Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2022-11-29
ECLI:NL:RBDHA:2022:15268
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,772 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL22.23636
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.I. Vennik),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: M. Janssen).
Procesverloop
Bij besluit van 16 november 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 28 november 2022 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser heeft de Servische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1988.
2. Eiser voert aan dat hij het gehoor voorafgaand aan het opleggen van de maatregel van bewaring heeft gedaan zonder bijstand van een advocaat. Voorafgaand aan dit gehoor heeft hij kort gesproken met een advocaat. Deze heeft hem toen te kennen gegeven dat zij geen tijd had om hem bij te staan tijdens het gehoor. Eiser werd hierdoor overvallen. Hij heeft tegen de hulpofficier van justitie aangegeven dat hij de situatie wel begreep. Hij heeft daarmee evenwel niet kenbaar willen maken dat hij het gehoor wilde laten plaatsvinden zonder de bijstand van een advocaat. De hulpofficier van justitie heeft hem niet meegedeeld dat hij het recht had om met het gehoor te wachten tot het moment waarop er wél een advocaat beschikbaar was om hem bij te staan (eventueel de volgende ochtend). Eiser stelt
dat zijn verdedigingsbelang aldus is geschonden en wijst in dit verband op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 13 oktober 20211.
3. De rechtbank oordeelt als volgt. De situatie van eiser wijkt af van de situatie waarover de Afdeling in haar uitspraak van 13 oktober 2021 heeft geoordeeld. Daar deed zich immers de situatie voor dat de vreemdeling voorafgaande aan het gehoor geheel verstoken was geweest van de bijstand van een advocaat. Dat is anders bij eiser. Eiser heeft voorafgaand aan het gehoor contact gehad met een advocaat. Op basis hiervan heeft verweerder ervan uit mogen gaan dat eiser door de advocaat afdoende was geïnformeerd over zijn rechten. Dit maakt dat verweerder aansluitend heeft mogen beginnen met het gehoor van eiser en dat er geen aanleiding was om te wachten op de aanwezigheid van een andere advocaat. Anders dus dan in de zaak waarover de Afdeling heeft geoordeeld, verkeerde eiser niet in een situatie waarin hem de gelegenheid had moeten worden geboden om zich vóór of tijdens het gehoor te laten bijstaan door een advocaat. Dit was immers al gebeurd. De beroepsgrond faalt.
4. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld. Ter zitting heeft verweerder deze grond prijsgegeven.
5. Eiser heeft de gronden onder 3b en 3c niet betwist. Deze twee gronden zijn al voldoende om aan te nemen dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Deze twee gronden kunnen de maatregel van bewaring dus dragen.
6. Verweerder heeft terecht aangevoerd dat het eiser in ieder geval al sinds 2019 bekend is dat hij Nederland dient te verlaten. Aan de aanzegging daartoe heeft hij nimmer gevolg gegeven. Dit mede omdat hij een in Nederland gevestigd bedrijf heeft. Pas nadat hij in vreemdelingenbewaring was gesteld, heeft hij zelfstandig een laissez passer (lp) geregeld. In het licht van zijn eerdere en langdurige inactiviteit en zijn zakelijke en persoonlijke
belangen in Nederland, heeft verweerder in de omstandigheden dat eiser een lp heeft geregeld geen garantie hoeven zien dat eiser Nederland daadwerkelijk op eigen gelegenheid zal verlaten. Daarbij heeft verweerder kunnen betrekken dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Nederland beschikt over een vaste verblijfplaats waar hij voor verweerder is te traceren. Hierdoor is voor verweerder moeilijk te monitoren of eiser daadwerkelijk Nederland zal verlaten. Verder heeft verweerder niet (tijdig) over voldoende informatie beschikt om te kunnen beoordelen of een borgsom voor eiser soelaas kon bieden. Tot slot is
1. ECLI:NL:RVS:2021:2300.
er geen aanleiding voor het oordeel dat de medische voorzieningen in het detentiecentrum voor eiser niet toereikend zouden zijn. Gelet op dit alles heeft verweerder niet hoeven volstaan met het opleggen van een lichter middel dan de maatregel van bewaring.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
-verklaart het beroep ongegrond;
-wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.W.M. Engels, griffier.
De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:
29 november 2022
en is openbaar gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl
Mr. R.J.A. Schaaf M.A.W.M. Engels
Rechter Griffier
Rechtbank Midden-Nederland Rechtbank Midden-Nederland
Documentcode: [documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.