Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2022-03-04
ECLI:NL:RBDHA:2022:2044
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,853 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 21/1122
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 maart 2022 in de zaak tussen
[eiseres], eiseres, V-nummer [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A.A. van Harmelen),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 14 mei 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd van eiseres ingetrokken met terugwerkende kracht tot 12 maart 2014 en de aanvraag van eiseres tot verlenging van de geldigheidsduur van haar verblijfsvergunning afgewezen.
Bij besluit van 27 januari 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 28 januari 2022 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is, met voorafgaand bericht, niet verschenen.
Overwegingen
Waar gaat deze zaak over?
1. Eiseres heeft van 15 juni 2008 tot 15 juni 2018 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘Niet-tijdelijke humanitaire gronden’ gehad. Eind 2013 is eiseres, zoals zij tijdens de hoorzitting heeft verklaard, met haar echtgenoot naar Angola vertrokken. Uit de Brp komt naar voren dat eiseres met ingang van 12 maart 2014 uit Nederland is vertrokken. In maart 2020 is eiseres met haar twee kinderen naar Nederland teruggekeerd, nadat haar relatie met haar echtgenoot is geëindigd. Op 2 april 2020 heeft eiseres een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van haar verblijfsvergunning ingediend.
2. In deze zaak is in geschil of verweerder de verblijfsvergunning van eiseres heeft kunnen intrekken, omdat zij haar hoofdverblijf uit Nederland heeft verplaatst. Daarbij gaat het in het bijzonder om de vraag of eiseres buiten haar schuld dan wel invloed langer dan zes maanden uit Nederland weg is geweest. Verder gaat het om de vraag of verweerder de aanvraag van eiseres heeft kunnen afwijzen, omdat zij niet over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) beschikt.
3. Verweerder heeft de verblijfsvergunning van eiseres ingetrokken, omdat eiseres haar hoofdverblijf buiten Nederland heeft gevestigd. Eiseres heeft namelijk meer dan zes achtereenvolgende maanden in Angola verbleven en dat is volgens verweerder niet te wijten geweest aan omstandigheden die buiten haar schuld of invloed waren gelegen. Verweerder wijst erop dat het een doelbewuste keuze van eiseres is geweest om met haar echtgenoot naar Angola te vertrekken en daar voor langere tijd te verblijven. Vanwege de verplaatsing van het hoofdverblijf is geen sprake van een tijdig ingediende aanvraag. Eiseres moet daarom in het bezit zijn van een geldige mvv om in aanmerking te komen voor een reguliere verblijfsvergunning. Volgens verweerder is niet gebleken dat eiseres van het mvv-vereiste is vrijgesteld op grond van artikel 8 van het EVRM of de hardheidsclausule.
Waarom is eiseres het niet eens met het bestreden besluit?
4. Eiseres voert aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat niet is gebleken dat haar verblijf in het buitenland te wijten was aan omstandigheden die buiten haar schuld of invloed waren gelegen. Verder voert eiseres aan dat zij haar verlengingsaanvraag tijdig heeft ingediend. Aangezien zij aan alle voorwaarden voor vergunningverlening voldoet, is het voldoen aan het mvv-vereiste enkel een formaliteit. Verweerder had eiseres daarom van dit vereiste moeten vrijstellen. Eiseres stelt bovendien dat zij in aanmerking komt voor vrijstelling op grond van artikel 8 van het EVRM. Tot slot is eiseres van mening dat alle omstandigheden samen maken dat sprake is van bijzondere omstandigheden, waardoor het onredelijk hard voor haar is om terug te moeten keren naar Angola.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Verwijzing naar de gronden van bezwaar
5. Voor zover eiseres verzoekt om de gronden van bezwaar als in de gronden van beroep herhaald en ingelast te beschouwen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit gemotiveerd is ingegaan op wat eiseres in bezwaar heeft aangevoerd. Voor zover eiseres in beroep niet heeft aangegeven dat en in welke zin verweerder in zijn motivering tekort is geschoten, gaat de rechtbank hieraan voorbij. Het enkel verwijzen naar de bezwaargronden kan immers niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit.
Intrekking van de verblijfsvergunning vanwege de verplaatsing van het hoofdverblijf
6. De rechtbank stelt voorop dat een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan worden ingetrokken als de houder daarvan zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft gevestigd. Volgens het geldende beleid beoordeelt verweerder dit aan de hand van feiten en omstandigheden van feitelijke aard. Verweerder neemt in ieder geval aan dat sprake is van verplaatsing van het hoofdverblijf buiten Nederland als de vreemdeling meer dan zes achtereenvolgende maanden buiten Nederland heeft verbleven, tenzij hij aannemelijk maakt dat de overschrijding van de zes maanden te wijten is aan omstandigheden die buiten zijn schuld zijn gelegen.
6.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres langer dan zes achtereenvolgende maanden in Angola heeft verbleven. Eiseres heeft tijdens haar hoorzitting verklaard dat zij eind 2013 naar Angola is verhuisd en dat zij daar tot maart 2020 heeft gewoond. Vanaf 12 maart 2014 is eiseres tevens uitgeschreven uit de Brp en vanaf 5 september 2014 staat zij ingeschreven in de RNI, waarin personen staan die niet of korter dan vier maanden in Nederland wonen.
6.2.
Eiseres voert aan dat het verblijf buiten Nederland haar niet aangerekend kan worden, omdat het buiten haar schuld is gelegen dat zij langer dan zes maanden in Angola heeft gewoond. Zij wijst erop dat zij weliswaar vrijwillig naar Angola is vertrokken maar dat de situatie anders werd vanaf het moment dat haar echtgenoot haar slecht behandelde en haar daar met de kinderen heeft achtergelaten. Eiseres kon niet eerder naar Nederland terugreizen omdat zij en haar dochters niet allemaal over een geldig paspoort beschikten. Het aanvragen van een paspoort heeft een jaar geduurd.
6.3.
De rechtbank overweegt dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiseres met de bovenstaande verklaring niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij buiten haar schuld langer dan zes maanden uit Nederland afwezig is geweest. Daarbij is van belang dat niet is gebleken dat eiseres de intentie had en pogingen heeft ondernomen om binnen zes maanden na haar vertrek terug te keren naar Nederland dan wel dat zij door haar echtgenoot is belemmerd in een eerdere terugkeer naar Nederland. De omstandigheid dat eiseres terug wilde keren nadat haar relatie was geëindigd in 2018 en haar ex-echtgenoot haar in 2019 met de kinderen had achterlaten, doet er niet dat eiseres op dat moment haar hoofdverblijf feitelijk al had verplaatst naar Angola. Eiseres woonde toen immers al vijf jaar in Angola. In beroep heeft eiseres niet gesteld en is ook niet gebleken dat zij al eerder, namelijk vóór 2018, naar Nederland heeft willen terugkeren.
6.4.
Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich, naar het oordeel van de rechtbank, op het standpunt kunnen stellen dat eiseres haar hoofdverblijf buiten Nederland heeft gevestigd. Verweerder heeft de aan eiseres verleende verblijfsvergunning daarom kunnen intrekken.
Afwijzing van de aanvraag om een verblijfsvergunning vanwege het mvv-vereiste
7. De aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is tijdig ingediend, als deze ontvangen is uiterlijk op de dag voor de dag waarop de geldigheidsduur verstrijkt dan wel, indien deze later is ontvangen, indien de termijnoverschrijding de vreemdeling niet kan worden toegerekend.
7.1.
Eiseres heeft haar verlengingsaanvraag op 2 april 2020 ingediend. De geldigheidsduur van haar verblijfsvergunning eindigde oorspronkelijk op 15 juni 2018 en is als gevolg van de intrekking bij het bestreden besluit geëindigd op 12 maart 2014. Dit betekent dat eiseres, ook los van de intrekking van haar verblijfsvergunning, niet-tijdig een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van haar verblijfsvergunning bij verweerder heeft ingediend. Niet is gesteld of gebleken dat deze termijnoverschrijding eiseres niet kan worden toegerekend.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.H. van der Poort-Schoenmakers, rechter, in aanwezigheid van mr. J.C. de Grauw, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2022.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.
Basisregistratie personen.
Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
Artikel 3.71, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000).
Op grond van artikel 19, in samenhang met artikel 18, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000.
Paragraaf B1/6.2.1. van de Vreemdelingencirculaire 2000.
Registratie Niet-ingezetenen.
De jongste dochter van eiseres is geboren in 2019. De echtgenoot heeft eiseres daarom pas na de geboorte van hun jongste kind in 2019 met de kinderen kunnen achterlaten.
Artikel 3.80, eerste lid, van het Vb 2000.
Zie artikel 3.80, tweede lid, van het Vb 2000.
Artikel 3.82, eerste lid, in samenhang met artikel 3.82, tweede lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000.
Zie de uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 3 juli 2001, I.B. Javeed tegen Nederland, met zaaknummer 47390/99, en van 17 februari 2009, Onur tegen Verenigd Koninkrijk, met zaaknummer 27319/07, en van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), van 29 mei 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1417).
Zie de uitspraken van de Afdeling van 14 februari 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:471) en van 22 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1095).