Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-05-13
ECLI:NL:RBDHA:2025:18606
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,747 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL24.3699 (beroep)
NL24.3700 (voorlopige voorziening)
[V-Nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] , eiser en verzoeker (hierna eiser)
(gemachtigde: mr. J. Werner),
en
de minister van Asiel en Migratie
, verweerder
(gemachtigde: mr. Y.M. Van der Lei).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank en de voorzieningenrechter (hierna rechtbank) het beroep van eiser tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning voor ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [referent] ’ en zijn verzoek om een voorlopige voorziening.
Verweerder heeft met het besluit van 21 januari 2021 (het primaire besluit) de vergunning van eiser ingetrokken met ingang van 20 juli 2020. Hiertegen is eiser in bezwaar gegaan. Met het besluit van 5 januari 2024 (het bestreden besluit) is verweerder bij de intrekking gebleven.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en daarnaast de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat hij niet wordt uitgezet totdat op zijn beroep is beslist.
Verweerder heeft op de beroepsgronden gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek op 27 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, H. Abdullah als tolk in de Engelse taal en de gemachtigden van partijen.
Procesverloop
1. Met het besluit van 21 januari 2021 heeft verweerder de verblijfsvergunning van eiser voor ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [referent] ’ ingetrokken. Met het besluit van 10 september 2021 op het bezwaar van eiser, is verweerder bij die intrekking gebleven. Dat besluit is door deze rechtbank en zittingsplaats met de onherroepelijke uitspraak van 4 mei 2022 vernietigd.
1.1.
In de uitspraak van 4 mei 2022 heeft de rechtbank – samengevat – geoordeeld dat er niet van horen kon worden afgezien en er niet van een juiste datum van binnenkomst was uitgegaan. Daarnaast is er geoordeeld dat er een onvoldoende op de zaak toegespitste belangenafweging was gemaakt en dat het onvoldoende concreet en inzichtelijk was gemaakt welke zwaarwegende belangen van de Staat maakten dat de belangenafweging, gelet op de belangen van eiser, waaronder de volledige periode van zijn legale verblijf, niet in eisers voordeel uitviel. Ook was de beoordeling dat de banden van eiser met Nederland de gebruikelijke banden moeten overstijgen, niet juist.
2. Eiser is vervolgens gehoord op 10 november 2022. Op 24 november 2022 is er een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Die beslissing is met de onherroepelijke uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 7 juli 2023 vernietigd.
2.2.
In de uitspraak van 7 juli 2023 heeft de rechtbank – samengevat – geoordeeld dat verweerder geen zorgvuldige belangenafweging had verricht. Er was een onjuist uitgangspunt gehanteerd door verweerder, omdat sprake is van het opbouwen van privéleven tijdens (deels) legaal verblijf zodat niet had mogen volstaan met de constatering dat de gestelde omstandigheden niet uitzonderlijk zijn. Daarnaast had verweerder niet deugdelijk gemotiveerd waarom het economische belang van de Nederlandse staat in geding was, waardoor de belangenafweging in eisers nadeel uitviel. Dat eiser functies bezet zou hebben gehouden die andere mensen konden doen en daarmee inbreuk zou hebben gemaakt op de rechten en vrijheden van anderen, had verweerder in het geheel niet concreet gemaakt en niet duidelijk was wat dat te maken heeft met het economische belang van de Nederlandse staat. Bovendien was niet betrokken dat eiser verschillende banen heeft gehad.
