Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2022-03-01
ECLI:NL:RBAMS:2022:1923
Bestuursrecht
Bodemzaak
3,159 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummers: AMS 21/974 en AMS 21/977
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 maart 2022 in de zaken tussen
[eiseres 1] , te Amsterdam, eiseres I,
en
[eiseres 2]
, te Amsterdam, eiseres II,
tezamen te noemen: eiseressen
(gemachtigde: mr. I.J.M. Oomen).
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. L.J.L. Leijtens).
Procesverloop
Bij besluit van 4 augustus 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiseressen om naturalisatie afgewezen.
Bij besluit van 19 januari 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseressen ongegrond verklaard.
Eiseressen hebben tegen het besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2022. Eiseressen zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde.
Overwegingen
Inleiding
1. Eiseres I is de moeder van eiseres II. Op 26 februari 2019 heeft eiseres I een verzoek tot naturalisatie gedaan voor haarzelf en een verzoek tot medenaturalisatie voor haar dochter.
2.1
Verweerder heeft het verzoek van eiseres I afgewezen, omdat zij niet aan de voorwaarden voor naturalisatie voldoen zoals omschreven in de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd dat eiseres I niet heeft aangetoond dat zij het inburgeringsexamen met goed gevolg heeft afgelegd. Zij kan ook niet worden vrijgesteld van dit vereiste. Daarnaast heeft eiseres I haar identiteit en nationaliteit niet afdoende onderbouwd. Eiseres I heeft geen gelegaliseerde geboorteakte en ook geen geldig paspoort overgelegd. De stelling dat sprake is van bewijsnood voor het overleggen van deze stukken is onvoldoende onderbouwd. Verweerder heeft de afwijzing in het bestreden besluit gehandhaafd.
2.2
Verweerder heeft de aanvraag van eiseres II afgewezen omdat haar moeder niet voldoet aan de voorwaarden voor naturalisatie. In het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing gehandhaafd. Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd dat eiseres II
inmiddels meerderjarig is, zodat medenaturalisatie niet meer mogelijk is.
3. Eiseres I betwist gemotiveerd dat zij niet aan de voorwaarden voor naturalisatie voldoet. Eiseres II stelt dat haar verzoek om naturalisatie als zelfstandig verzoek dient te worden beschouwd nu zij meerderjarig is geworden gedurende de langlopende procedure.
Beoordeling
4. In het bestreden besluit en het verweerschrift heeft verweerder aangevoerd dat hij ten overvloede op de bezwaargronden over het ontbreken van een gelegaliseerde geboorteakte en het geldige paspoort ingaat. Daarmee heeft verweerder deze weigeringsgrond niet ingetrokken, zodat de rechtbank toch aanleiding ziet om de beroepsgronden op dit punt te bespreken.
Het ontbreken van een gelegaliseerde geboorteakte en een geldig paspoort
5.1
Eiseres I heeft geen gelegaliseerde geboorteakte en geldig paspoort overgelegd. Zij meent primair dat zij als vluchteling dient te worden aangemerkt, zodat het overleggen van een geldig paspoort niet van haar kan worden verlangd. Volgens haar kan verweerder hoe dan ook niet verlangen dat zij naar Eritrea reist. Zij is daar nog nooit geweest. Verder moet zij een boete betalen en een spijtbetuigingsformulier ondertekenen. Ook als zij een derde inschakelt zal zij dat moeten doen. Ook zal zij de militaire dienstplicht moeten vervullen. Zij heeft inmiddels wel een verklaring van de Eritrese ambassade overgelegd waarin wordt bevestigd dat zij de Eritrese nationaliteit heeft. Een geboorteakte kan zij hoe dan ook niet meer verkrijgen omdat zij niet in stedelijk gebied is geboren en volgens het ambtsbericht uit 2018 tot 15 jaar geleden alleen voor kinderen uit stedelijk gebied een geboorteakte werd opgesteld. Verder wijst zij erop dat voor de zogenaamde RANOV-gevallen inmiddels een regeling is getroffen in verband met het overleggen van documenten.
