Commissiedebat vreemdelingen- en asielbeleid 23 februari 2023 (kenmerk O.2.2.23-002.MK).
Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, ECLI:NL:RBDHA:2023:8123.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2023:3411.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.