Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2022-01-11
ECLI:NL:RBDHA:2022:9453
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,712 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL21.18646
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. L. Sinoo), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: J. Kaikai).
Procesverloop
Bij besluit van 23 november 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL21.18986 en het verzoek om een voorlopige voorziening NL21.18987, op 7 januari 2022 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen K. Mensah.
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser heeft de Nigeriaanse nationaliteit en stelt te zijn geboren op [1997]. In februari 2017 heeft eiser een asielaanvraag ingediend in Italië. In augustus 2017 heeft eiser een asielaanvraag ingediend in Duitsland. Eiser heeft op 25 augustus 2018 in Nederland een asielaanvraag ingediend. Aangezien Italië door Nederland met toepassing van de Dublinverordening1 verantwoordelijk werd gehouden voor de behandeling van de asielaanvraag zijn de autoriteiten van Italië verzocht eiser terug te nemen. Hiermee zijn de autoriteiten van Italië in 2018 akkoord gegaan. Nederland heeft het claimverzoek aan de Italiaanse autoriteiten op 14 januari 2019 ingetrokken, omdat aan eiser op 11 januari 2019 een verblijfsvergunning op humanitaire gronden is verstrekt. Op 2 april 2019 is deze verblijfsvergunning ingetrokken.
1. Verordening (EU) Nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot
vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend.
2. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft op 26 april 2016 zijn oom betrapt op verkrachting van eisers moeder. Eiser heeft zijn oom op de borst geslagen met een stamper. De oom is gevallen. Een huishoudelijke hulp schreeuwde dat eiser iemand had vermoord. Eiser is meteen weggerend en wist aan de omwonenden te ontkomen. Hij verbleef sindsdien bij zijn vriend [vriend]. De oudste zoon van zijn oom heeft eiser telefonisch verteld dat hij hem zal vermoorden omdat eiser de oom heeft gedood. Ongeveer één week na het incident is eiser bij zijn school aangevallen door een kind van zijn oom. Op 26 juni 2016 is eiser gevlucht.
3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
De dood van eisers oom en de daaruit voortkomende problemen.
Verweerder acht de nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Verweerder acht eisers identiteit en de dood van eisers oom en de daaruit voortkomende problemen ongeloofwaardig. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser valse informatie heeft verstrekt over zijn identiteit. Verweerder concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
4. De rechtbank overweegt als volgt.
5. Eén van de punten in geding is eisers geboortedatum. De geboortedatum vormt één van de elementen van de identiteit van een persoon, waardoor twijfel over de geboortedatum van een persoon met zich mee brengt dat twijfel bestaat over diens gestelde identiteit.2 Eiser heeft in de zienswijze een kopie van zijn geboortecertificaat overgelegd.
6. In beroep heeft eiser te kennen gegeven dat hij het originele geboortecertificaat in zijn bezit heeft. Verweerder heeft echter geen aanleiding gezien om de authenticiteit van dit geboortecertificaat te onderzoeken. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat het geboortecertificaat, zelfs al zou dit na documentenonderzoek authentiek blijken, niet kan afdoen aan de twijfel die over eisers geboortedatum bestaat. Verweerder verwijst naar de documenten uit Duitsland en Italië, waarop andere geboortedata staan. Verder wijst verweerder er op dat eiser tot in beroep heeft gezegd dat hij geen contact had met zijn moeder, maar nu blijkt dat zijn moeder (met hulp van een ander) een verklaring heeft afgelegd op grond waarvan het certificaat is opgesteld. Verweerder twijfelt hierdoor aan de herkomst van het document, mede omdat eiser onvoldoende heeft toegelicht onder welke omstandigheden de moeder haar verklaring in persoon heeft afgelegd. Ook voert verweerder aan dat het geboortecertificaat is opgesteld op basis van verklaringen, waardoor het niet aannemelijk is dat brondocumenten zijn gebruikt bij het opstellen van dit document.
