Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2022-07-21
ECLI:NL:RBDHA:2022:7904
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,105 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL20.20589
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A. Agayev),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Eiser heeft op 26 februari 2021 het beroep ingetrokken en verzocht om vergoeding van proceskosten.
Op verzoek van de rechtbank heeft verweerder bij brief van 2 maart 2021 gereageerd.
De rechtbank doet met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
1. Eiser heeft op 12 mei 2019 een asielaanvraag ingediend. Op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 bedraagt de beslistermijn zes maanden. De rechtbank stelt vast dat verweerder geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheden in het vierde en het vijfde lid om deze termijn te verlengen. Dit betekent dat verweerder in beginsel op 12 november 2019 een beslissing had moeten nemen. 2. Bij beschikking van 11 november 2020 is een inwilligend besluit genomen op de asielaanvraag.
3. Op 30 november 2020 heeft eiser dit beroep ingediend met als reden dat er geen rechterlijke dwangsom is vastgesteld in het bestreden besluit.
4. Verweerder heeft bij brief van 24 februari 2021, naar aanleiding van de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 9 maart 2020 aan eiser een rechterlijke dwangsom toegekend van € 15.000.
5. Eiser heeft op 26 februari 2021 het beroep ingetrokken en verzocht om vergoeding van proceskosten.
6. Verweerder heeft bij schrijven van 2 maart 2021 meegedeeld geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten te zien. Verweerder is van mening dat er geen proceskosten zijn verschuldigd, omdat het beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Verweerder merkt op dat eiser alleen beroep kan instellen tegen wat in het bestreden besluit vermeld staat. Nu hierin niets vermeld staat over de
rechterlijke dwangsom kan hiertegen geen beroep worden ingesteld.
7. De rechtbank moet ambtshalve onderzoeken of zij bevoegd is kennis te nemen van het geschil.
8. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 april 2020, is de bestuursrechter niet bevoegd te oordelen over de verschuldigdheid van de rechterlijke dwangsom. De beslissing over de verschuldigdheid van een door de bestuursrechter vastgestelde dwangsom ligt bij de burgerlijke rechter. Dat volgt uit artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb. De bevoegdheid tot het nemen van die beslissing is niet aan het publiekrecht ontleend, zodat die beslissing geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb oplevert. Dat betekent dat eiser niet bij de bestuursrechter kan procederen over de verschuldigdheid van de dwangsom en het daarmee verbonden verzoek tot veroordeling in de proceskosten. Hij zal zich daarvoor tot de burgerlijke rechter moeten wenden.
9. De rechtbank is daarom kennelijk niet bevoegd om inhoudelijk kennis te nemen van het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Eiser kan zich voor de beslechting van het geschil over de verschuldigdheid van de proceskosten wenden tot de burgerlijke rechter.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek tot veroordeling in de proceskosten.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. M.Ch. Grazell, griffier, openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.
ECLI:NL:RBLIM:2020:1903.
ECLI:NL:RVS:2020:1152.