Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2021-07-06
ECLI:NL:RBDHA:2021:7439
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,061 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL20.12062
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser, V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. T. Thissen),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. V. Ilic).
Procesverloop
In het besluit van 13 mei 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingewilligd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) om het onderzoek ter zitting achterwege te laten.
Overwegingen
1. Eiser heeft op 14 januari 2019 een asielaanvraag ingediend. Op 16 oktober 2019 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld. Vervolgens heeft eiser op 5 november 2019 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag. Deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, heeft op 28 november 2019 dit beroep gegrond verklaard (NL19.26685). In die uitspraak heeft de rechtbank bepaald dat verweerder binnen uiterlijk acht weken eiser moet horen in de algemene asielprocedure en als hij dit niet doet hij elke dag een dwangsom verbeurt van € 100,- met een maximum van € 15.000,-.
2. Verweerder heeft op 13 mei 2020 op de asielaanvraag van eiser beslist. Daarbij heeft verweerder inzake de toekenning van de verbeurde rechterlijke dwangsom overwogen dat eiser recht heeft op een dwangsom van € 6.500,-. Eiser is het daarmee niet eens. Verweerder heeft ten onrechte gesteld dat over de periode van 16 maart 2020 tot en met april 2020 geen dwangsom verschuldigd is. Er zijn 110 dagen verstreken vanaf de uitspraak van de rechtbank tot aan het besluit. Hij heeft daarom recht op € 11.000,-.
3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de rechtbank niet bevoegd is om van het beroep kennis te nemen omdat geschillen over de hoogte van een rechterlijke dwangsom thuishoren bij de burgerlijke rechter.
4. De rechtbank overweegt als volgt.
Het beroep richt zich tegen de vaststelling van de hoogte van de verbeurde rechterlijke dwangsom. Uit artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb en de geschiedenis van de totstandkoming 1 ervan volgt dat een dergelijke dwangsom ten uitvoer kan worden gelegd volgens de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Voor zover verweerder in het bestreden besluit de hoogte van de verschuldigde dwangsom heeft vastgesteld, bevat dit besluit daarom geen publiekrechtelijke rechtshandeling. De bevoegdheid tot het nemen van deze beslissing is immers niet aan het publiekrecht ontleend. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling. In zoverre is het bestreden besluit dan ook geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Dat betekent dat eiser niet bij de bestuursrechter kan procederen over de hoogte van de dwangsom en zich daarvoor tot de burgerlijke rechter zal moeten wenden.
5. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank zich onbevoegd om van het beroep kennis te nemen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De bestuursrechter verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.J. Valk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1152.