5.2
Verweerder meent dat het beroep op bewijsnood niet slaagt. Eiseres I heeft niet al hetgeen wat mogelijk is gedaan om de gevraagde documenten te verkrijgen. Zij heeft niet met andere documenten zoals een verklaring van een school of een ziekenhuis haar identiteit en nationaliteit aannemelijk gemaakt. Ook heeft zij geen verklaring overgelegd van de autoriteiten dat zij niet in het bezit kan worden gesteld van de gevraagde documenten.
5.3
Eiseres I is in 1973 geboren. In 1981 is haar moeder overleden. Vervolgens is zij eind 1985 naar Nederland gekomen. Haar vader woonde toen in Nederland en had de vluchtelingenstatus. Haar vader is in 1986 overleden. Eiseres I is toen onder toezicht van het Nidos komen te staan. Zij heeft sinds 1993 een vergunning tot verblijf voor onbepaalde tijd en sinds 2003 is zij in het bezit van een reisdocument, verstrekt door de Nederlandse autoriteiten. De Eritrese ambassade heeft een verklaring afgegeven, gedateerd 9 februari 2016, waarin staat dat eiseres I de Eritrese nationaliteit heeft.
5.4
Uit de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) en het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap volgt dat het aan eiseres I is om haar identiteit en nationaliteit aan te tonen en dat het aan verweerder is om te beoordelen of de juistheid van de identiteit en nationaliteit met de door haar overgelegde stukken voldoende is komen vast te staan. De hoofdregel is dat de verzoeker een geboorteakte of geldig buitenlands paspoort overlegt. Hiervan wordt afgeweken als sprake is van bewijsnood dan wel als het in het individuele geval onevenredig zou zijn om vast te houden aan de hoofdregel.
5.5
Naar het oordeel van de rechtbank is het standpunt van verweerder om niet van de hoofdregel af te wijken onzorgvuldig. Eiseres I doet er een beroep op dat zij destijds de zogenaamde c-status had. Dit was volgens haar een vluchtelingenstatus zodat van haar niet kan worden verwacht dat zij zich tot de autoriteiten van Eritrea wendt. Uit onderzoek van de gemachtigde is gebleken dat in het dossier van eiseres I geen stukken meer zitten over de verkrijging van haar vergunning en de eerste periode. Dat komt voor rekening van verweerder, omdat het van eiseres I, als destijds alleenstaand kind in Nederland, niet kan worden verwacht dat zij dergelijke stukken bewaarde. Verweerder dient dus te beoordelen of, indien eiseres I wel over de zogenaamde c-status beschikte, dit consequenties heeft voor zijn oordeel over het verzoek tot naturalisatie. Daarnaast heeft verweerder wel beoordeeld of er sprake is van bewijsnood, maar is hij niet ingegaan op de vraag of het in dit geval onevenredig zou zijn om vast te houden aan de hoofdregel. Verweerder had moeten beoordelen of van eiseres I verwacht kan worden dat zij, ook als zij een derde inschakelt, belasting betaalt en een spijtbetuiging ondertekent. Daarbij had verweerder moeten betrekken dat eiseres I als 12-jarige naar Nederland is gekomen na het overlijden van haar moeder en dat zij daarna binnen korte tijd haar vader heeft verloren waardoor zij als alleenstaande minderjarige onder toezicht van het Nidos is komen te staan. Ook is van belang dat de nationaliteit van eiseres niet is betwist. Verder had verweerder moeten ingaan op het betoog van eiseres I dat zij alsnog verplicht zal zijn de militaire dienstplicht te vervullen. Door deze aspecten in het geheel niet te betrekken bij de beoordeling is het besluit op dit punt ook onevenredig. Deze beroepsgrond slaagt dan ook. Dit betekent niet dat het beroep gegrond is. Eiseres I moet namelijk aan alle voorwaarden voor verlening van het Nederlanderschap voldoen, dus ook aan het inburgeringsvereiste.
