Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-09-29
ECLI:NL:RBDHA:2023:14924
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,151 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: NL23.28452 en NL23.28454
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[naam], eiseres,
V-nummer: [nummer], en
[naam]
, eiser,
V-nummer: [nummer],
gezamenlijk te noemen: eisers,
(gemachtigde: mr. S. Igdeli),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. C.H.H.P.M. Kelderman).
Procesverloop
Bij twee afzonderlijke besluiten van 7 september 2023 heeft verweerder aan eisers de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd (de bestreden besluiten).
Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Deze beroepen moeten tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 12 september 2023 de maatregel van bewaring van eiser opgeheven. Op 13 september 2023 heeft hij ook de maatregel van bewaring van eiseres opgeheven.
Eisers hebben op 14 september 2023 de gronden van beroep ingediend.
Verweerder heeft in de zaak van eiseres op 18 september 2023 een verweerschrift ingediend.
De rechtbank doet met instemming van partijen op grond van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] en heeft de Malinese nationaliteit. Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Poolse nationaliteit. Eiseres is de moeder van eiser.
2. Eiseres heeft op 9 februari 2023, mede namens eiser, in Nederland een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag niet in behandeling genomen omdat Polen hiervoor verantwoordelijk is. Het tegen dit besluit ingediende beroep is door deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, ongegrond verklaard. Eisers hebben tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). Eisers hebben tevens verzocht om een voorlopige voorziening. Dit verzoek is bij uitspraak van 12 september 2023 toegewezen. Verweerder heeft vervolgens de bewaring van eisers opgeheven.
3. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eisers schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregelen van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eisers een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Het beroep van eiser (NL23.28454)
4. Eiser voert aan dat verweerder de maatregel ten onrechte heeft gebaseerd op artikel 59a van de Vw. Eiser heeft immers de Poolse nationaliteit. Deze beroepsgrond slaagt. De grondslag van artikel 59a van de Vw beperkt zich tot de inbewaringstelling van vreemdelingen op wie de Dublinverordening van toepassing is. Nu tussen partijen niet in geschil is dat eiser de Poolse nationaliteit heeft, en hij derhalve EU burger is, valt hij niet onder de reikwijdte van de Dublinverordening. De maatregel van bewaring is daarom van aanvang af onrechtmatig. Het beroep van eiser is gegrond. De overige beroepsgronden van eiser behoeven daarom geen bespreking meer.
Het beroep van eiseres (NL23.28452)
De grondslag van de maatregel
5. De rechtbank overweegt ambtshalve als volgt. Op grond van artikel 1 van de Vw wordt onder ‘gemeenschapsonderdaan’ tevens verstaan familieleden van onderdanen van de lidstaten van de Europese Unie, ook als ze de nationaliteit van een derde staat bezitten. Eiseres is dan ook gemeenschapsonderdaan in de zin van de Vw. De rechtbank ziet zich daarom allereerst voor de vraag gesteld of verweerder de maatregel van eiseres op artikel 59a van de Vw heeft mogen baseren.
6. Voor de vraag of artikel 59a van de Vw als grondslag voor de bewaring kan dienen is uitsluitend van belang of op de vreemdeling de Dublinverordening van toepassing is. Het enkele feit dat een vreemdeling rechtmatig verblijft heeft als gemeenschapsonderdaan, betekent nog niet dat de Dublinverordening niet op haar van toepassing is. Eiseres is onderdaan van een derde land. Verder is niet in geschil dat Nederland ten aanzien van eiseres een overnameverzoek heeft ingediend op grond van de Dublinverordening. Polen heeft dat verzoek ook geaccepteerd. Hieruit volgt dat er een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening. Verweerder heeft daarom artikel 59a van de Vw aan de maatregel ten grondslag kunnen leggen.
De gronden van de maatregel
7. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat deze nodig was, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiseres:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van haar asielverzoek.
Als lichte gronden heeft verweerder vermeld dat eiseres:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hen geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
8. Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte een significant risico heeft aangenomen dat zij zich aan het toezicht zal onttrekken. Eiseres betwist elk van de zware en lichte gronden die aan de maatregelen ten grondslag zijn gelegd.