3. Verweerder heeft vervolgens op 5 januari 2024 het bestreden besluit genomen.
Het bestreden besluit
4. In het bestreden besluit is aangenomen dat eiser privéleven in Nederland heeft opgebouwd. De belangenafweging valt echter in eisers nadeel uit. Hier is – kort gezegd – in het kader van het belang van de Nederlandse staat en haar belang bij het stellen en handhaven van regels ten aanzien van de toelating en het verblijf van de vreemdeling, in eisers nadeel gewogen dat hij niet langer aan de voorwaarden voldoet waaronder zijn verblijfsvergunning is verleend. Eiser heeft bijna 20 jaar in Nederland verbleven, waarvan ongeveer vijf jaar rechtmatig. De banden die eiser heeft opgebouwd in Nederland en het (vrijwilligers)werk dat eiser heeft gedaan, zijn niet dermate bijzonder dat dit opweegt tegen de belangen van de Nederlandse staat. Daarbij is niet aannemelijk geworden dat eiser zijn privéleven niet in Ghana kan voortzetten. Het is niet geloofwaardig dat eiser geen banden met dat land zou hebben, nu hij ook verschillende projecten uitvoert die betrekking hebben op Ghana. Het economische belang van de Nederlandse staat weegt zwaarder dan het belang van eiser, nu hij weliswaar meerdere banen heeft gehad maar niet altijd inkomen heeft ontvangen en in de periodes tijdens zijn onzekere verblijfsrecht functies bezette, die door iemand anders ingevuld hadden kunnen worden.
Standpunt eiser
5. Eiser voert aan dat verweerder – kort gezegd – ten onrechte niet het juiste toetsingskader bij de inmenging heeft gebruikt. Er is niet gemotiveerd welke intrekkingsgrond, zoals volgt uit artikel 8, tweede lid van het EVRM, inmenging noodzakelijk maakt en legitimeert alvorens er een belangenafweging is gemaakt. Er is ook ten onrechte aan ‘uitzonderlijke omstandigheden’ getoetst aangezien sprake is van inmenging nu verweerder (meermaals) een verblijfsvergunning aan eiser heeft verleend. Met betrekking tot het economische belang, is er onvoldoende onderbouwd dat er een zwaarwegend belang voor verweerder is om inmenging noodzakelijk te maken. Eiser woont al ruim 20 jaar in Nederland en deze lange duur is ten onrechte niet of nauwelijks betrokken in de belangenafweging. Met betrekking tot de banden met Ghana, zal eiser zijn verleden niet verliezen en zal hij daar altijd in zekere zin een band mee behouden. Dat is aanleiding geweest voor bepaalde zakelijke activiteiten, maar dat weerlegt niet zijn belang bij het voortzetten van zijn huidige leven in Nederland.
Beoordeling
6. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht. De rechtbank ziet aanleiding om dit verzoek toe te wijzen. Hij hoeft dus geen griffierecht te betalen.
7. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
8. Het beroep is gegrond. Hieronder zal de rechtbank toelichten hoe zij tot dat oordeel is gekomen en welke gevolgen dat heeft.
Toetsingskader voor inmenging
9. De rechtbank overweegt dat de vraag of inmenging gerechtvaardigd is, op grond van artikel 8, tweede lid, van het EVRM moet worden getoetst aan de hand van drie criteria:
(1) er moet een wettelijke grondslag voor de inmenging zijn;
(2) de inmenging moet noodzakelijk zijn; en
(3) de noodzakelijkheid dient te liggen in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
9.1.
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat er sprake is van inmenging. Wanneer sprake is van inmenging, zoals in het geval van eiser, moet de inmenging een legitiem doel dienen conform artikel 8, tweede lid, van het EVRM. Vervolgens moet de inmenging noodzakelijk zijn in een democratische samenleving. Het is vaste rechtspraak van het EHRM dat een maatregel noodzakelijk is in een democratische samenleving als sprake is van een ‘pressing social need’. Hierbij is vooral de proportionaliteit ten aanzien van het legitieme doel van belang. Om na te gaan of sprake is van een ‘pressing social need’ moet volgens de rechtspraak van het EHRM een belangenafweging worden gemaakt van enerzijds de belangen van de staat en anderzijds de belangen van eiser bij het uitoefenen van zijn privéleven.
9.2.
