Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2022-02-28
ECLI:NL:RBDHA:2022:1804
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,779 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 21/1214
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 februari 2022 in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
v-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. J.P. Sanchez Montoto),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: Ch.R. Vink).
Procesverloop
Bij besluit van 30 oktober 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers verblijfsrecht beëindigd en hem ongewenst verklaard.
Bij besluit van 28 januari 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2022. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.
Overwegingen
Waar gaat deze zaak over?
1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1978 en in het bezit van de Bulgaarse nationaliteit. Uit de BRP blijkt dat hij tussen 29 januari 2014 en 24 december 2018 in Nederland woonde. Op die laatste datum is hij geregistreerd als niet-ingezetene. Sinds 7 oktober 2019 staat hij weer in Nederland ingeschreven.
2. Verweerder heeft met het primaire besluit het verblijfsrecht van eiser beëindigd en hem ongewenst verklaard, omdat vanuit eiser een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving uitgaat. Eiser is herhaaldelijk strafrechtelijk veroordeeld. Zo is hij onherroepelijk veroordeeld voor een diefstal in vereniging met braak (2010), het overtreden van de wapenwet (2013) en het medeplegen van een drugsdelict (2014). Meest recentelijk is hij onherroepelijk veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, voor bedreiging met een misdrijf tegen het leven, poging tot zware mishandeling en vuurwapenbezit. Dit maakt volgens verweerder dat eiser een actueel gevaar is voor de samenleving. Daar komt bij dat volgens de reclassering het gevaar op een recidive groot is. Eisers persoonlijke feiten en omstandigheden brengen verweerder niet tot een andere conclusie, omdat eiser geen stabiel leven in Nederland heeft. Zo heeft hij geen dagbesteding, (positief) sociaal netwerk en spreekt hij geen Nederlands. Hij heeft een oom en twee neven in Nederland, maar zijn kind en twee broers wonen in Bulgarije. Verweerder stelt dat hij het verblijf heeft kunnen beëindigen, nu eisers verblijfsduur in Nederland minder dan drie jaar is, en hij bij onherroepelijk vonnis is veroordeeld tot een gevangenisstraf van meer dan één dag voor een misdrijf wat wordt bedreigd met een gevangenisstraf van zes jaar of meer. Omdat eiser is veroordeeld voor een misdrijf waarvoor de maximale gevangenisstraf drie jaren of meer is, heeft verweerder eiser ook ongewenst verklaard.
3. Met het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd door de bezwaren van eiser ongegrond te verklaren. Verweerder heeft wel een andere glijdende schaal toegepast. Omdat eiser (meer dan) drie misdrijven heeft gepleegd is volgens verweerder de glijdende schaal voor veelplegers van toepassing. Dit maakt dat ook als eiser een verblijfsduur van zeven jaar zou hebben – wat verweerder betwist – beëindiging nog steeds mogelijk is.
Waarom is eiser het niet eens met verweerder?
4. Eiser stelt dat hij elf jaar in Nederland woont maar dat verweerder op zijn minst moet uitgaan van een verblijfsduur van 7 jaar, omdat hij sinds 28 januari 2014 staat ingeschreven in de BRP. Dat hij daadwerkelijk in Nederland verbleef, blijkt uit gegevens van het UWV. Met een verblijfsduur van 7 jaar, kan zijn verblijf niet worden geëindigd. Verder stelt eiser dat hij is benadeeld door verweerder doordat deze in het bestreden besluit een andere glijdende schaal heeft toegepast die voor hem nadelig uitpakt. Dit is volgens hem in strijd met het verbod op reformatio in peius. Daar komt bij dat verweerder niet deugdelijk heeft beoordeeld of zijn persoonlijke gedrag een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving door enkel te verwijzen naar zijn strafblad. Eiser benadrukt dat hij zijn straf heeft uitgezeten, er tijdens zijn detentie niets ernstigs is voorgevallen, hij nadien geen strafbare feiten heeft gepleegd en geen sprake is geweest van recidive. Dit alles maakt ook dat verweerder hem ten onrechte ongewenst heeft verklaard. Tot slot stelt eiser dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft onvoldoende rekening gehouden met dat het centrum van zijn leven in Nederland is door geen waarde te hechten aan dat hij zeven jaar in Nederland woont, hij een arbeidsverleden heeft van drie jaar en hij familie in Nederland heeft wonen. Wat betreft het gewicht wat verweerder aan zijn verblijfsduur moet toekennen doet hij een beroep op het arrest Udeh van het EHRM. In beroep heeft eiser ter onderbouwing van zijn banden met Nederland loonstroken overgelegd die zien op arbeid verricht in Nederland in 2021.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Verblijfsduur