9. Ten aanzien van de zware gronden 3a en 3b stelt eiseres dat zij op 27 januari 2023 met een door Polen afgegeven Schengenvisum Nederland is ingereisd. Dit visum was geldig tot 2 maart 2023. Om die reden hoefde zij zich ook niet onverwijld te melden bij de Nederlandse autoriteiten. De rechtbank stelt echter vast dat eiseres op 9 februari 2023 asiel heeft aangevraagd. Met deze asielwens gaf eiseres te kennen dat zij een langer verblijf beoogde dan de periode waar het aan haar verstrekte visum voorzag. Dit betekent dat zij Nederland niet op de juiste wijze is binnengekomen. Verder heeft eiseres niet bestreden dat zij zich pas zeven dagen na binnenkomst in Nederland bij de autoriteiten heeft gemeld. Ten aanzien van de zware grond 3k voert eiseres aan dat zij sinds haar asielaanvraag op een AZC heeft verbleven en nooit voornemens is geweest zich aan het toezicht te onttrekken. De rechtbank is echter van oordeel dat verweerder er terecht op heeft gewezen dat eiseres verschillende keren heeft verklaard dat zij niet naar Polen terug wil keren. Verweerder heeft daaruit kunnen afleiden dat eiseres geen medewerking wil verlenen aan de voorgenomen overdracht aan Polen. De rechtbank concludeert dan ook dat de zware gronden die verweerder aan de maatregel ten grondslag heeft gelegd, feitelijk juist zijn, Deze kunnen de maatregel dragen. Daaruit volgt dat verweerder terecht een significant risico heeft aangenomen dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken. Wat eiseres tegen de lichte gronden heeft aangevoerd, behoeft daarom geen bespreking.
Medische situatie en lichter middel
10. Eiseres voert voorts aan dat verweerder ten onrechte niet heeft afgezien van de maatregel van bewaring gelet op haar medische situatie. Deze situatie is na de plaatsing van eiseres in het detentiecentrum in Zeist snel achteruit gegaan, wat heeft geresulteerd in een poging van eiseres om zichzelf iets aan te doen. Daarom is eiseres op grond van een rechterlijke machtiging overgeplaatst naar het Centrum voor Transculturele Psychiatrie Veldzicht. Haar zoontje (eiser) is onder de voogdij van Nidos geplaatst.
11. Uit de maatregel van bewaring blijkt dat verweerder de medische situatie van eiseres heeft betrokken bij zijn afweging om al dan niet een lichter middel toe te passen. Verweerder heeft in dat verband overwogen dat ook voor mensen met psychische klachten medische zorg beschikbaar is in het detentiecentrum. Ook heeft verweerder overwogen dat er op het moment van het opleggen van de maatregel geen concrete aanleiding was om te oordelen dat eiseres detentieongeschikt was. Uit het feit dat zich na plaatsing in het detentiecentrum een incident heeft voorgedaan, kan de rechtbank niet zonder meer afleiden dat in de maatregel onvoldoende rekening is gehouden met de medische situatie van eiseres, of dat met een lichter middel moest worden volstaan. Eiseres heeft niet onderbouwd aangevoerd dat dit wel het geval was. Deze grond slaagt niet.
12. Desondanks concludeert de rechtbank dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom ten aanzien van eiseres een lichter middel dan bewaring niet doeltreffend kon worden toegepast.
Conclusie
16. De beroepen zijn gegrond. De rechtbank ziet gronden aanwezig om schadevergoeding toe te kennen voor de onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel aan eisers, uitgaande van een bedrag van € 100 per dag voor het verblijf in een detentiecentrum. Voor eiser bedraagt dit (6 dagen x € 100 =) € 600 en voor eiseres (7 dagen x € 100 =) € 700. De aan eisers toe te kennen schadevergoeding bedraagt derhalve in totaal € 1.300.
17. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 837, bestaande uit een punt voor het indienen van beide beroepschriften met samenhang zoals bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Bpb, met een waarde per punt van € 837 en een wegingsfactor 1.
Dictum
De rechtbank:
verklaart de beroepen gegrond;
veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eisers tot een bedrag van € 1.300 (dertienhonderd euro), te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 837 (achthonderdzevenendertig euro).
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Anker, rechter, in aanwezigheid van mr. S.S. van der Velde, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Uitspraak van 6 september 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:8514.
ECLI:NL:RVS:2023:3486.
Verordening (EU) nr. 604/2013.
Uitspraak van 6 mei 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:4784.
ECLI:NL:RBROT:2023:8514, onder 2.
Artikel 5.1a, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Vb.
Zie artikel 5.1a, vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb).
Op grond van artikel 5.1b, tweede en derde lid, van het Vb.
Op grond van artikel 5.1b, tweede en vierde lid, van het Vb.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 15 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1601.
Vreemdelingencirculaire 2000.
Uitspraak van de Afdeling van 12 september 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1205.
Zie ook recent de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, die oordeelt dat uit het enkele gegeven dat er gronden zijn om de moeder in bewaring te stellen in ieder geval niet volgt dat haar kinderen automatisch kunnen volgen, simpelweg omdat zij afhankelijk zijn. Uitspraak van 8 september 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:13572.