Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2022-07-01
ECLI:NL:RBDHA:2022:9488
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,741 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL21.14562
uitspraak van de enkelvoudige kamer 1 juli 2022 in de zaak tussen
[eiseres], eiseres
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. K.J. Kerdel),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 25 januari 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag voor verlening van een verblijfsvergunning regulier met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ afgewezen.
Bij besluit van 13 september 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 13 juni 2022 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Ook referent en de zoon van referent zijn verschenen op zitting. Verweerder is, met voorafgaande mededeling, niet verschenen op zitting.
Overwegingen
Waar gaat deze zaak over?
1. Eiseres is geboren op [geboortedag] 1974 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Eiseres is in het bezit van een Spaanse verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Zij wenst verblijf bij haar echtgenoot (referent) in Nederland.
2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiseres niet beschikt over een mvv en eiseres niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste. Eiseres heeft namelijk niet de status van EU langdurig ingezetene. Verder is haar uitzetting niet in strijd met artikel 8 van het EVRM. Ook zijn er geen bijzondere omstandigheden die ertoe leiden dat eiseres op grond van de hardheidsclausule moet worden vrijgesteld van het mvv-vereiste.
Wat vindt eiseres in beroep?
3. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit. Zij had vrijgesteld moeten worden van het mvv-vereiste, omdat haar duurzame verblijfsrecht in Spanje op één lijn moet worden gesteld met de status van EU langdurig ingezetene. Ook is haar uitzetting in strijd met artikel 8 van het EVRM. Referent is afhankelijk van eiseres. Zij fungeert als mantelzorger voor referent. Gelet op al deze omstandigheden had verweerder eiseres ook moeten vrijstellen van het mvv-vereiste op grond van de hardheidsclausule. Het mvv-vereiste is in dit geval in strijd met de Gezinsherenigingsrichtlijn en het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel. Daarnaast heeft verweerder ten onrechte geen toepassing gegeven aan de regeling ‘Tijdelijke versoepeling mvv-vereiste vanwege COVID-19’. Verder is eiseres analfabeet, zodat zij niet aan het inburgeringsvereiste kon voldoen. Tot slot is eiseres ten onrechte niet gehoord in bezwaar.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt afgewezen, als de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv. Niet in geschil is dat eiseres niet in het bezit is van een geldige mvv. De vraag die voorligt is of verweerder eiseres had moeten vrijstellen van het mvv-vereiste.
Herhaling gronden van bezwaar
5. Eiseres heeft verzocht haar bezwaargronden als herhaald en ingelast te beschouwen. Uit het in algemene zin herhalen en inlassen van bezwaargronden kan de rechtbank niet afleiden waarom eiseres van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Daarom ziet de rechtbank hierin geen aanleiding dat besluit te vernietigen.
Vrijstelling op grond van de status van EU-langdurig ingezetene
6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op goede gronden overwogen dat eiseres niet vrijgesteld kan worden van het mvv-vereiste vanwege haar verblijfsrecht in Spanje. Eiseres heeft namelijk niet de status van EU-langdurig ingezetene. Ter zitting heeft eiseres overigens toegelicht dat zij daar in Spanje ook nooit een aanvraag voor heeft ingediend, omdat zij daarvoor niet in aanmerking kwam.
Vrijstelling op grond van artikel 8 van het EVRM
7. Uit vaste rechtspraak van het EHRM volgt dat bij de belangenafweging in het kader van het door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven een ‘fair balance’ moet worden gevonden tussen het belang van de vreemdeling en zijn familie enerzijds, en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. Daarbij moet verweerder alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar betrekken.
7.1.
De rechtbank moet eerst beoordelen of alle relevante feiten en omstandigheden door verweerder zijn betrokken in de belangenafweging. Daarna moet de rechtbank de uitkomst van die belangenafweging toetsen. Deze laatste toetsing is enigszins terughoudend. Dat betekent dat verweerder een zekere ruimte heeft om hierin een keuze te maken.