De rechtbank is van oordeel dat uit het bovenstaande – anders dan eiser aanvoert – niet volgt dat er pas aan een belangenafweging wordt toegekomen als er sprake is van een ‘pressing social need’. Door een belangenafweging te maken heeft verweerder het juiste toetsingskader toegepast. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Belangenafweging
10. Volgens vaste rechtspraak van het ERHM en de Afdeling moet bij de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM een ‘fair balance’ worden gemaakt tussen enerzijds het belang van eiser bij een gecontinueerd verblijf en anderzijds het belang van de Nederlandse staat. Alle feiten en omstandigheden die voor de belangenafweging van betekenis zijn, moeten daarbij kenbaar worden betrokken. De rechtbank moet toetsen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in haar belangenafweging heeft betrokken en, als dit het geval is, of verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de uitkomst van die afweging heeft geresulteerd in een ‘fair balance’ tussen de hiervoor genoemde belangen van de vreemdeling en het Nederlands algemeen belang. Deze maatstaf impliceert een enigszins terughoudende toets.
11. Verweerder heeft in het verweerschrift van 26 maart 2025 aangegeven enkel het economische belang en het belang gelegen in het stellen en handhaven van regels te handhaven.
12. De rechtbank stelt vast dat in de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 7 juli 2023 is geoordeeld dat aan eiser niet kon worden tegengeworpen dat hij ten tijde van zijn onzekere verblijfsrecht functies bezet zou houden. Verweerder is niet in hoger beroep gegaan tegen deze uitspraak en die uitspraak is dan ook onherroepelijk. Dat oordeel staat dus in rechte vast. Gelet hierop heeft verweerder in het bestreden besluit dan ook ten onrechte opnieuw aan eiser tegengeworpen dat hij ten tijde van zijn onzekere verblijfsrecht een functie bezet hield die ook door iemand anders vervuld had kunnen worden.
12.1.
De rechtbank overweegt verder dat het aan verweerder is om te motiveren welke ‘pressing social need’ rechtvaardigt dat er inbreuk wordt gemaakt in eisers privéleven. Het enkel opnoemen van omstandigheden is onvoldoende om vast te stellen welke waarde verweerder aan die omstandigheden toekent. Verweerder heeft in het bestreden besluit enkel benoemd dat eiser sinds oktober 2023 een uitkering in het kader van de Participatiewet ontving, maar niet is gemotiveerd welk gevolg dat heeft voor de belangenafweging. Ook is niet gemotiveerd welk gewicht er toekomt aan inkomsten uit arbeid en de Ziektewet die eiser heeft verworven, de meerdere banen die hij heeft gehad, de zelfstandige onderneming die eiser heeft opgezet en het vrijwilligerswerk dat hij heeft gedaan. De rechtbank ziet ook niet dat verweerder in de belangenafweging alle omstandigheden heeft betrokken, zoals dat eiser een ongeluk heeft gehad of eiser in de gelegenheid heeft gesteld om een toelichting te geven op bijvoorbeeld zijn uitkering op grond van de Participatiewet.
12.2.
De rechtbank stelt verder vast dat verweerder over de periodes die eiser onrechtmatig of onzeker in Nederland heeft verbleven, heeft gesteld dat niet is gebleken van dermate bijzondere omstandigheden of bijzondere banden met Nederland tijdens die periodes dat de omstandigheden die eiser hierover heeft aangevoerd in zijn voordeel kunnen wegen. De rechtbank volgt deze redenering niet. Immers heeft eiser aangevoerd dat hij tijdens zijn verblijf van ruim 20 jaar in Nederland veel relaties heeft opgebouwd, gedurende een lange periode heeft gewerkt, deels betaald en deels als vrijwilliger, waarmee hij verschillende prijzen heeft gewonnen. Verweerder kan hieraan een lichter gewicht toekennen voor zover het omstandigheden betreft die zien op periodes dat eiser onrechtmatig of onzeker in Nederland verbleef, maar dat laat onverlet dat deze omstandigheden wel in eisers voordeel moeten worden gewogen nu deze bijdragen aan het privéleven dat eiser in Nederland heeft opgebouwd. Gelet hierop volgt uit het bestreden besluit niet dat de belangenafweging door verweerder heeft geresulteerd in een ‘fair balance’ tussen de belangen van eiser en het Nederlands algemeen belang
12.3.