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht en deugdelijk gemotiveerd stelt dat eisers verblijfsduur voor het misdrijf dat aanleiding was om zijn verblijfsrecht te beëindigen minder dan drie jaar was. Verweerder gaat terecht uit van de gegevens van de BRP, waaruit blijkt dat eiser sinds 7 oktober 2019 staat ingeschreven in Nederland en geen ononderbroken verblijf van elf of zeven jaar heeft gehad. Uit de BRP blijkt dat eiser voor 7 oktober 2019 zijn verblijf in Nederland heeft onderbroken vanwege vertrek uit Nederland. Eiser heeft nagelaten om met objectieve gegevens aan te tonen dat hij – ondanks de gegevens uit de BRP – toch ononderbroken verblijf in Nederland heeft gehad. Dat uit gegevens van het UWV blijkt dat eiser in de periode ‘tot 1998 en 1998 tot en met 2019’ een arbeidsverleden van in totaal drie jaar heeft, biedt geen aanknopingspunten voor twijfel. Nog daargelaten dat uit deze gegevens niet blijkt dat eiser elf of zeven jaar ononderbroken arbeid in Nederland heeft verricht, maakt het feit dat iemand arbeid in Nederland verricht nog niet dat hij ook daadwerkelijk in Nederland verblijft. Ten tijde van het gepleegde delict (16 november 2019) had eiser minder dan drie jaar rechtmatig verblijf. Dit maakt dat het rechtmatig verblijf van eiser op grond van artikel 3.86, vijfde lid, van het Vb kon worden beëindigd.
Verbod op reformatio in peius
6. Iemand die bezwaar maakt mag in beginsel door het besluit op bezwaar niet in een slechtere positie belanden dan waarin hij zou verkeren als hij geen bezwaar had gemaakt. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiser door toepassing van een andere glijdende schaal in bezwaar niet in een slechtere positie terecht is gekomen. Het rechtsgevolg van zowel het primaire als het bestreden besluit is namelijk hetzelfde, te weten dat eisers rechtmatig verblijf is beëindigd en hij ongewenst is in Nederland.
Actuele, werkelijke en ernstige bedreiging
7. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder deugdelijk gemotiveerd stelt dat uit eisers persoonlijke gedrag blijkt dat hij een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. In dit kader heeft verweerder eisers antecedenten betrokken, het strafvonnis van 25 februari 2020, het reclasseringsadvies en eisers verklaringen bij de vreemdelingenpolitie van 21 juli 2020. Hoewel eiser zijn straf heeft uitgezeten en niet gebleken is van een veroordeling voor strafbare feiten nadien, stelt verweerder daar terecht tegenover dat de periode na vrijlating kort is, de reclassering het recidiverisico hoog inschat en uit eisers verklaringen bij de vreemdelingenpolitie op 21 juli 2020 blijkt dat hij stelt dat niet hij maar iemand anders schuldig is en hij het opgelegde contactverbod schendt. Mede gelet op deze laatste omstandigheden hecht verweerder terecht geen waarde aan eisers stelling dat hij niet in herhaling zal vallen. Het lag op eisers weg om met objectieve stukken van een deskundige aan te tonen dat er sprake is van een positieve gedragsontwikkeling.
Artikel 8 van het EVRM
8. Zoals blijkt uit rechtspraak van de hoogste bestuursrechter moet verweerder bij de belangenafweging in het kader van het door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op eerbiediging van familie- en gezinsleven en privéleven, een "fair balance" vinden tussen het belang van een vreemdeling bij uitoefening van zijn familie- en gezinsleven en/of privéleven in Nederland enerzijds en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds.
Conclusie
11. Nu geen van de beroepsgronden slaagt, verklaart de rechtbank het beroep ongegrond.
12. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.H. van der Poort-Schoenmakers, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Kroes, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2022.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.
De Basisregistratie Personen.
Zie artikel 8.22, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (het Vb 2000) en paragraaf B10/2.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (het Vc 2000).
Zie de glijdende schaal in artikel 3.86, derde lid, van het Vb 2000.
Zie artikel 67, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (de Vw 2000).
Zie artikel 3.86, vierde en vijfde lid, van het Vb 2000.
Op basis van artikel 3.86, derde lid, van het Vb 2000.
Het (Europees) Verdrag tot bescherming van de rechten van de mensen en de fundamentele vrijheden.
Arrest van 16 april 2013 van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, ECLI:CE:ECHR:2013:0416JUD001202009.
Zie artikel 3.86, zesde lid, van het Vb 2000.
Zie onder meer de uitspraken van 13 november 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:3081) en 27 juni 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2047) van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.