7.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM meegewogen en deze in het nadeel van eiseres mogen laten uitvallen. Daarbij heeft verweerder van belang kunnen achten dat eiseres het gezinsleven is aangegaan en heeft geïntensiveerd, terwijl zij niet in het bezit was van een verblijfsvergunning. Dat eiseres in de veronderstelling was dat zij rechtmatig in Nederland verbleef, doet hier niet aan af. Het is immers de verantwoordelijkheid van eiseres om dit, voorafgaande aan haar komst naar Nederland, goed na te gaan. Ook heeft verweerder in het nadeel van eiseres kunnen wegen dat er geen objectieve belemmering is om het gezinsleven buiten Nederland voort te zetten. Eiseres heeft 15 jaar rechtmatig gewoond in Spanje en verblijft daar pas sinds 2019 niet meer. Daarvoor heeft zij in Marokko gewoond. Verder heeft verweerder in de leeftijd en gezondheidsklachten van referent terecht geen objectieve belemmering gezien om het gezinsleven in Spanje dan wel Marokko uit te oefenen. Uit de overgelegde verklaring van de huisarts volgt slechts dat referent een leeftijdsgebonden oogaandoening heeft en afhankelijk is. Hieruit blijkt niet dat referent enkel afhankelijk is van eiseres en dat hij vanwege zijn oogaandoening dan wel leeftijd het gezinsleven met haar niet buiten Nederland kan uitoefenen. Daarbij komt dat, zoals ter zitting is gebleken, referent na het overlijden van zijn vrouw, eiseres tijdens een bezoek aan Marokko eind 2019 heeft ontmoet. Hij is dan ook vrij recent nog in Marokko geweest. Hierna heeft referent eiseres ook in Spanje bezocht. Van subjectieve belemmeringen om het gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen, is de rechtbank ook niet gebleken. Dat referent op leeftijd is, maakt niet dat eiseres alleen hierom al verblijf moet worden toegestaan. Dat de kinderen van referent eiseres als mantelzorger van hem willen zien, maakt dit niet anders. Tot slot heeft verweerder in het nadeel van eiseres kunnen wegen dat niet is gebleken dat zij voorafgaand aan haar komst inspanningen heeft geleverd om aan de verblijfsvoorwaarden, waaronder het inburgeringsvereiste, te voldoen. De overgelegde verklaring van de Stichting moeder en dochter, waaruit blijkt dat eiseres aan diverse activiteiten heeft deelgenomen, leidt niet tot een ander oordeel. Deze verklaring dateert van ver na het bestreden besluit en zegt daarom niets over haar inspanning voorafgaand aan haar komst naar Nederland.
7.3.
Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de weigering om eiseres vrij te stellen van het mvv-vereiste niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM.
Vrijstelling op grond van de hardheidsclausule
8. Verweerder kan een vreemdeling vrijstellen van het mvv-vereiste als toepassing daarvan naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Dit wordt de hardheidsclausule genoemd. Verweerder beoordeelt pas of iemand voldoet aan de materiële vereisten voor gezinshereniging, als de vreemdeling bijzondere, persoonlijke feiten en omstandigheden aanvoert die maken dat het onevenredig bezwarend zou zijn om vast te houden aan het mvv-vereiste.
8.1.
Verweerder heeft in dit geval tot het oordeel kunnen komen dat eiseres geen bijzondere, persoonlijke feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die maken dat het voor haar onevenredig bezwarend zou zijn om vast te houden aan het mvv-vereiste. Verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat het duurzame verblijfsrecht van eiseres in Spanje niet op één lijn kan worden gesteld met het verblijfsrecht van EU-langdurig ingezetene. Dat eiseres 15 jaar in Spanje heeft gewoond maar geen aanvraag voor een dergelijke status heeft ingediend, heeft verweerder niet ten onrechte voor risico van eiseres laten komen.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Garabitian, rechter, in aanwezigheid van mr. C.M. van den Berg, griffier.
Dictum
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Machtiging tot voorlopig verblijf.
Zoals bedoeld in artikel 17 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Zoals bedoeld in de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van de Europese Unie.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Zoals bedoeld in artikel 16 van Richtlijn 2004/38.
Artikel 3.71, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 8 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1604.
Zie bijvoorbeeld het arrest van het Europees hof voor de rechten van de mens van 31 januari 2006, ECLI:NL:XX:2006:AV3568 (Rodrigues Da Silva en Hoogkamer tegen Nederland).
Op grond van artikel 3.71, tweede lid en onder l van het Vb.
Artikel 3.71, derde lid van het Vb.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 29 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1095.
Zie de website van de IND, ‘Tijdelijke versoepeling mvv-vereiste vanwege COVID 19’ geraadpleegd op 28 juni 2022.
Uitspraak van de Afdeling van 25 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1196.
Artikel 7:3, aanhef, en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht.