Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-11-11
ECLI:NL:RBDHA:2025:21212
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,654 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.52654
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
geboren op [geboortedatum],
van Amerikaanse nationaliteit,
V-nummer: [v-nummer:],
(gemachtigde: mr. E.J.L. van de Glind),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. P. Zijlstra).
Inleiding
1. De minister heeft op 23 oktober 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De minister heeft op 5 november 2025 de maatregel van bewaring opgeheven, omdat eiser is overgedragen aan Spanje.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 7 november 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen. De minister heeft zich op de rechtbank In Groningen laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
(zware gronden)
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
(lichte gronden)
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3.1.
De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister gemotiveerd waarom een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
Vertrouwensbeginsel
4. Eiser stelt, onder verwijzing naar rechtsoverweging 4 van de uitspraak van de voorzieningenrechter in Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, dat hij hieruit heeft kunnen afleiden dat uit de motivering van de minister volgt dat hij niet gedwongen zou worden overgedragen voordat zijn beroep tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag is behandeld. Hieruit zou volgens eiser volgen dat hem niet tegengeworpen kan worden dat hij niet meewerkt aan zijn vertrek, nu hem is toegezegd dat, indien hij niet meewerkt aan het geplande gefaciliteerde vertrek, hij niet alsnog gedwongen zal worden overgedragen aan Spanje.
4.1.
Voor zover eiser een beroep doet op het vertrouwensbeginsel, overweegt de rechtbank dat dit beroep niet opgaat. Aan de toelichting die blijkens deze uitspraak door de minister is gegeven, mocht eiser niet het vertrouwen ontlenen dat hij gedurende zijn Dublinprocedure niet gedwongen zou worden overgedragen. De toelichting van de minister ziet namelijk uitsluitend op het geplande gefaciliteerde vertrek van 16 oktober 2025, waarbij de minister heeft aangegeven dat eiser ten aanzien van deze geplande overdracht niet alsnog gedwongen kan worden overgedragen en dat hij zelf in de hand heeft of zijn overdracht daadwerkelijk op 16 oktober zal plaatsvinden. Hieruit kan echter niet worden afgeleid dat de minister heeft toegezegd dat eiser niet hoeft mee te werken aan zijn vertrek en dat een nieuwe overdracht na inbewaringstelling niet gedwongen zal plaatsvinden.
Binnentreden
5. Voor zover eiser stelt dat het binnentreden om 07:00 uur geen schappelijke tijd betreft, verwijst de rechtbank naar artikel 7 van de AWBI en overweegt dat geen sprake is van schending van enig wetsartikel. De rechtbank ziet daarnaast niet in waarom deze tijd niet als schappelijk zou moeten worden beschouwd en acht dit geen reden om aan eiser een lichter middel op te leggen.
Grondslag
6. De rechtbank is van oordeel dat eiser valt onder de in artikel 59a van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. Er bestaat een concreet aanknopingspunt voor een overdracht zoals bedoeld in de Dublinverordening. Op 19 september 2025 een overdrachtsbesluit is genomen, en op 5 november 2025 is de overdracht van eiser gerealiseerd.
Gronden
7. De rechtbank is van oordeel dat de zware en lichte gronden 3a, 3k, 4c en 4d aan de maatregel ten grondslag kunnen worden gelegd en dat deze, in samenhang gezien, voldoende zijn om de maatregel van bewaring te kunnen dragen en dat voldoende grond bestaat voor het standpunt van de minister dat een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
7.1.
De rechtbank overweegt dat uit de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2020 volgt dat, om de zware gronden 3a en 3k aan de maatregel ten grondslag te kunnen leggen, het voldoende is dat deze gronden feitelijk juist zijn. De rechtbank is van oordeel dat grond 3a feitelijk juist is. Eiser beschikte bij binnenkomst in Spanje op 8 juli 2023 weliswaar over een geldig paspoort, maar op het moment van melding op 16 april 2025 in Ter Apel was de vrije termijn die geldt voor paspoorthouders van de Verenigde Staten inmiddels verstreken. Bovendien heeft eiser door het aanvragen van asiel, zowel eerder in Spanje als op 16 april 2025 in Nederland, de eventueel nog geldende termijn beëindigd. Door het uiten van zijn asielwens heeft eiser immers blijk gegeven langdurig verblijf te beogen, terwijl hij niet in het bezit was van een voor dat verblijf benodigd visum. Daarnaast is ook grond 3k feitelijk juist. Eiser is niet verschenen voor de gefaciliteerde overdracht die gepland stond op 16 oktober 2025. Voor zover eiser aanvoert dat het niet gerechtvaardigd is om het niet-verschijnen voor het gefaciliteerde vertrek aan hem tegen te werpen, gelet op de toelichting die de minister heeft gegeven ten overstaan van de voorzieningenrechter op 16 oktober 2025, verwijst de rechtbank naar wat zij al heeft overwogen in rechtsoverweging 4.1. Uit die toelichting kan niet worden afgeleid dat eiser geen medewerkingsverplichting heeft. Deze grond is dan ook feitelijk juist en terecht aan eiser tegengeworpen.
7.2.
Ten aanzien van de lichte gronden is de rechtbank van oordeel dat deze terecht aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd en dat de minister de relevantie van deze gronden voor het risico op onttrekking aan het toezicht voldoende heeft gemotiveerd. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt te beschikken over een vaste woon- of verblijfplaats en voldoende middelen van bestaan. De stelling van eiser dat hij op het AZC verblijft en een uitkering ontvangt van de Veteranen Autoriteiten van de Verenigde Staten, zonder nadere concrete onderbouwing, is hiervoor onvoldoende.
Lichter middel
8. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. In dit kader acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen en dat hiermee het risico op onttrekking is gegeven. Daarnaast is de rechtbank niet gebleken van medische omstandigheden of persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding had moeten zien eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen. De enkele stelling van eiser dat hij invalide is, zonder verdere onderbouwing of toelichting op zijn medische situatie, is hiervoor onvoldoende. De minister heeft in de maatregel erop gewezen dat binnen het detentiecentrum medische diensten en psychologen aanwezig zijn, bij wie eiser een intake zal krijgen en, waar nodig, medische behandeling of medicatie zal ontvangen. In dat verband heeft de minister terecht gesteld dat de medische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra kan worden geacht gelijkwaardig te zijn aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. De medische zorg is daarmee voldoende gewaarborgd.
Voortvarendheid en zicht op overdracht
9.
Conclusie
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars - Mast, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Vreemdelingenwet 2000.
Algemene wet bestuursrechtelijke bepalingen inzake inlichtingen en toezicht.
ECLI:NL:RVS:2020:829.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1601, en van 7 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2125.
Asielzoekerscentrum.