Het inburgeringsvereiste
6.1
Vast staat dat eiseres I geen naturalisatietoets heeft gedaan. Eiseres I meent echter dat zij in aanmerking komt voor vrijstelling van het inburgeringsvereiste. Daartoe heeft zij vijf certificaten van het Kort Middelbaar Beroepsonderwijs (KMBO) overgelegd. Daarnaast heeft zij een brief overgelegd van de Dienst Werk en Inkomen (DWI) van de gemeente Amsterdam van 11 januari 2011. Daaruit blijkt dat eiseres I niet inburgeringsplichtig is.
6.2
In artikel 8 van de RWN staan de eisen vermeld waaraan iemand die verzoekt om het Nederlanderschap moet voldoen. Uit het eerste lid, onder d, blijkt dat de betrokkene ingeburgerd dient te zijn. Wat dat inhoudt is uitgewerkt in het Besluit Naturalisatietoets. In artikel 3 van het Besluit Naturalisatietoets staat in welke gevallen een betrokkene vrijgesteld is van het doen van een naturalisatietoets. Niet bestreden is dat de certificaten van het KMBO niet gelijkgesteld kunnen worden aan een diploma als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder b, van het Besluit Naturalisatietoets. Vast staat verder dat eiseres I niet tenminste acht jaren tijdens de leerplichtige leeftijd in Nederland heeft verbleven, zodat zij niet om die reden kan worden vrijgesteld. Eiseres I meent echter dat zij gelet op de brief van de DWI niet inburgeringsplichtig is. De rechtbank volgt dit standpunt niet en zal dat hierna uitleggen.
6.3
Op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder e, van het Besluit Naturalisatietoets is iemand vrijgesteld van de naturalisatietoets als met toepassing van artikel 5, tweede lid, van de Wet inburgering nieuwkomers (WIN), is besloten dat een inburgeringsprogramma achterwege kan blijven omdat aannemelijk is geworden dat hij de kennis, het inzicht en de vaardigheden die hij door het deelnemen aan een inburgeringsprogramma zou kunnen verwerven, reeds in voldoende mate op een andere wijze heeft verworven. Uit de brief van de DWI blijkt dat aan eiseres I vrijstelling is verleend van de inburgeringsplicht op grond de Wet inburgering (WI). Dit is dus niet een vrijstelling op grond van de WIN. Het betoog dat niet met terugwerkende kracht een inburgeringsplicht mag worden opgelegd gaat niet op. De WIN is met ingang van 2 januari 2007 vervallen en daarna is de WI van kracht geworden. In het Besluit Naturalisatietoets is de vrijstellingsmogelijkheid gehandhaafd voor het geval iemand beschikt over een vrijstelling van inburgering op grond van de WIN, maar is geen vergelijkbare bepaling opgenomen voor het geval dat iemand beschikt over een vrijstelling op grond van de WI.
Conclusie
8. De beroepen zijn ongegrond.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.B. van Gijn, rechter, in aanwezigheid van mr. T. van Soldt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 maart 2022.
griffier
rechter
de griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt zes weken na verzending van een afschrift van deze uitspraak. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.
Artikel 8, eerste lid, onder d, van de RWN.
Regeling Afwikkeling Nalatenschap Oude Vreemdelingenwet.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2636.
Toelichting op artikel 7, paragraaf 3.5.5 van de Handleiding op het Nederlanderschap 2003.
Dit is een asielvergunning op grond van het traumatabeleid.
Deze vrijstellingsmogelijkheid staat in artikel 3, eerste lid, onder j, van het Besluit Naturalisatietoets.
Dit volgt uit artikel 11, eerste lid, van de RWN.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 14 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV8819.