7. Ook in het geval dat na onderzoek de geboorteakte authentiek wordt bevonden, laat dit naar het oordeel van de rechtbank onverlet dat er twijfel bestaat over de juiste geboortedatum van eiser. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak
2 Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 maart 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BV8821) en van 24 november 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:2636).
van de Raad van State van 18 mei 20173 strekt de samenwerkingsplicht uit artikel 4, eerste lid, van de Kwalificatierichtlijn niet zo ver dat verweerder altijd een overgelegd document op authenticiteit dient te onderzoeken. Ook al zou eiser in het bezit zijn van een authentiek geboortecertificaat, dan doet dit op zichzelf niet af aan eisers tegenstrijdige verklaringen (over zijn geboortedatum). Verweerder heeft eiser mogen tegenwerpen dat in Italië als zijn geboortedatum [1997] staat geregistreerd, terwijl in Duitsland [1997] als eisers geboortedatum staat geregistreerd. De rechtbank acht hierbij verder van belang dat eiser bij zijn asielaanvraag in Nederland in eerste instantie heeft verklaard dat zijn geboortedatum [1997] is. Deze datum is niet gecorrigeerd in de correcties en aanvullingen op het verslag aanmeldgehoor Dublin. Vervolgens heeft eiser deze geboortedatum meermaals opgegeven/gebruikt, zoals bij zijn aangifte als slachtoffer van mensenhandel. Op 11 januari 2019 is aan eiser een verblijfsvergunning op humanitaire gronden verstrekt, waar eveneens [1997] als zijn geboortedatum staat. Tevens heeft eiser deze geboortedatum opgegeven voor zijn aanvraag om een Vreemdelingen Identiteitsbewijs type W. Eiser is in het eerste gehoor en het nader gehoor geconfronteerd met de geboortedata die in Duitsland ([1997]) en Italië ([1997]) bekend zijn.4 Eiser heeft toen pas verklaard dat zijn geboortedatum eigenlijk [1997] is. Als reden voor de drie verschillende geboortedata stelt eiser dat anderen fouten hebben gemaakt en dat hij zowel in Nederland als in Duitsland en in Italië [1997] als zijn geboortedatum heeft genoemd.
Verweerder heeft eiser hier niet in hoeven volgen en heeft zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt mogen stellen dat eisers tegenstrijdige verklaringen ernstig afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van zijn identiteit. De rechtbank acht hierbij nog van belang dat eisers moeder op 1 juni 2021 in persoon het geboortecertificaat zou hebben verkregen, terwijl eiser tijdens zijn gehoor op 7 juni 2021 heeft verklaard dat hij geen contact heeft met zijn moeder.5 Verweerder heeft eiser mogen tegenwerpen dat hij onvoldoende toelichting heeft gegeven over deze ogenschijnlijke tegenstrijdigheid.
8. Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft bevonden dat eiser zijn oom heeft gedood en daarom problemen heeft in zijn land van herkomst. Verweerder heeft hierbij mogen wijzen op de tegenstrijdige verklaringen van eiser over waar hij de oom met de stamper heeft geslagen.6 Ook heeft verweerder het ongerijmd mogen vinden dat eiser ongeveer één week na het incident uit zijn schuilplaats komt om naar school te gaan voor zijn examens. Verweerder heeft hierbij er op mogen wijzen dat eiser hiermee een groot risico nam omdat hij door zijn neef zou zijn bedreigd en zijn neven op dezelfde school als eiser zaten. In tegenstelling tot wat eiser aanvoert, heeft verweerder wel degelijk in zijn beoordeling betrokken dat eiser naar een ander gebied moest voor zijn examens.7 Verder heeft verweerder het ongerijmd mogen vinden dat eiser na het incident zonder problemen bij [vriend] heeft kunnen verblijven terwijl hij volgens zijn eigen verklaringen werd gezocht door invloedrijke familieleden, de autoriteiten en een landelijk opererende bende. Ook heeft verweerder eiser mogen tegenwerpen dat hij niet heeft geprobeerd te achterhalen of hij nog steeds wordt gezocht.
Conclusie
13. Eiser komt niet in aanmerking voor toelating op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw.
14. De aanvraag is terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond.
15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
8 Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
9 Uitspraak van het Hof van Justitie van 10 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:354.
10 Zie Werkinstructie 2020/16.
11 Zie de uitspraak van de ABRvS van 29 september 2021, ECLI:Nederland:RVS:2021:2159 r.o. 6.5.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Schuman, rechter, in aanwezigheid van mr. L.L. Hol, griffier.
De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:
11 januari 2022
en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
Mr. J.A. Schuman L.L. Hol
Rechter Griffier
Rechtbank Midden-Nederland Rechtbank Midden-Nederland
Documentcode: [Documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.