De rechtbank stelt ook vast dat verweerder in het verweerschrift het belang van de staat gelegen in het behoud van de openbare orde en het beschermen van de nationale veiligheid en het belang van de bescherming van de gezondheid, rechten en vrijheden van anderen, heeft laten vallen. Daarbij heeft verweerder ten onrechte niet gemotiveerd waarom dit geen gevolgen heeft voor de uitkomst van de belangenafweging.
12.4.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat het beroep gegrond is. Verweerder heeft niet deugdelijk gemotiveerd dat het economische belang en het belang om regels te stellen en te handhaven inmenging in eisers privéleven rechtvaardigen. Het bestreden besluit kan dan ook niet in stand blijven.
Conclusie
13. Op grond van artikel 8:41a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), moet de bestuursrechter een geschil zoveel mogelijk definitief beslechten. Hoewel het in beginsel aan verweerder is om te beoordelen of een uitspraak van de rechtbank leidt tot de gevraagde vergunning, ziet de rechtbank in dit specifieke geval aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. Hierbij acht de rechtbank van belang dat deze procedure al zeer lang duurt, de zaak al twee keer heeft voorgelegen bij de bestuursrechter en het besluit telkens is vernietigd. De rechtbank concludeert dat verweerder thans voor de derde keer onvoldoende heeft gemotiveerd dat er zwaarwegende belangen zijn die maken dat inmenging in het privéleven van eiser geoorloofd is. Het geven van nog een gelegenheid aan verweerder om het bezwaar opnieuw te beoordelen en voor een vierde keer een belangenafweging te maken, zou daarom naar het oordeel van de rechtbank geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze inhouden.
14. Om bovenstaande redenen zal de rechtbank in het kader van finale geschilbeslechting met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb, zelf in de zaak voorzien. De rechtbank herroept het primaire besluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. De rechtbank zal verweerder opdragen aan eiser een verblijfsvergunning te verlenen op grond van artikel 8 EVRM, recht op privéleven, binnen een termijn van vier weken na bekendmaking van deze uitspraak.
15. Nu in het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding om de gevraagde voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
16. Eiser heeft geen griffierecht betaald en verweerder hoeft geen griffierecht aan hem te vergoeden. Nu het beroep gegrond is krijgt eiser wel een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.721,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend, een verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechterbank, in de zaak met zaaknummer NL24.3699:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- herroept het primaire besluit;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit; en
- draagt verweerder op binnen een termijn van vier werken na bekendmaking van deze uitspraak een verblijfsvergunning in het kader van artikel 8 EVRM, recht op privéleven, aan eiser te verlenen.
De voorzieningenrechter, in de zaak met zaaknummer NL24.3670:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
De rechtbank in beide zaken:
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.721,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. E. Waal, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen de uitspraak op het beroep kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als verweerder.
In de zaak met zaaknummer: AWB 21/5827 (niet gepubliceerd).
In de zaak met zaaknummers: NL22.25962 (beroep) en NL22.25963 (voorlopige voorziening) (niet gepubliceerd).
ECLI:CE:ECHR:2013:0416JUD001202009 (Udeh t. Zwitserland), r.o. 40.
Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
Zie bijvoorbeeld het arrest Üner tegen Nederland van 18 oktober 2006, nr. 46410/99, par. 54.
Deze volgorde blijkt bijvoorbeeld uit de arresten Mohamed Hasan tegen Noorwegen van 26 april 2018, nr. 27496/15, par. 143, Dimova en Peeva tegen Bulgarije van 19 januari 2017, nr. 20440/11, par. 37, Nacic en anderen tegen Zweden van 15 mei 2012, nr. 16567/10, par. 80, Dalia tegen Frankrijk van 19. februari 1998, nr. 26102/95, par. 52.
Zie bijvoorbeeld het arrest Rodriques da Silva en Hoogkamer tegen Nederland van 31 januari 2006, nr. 50435/99.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 27 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2047.
In de zaak met zaaknummers: NL22.25962 (beroep) en NL22.25963 (voorlopige voorziening) (niet gepubliceerd).
Op pagina 6.
Eiser heeft dit ook aangegeven tijdens het gehoor op 10 november 2022 pagina 3.
Zoals volgt uit Werkinstructie 2020/16 pagina 18 en 19.