Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2021-03-30
ECLI:NL:RBDHA:2021:3144
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,955 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL21.3072
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiseres], eiseres,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M. Drenth),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. J.P. Guérain).
Procesverloop
Bij besluit van 26 februari 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarnaast heeft verweerder ambtshalve bepaald dat eiseres niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en verleent hij aan eiseres geen uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiseres is aangezegd Nederland onmiddellijk te verlaten en aan haar is een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL21.3073, plaatsgevonden op 26 maart 2021. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Inleiding
1. Eiseres heeft de Venezolaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum eiseres]. Zij heeft op 16 mei 2019 een asielaanvraag ingediend. Daaraan legt zij ten grondslag dat zij bij terugkeer naar Venezuela vreest slachtoffer te worden van schending van mensenrechten, repressie, misdaad en corruptie, hoewel zij daar zelf tot nu toe nooit slachtoffer van is geweest. Eiseres zal in Venezuela weer deelnemen aan demonstraties, waarbij zij vreest voor haar leven. Weliswaar heeft zij in het verleden ook deelgenomen aan demonstraties en daarbij nooit problemen ondervonden, maar andere demonstranten hebben wel problemen ondervonden. Zij heeft geluk gehad, aldus eiseres.
2. Volgens verweerder bevat het asielrelaas van eiseres de volgende relevante elementen:
- identiteit, nationaliteit en herkomst;
- meegelopen met demonstraties.
Verweerder acht de hiervoor genoemde elementen geloofwaardig. Zij heeft volgens verweerder echter geen gegronde reden om te vrezen voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag, nu zij niet in de negatieve aandacht van de Venezolaanse autoriteiten staat. Bovendien heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Eiseres komt daarom niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder f, van de Vw.
Beoordeling
Deelname aan demonstraties
3. Eiseres voert aan dat zij door haar deelname aan demonstraties in de negatieve belangstelling staat van de Venezolaanse autoriteiten. Daarbij is van belang dat de omstandigheden is Venezuela zijn verslechterd sinds eiseres daar is vertrokken. Verweerder heeft onzorgvuldig gehandeld door die negatieve veranderingen niet mee te wegen. Ter onderbouwing van die veranderde omstandigheden wijst eiseres op de volgende bronnen:
- UNHCR Guidance Note on International Protection Consideration for Venezuelans, mei 2019;
- OHCHR, ‘Venezuela: UN report urges accountability for crimes against humanity’, 16 september 2020;
- Amnesty International, Hunger for Justice: Crimes against Humanity in Venezuela, 14 mei 2019;
- EenVandaag, ‘Couppoging Guaidó in Venezuela: ‘Het lijkt er niet op dat dit het einde van Maduro betekent’’, 30 april 2019;
- Inter-American Commission on Human Rights, Annual Report 2019.
3.1.
Niet in geschil is dat eiseres niet behoort tot één van de risicogroepen als bedoeld in paragraaf C7/30.3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich verder terecht op het standpunt gesteld dat niet kan worden gesproken van significante kritiek waardoor eiseres in de negatieve aandacht van de autoriteiten staat. De niet nader onderbouwde stellingen dat eiseres wel herkenbaar is geweest bij demonstraties, dat zij op sociale media haar steun heeft betuigd aan deze evenementen en dat zij kritiek heeft geuit op de autoriteiten, doen daar niet aan af. Daarbij is van belang dat eiseres verklaart dat zij achteraan liep bij demonstraties. Eiseres heeft bij die demonstraties dus geen prominente rol gespeeld. Van belang is ook dat eiseres zelf verklaart dat zij niet in de negatieve aandacht van de autoriteiten staat en dat zij nooit problemen heeft ondervonden, terwijl zij Venezuela meermaals met het vliegtuig is in- en uitgereisd waarbij haar paspoort werd gecontroleerd.
3.2.
Het betoog dat de omstandigheden in Venezuela sinds haar vertrek zijn verslechterd, dat zij juist daardoor in de negatieve aandacht van de autoriteiten staat, en dat verweerder die verslechteringen onvoldoende heeft meegewogen, volgt de rechtbank niet. Hoewel uit de door eiseres overgelegde bronnen en het Algemeen Ambtsbericht Venezuela van juni 2020 (hierna: AA) volgt dat de humanitaire situatie in Venezuela zorgelijk is, zegt dit niet direct iets over de mogelijke negatieve aandacht voor personen die in het verleden weleens hebben gedemonstreerd. Er zijn geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht waaruit blijkt dat juist eiseres bij terugkeer in verband zal worden gebracht met haar deelname aan demonstraties en de kritiek die zij stelt te hebben geuit op sociale media. De stelling dat eiseres zal opvallen omdat zij een tijd in het buitenland heeft verbleven, heeft verweerder onder verwijzing naar het recente Ambtsbericht terecht niet gevolgd. Verweerder heeft er daartoe terecht op gewezen dat mogelijke problemen bij terugkeer afhankelijk zijn van het profiel van de terugkeerder en de mogelijke dreiging die de persoon vormt voor de regering (AA, p112). Nu eiseres in het verleden geen problemen heeft gehad en niet is gebleken van significante kritiek, is niet aannemelijk dat zij bij terugkeer een mogelijke dreiging voor de regering vormt. Voor zover eiseres stelt dat zij in de toekomst opnieuw zal deelnemen aan demonstraties, heeft zij dit niet aannemelijk gemaakt. Verder blijkt uit de bronnen duidelijk dat de Venezolaanse autoriteiten geweld niet schuwen en demonstraties vaak hard neerslaan, maar dat betekent niet dat de omstandigheden in Venezuela dusdanig zijn veranderd dat iedere demonstrant ongeacht diens rol bij de demonstratie een reëel risico loopt op onmenselijke behandeling als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Nu uit de verklaringen van eiseres niet blijkt dat er sprake is van een fundamentele politieke overtuiging, mag van eiseres verder terughoudendheid worden verwacht bij het deelnemen aan nieuwe demonstraties en het uiten van kritiek op de Venezolaanse autoriteiten (vergelijk de uitspraak van 26 juni 2019 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2019:1970).
3.3.
Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich terecht en voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij als gevolg van haar deelname aan demonstraties een gegronde vrees voor vervolging heeft, dan wel een reëel risico loopt op onmenselijke behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM. De beroepsgrond faalt.
Algemene situatie
4. Eiseres betoogt dat zij bescherming dient te genieten omdat zij in Venezuela niet over basale voorzieningen (zoals voedsel, onderdak, elektriciteit en medische zorg) kan beschikken. Bovendien loopt eiseres als gevolg van de coronapandemie een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM.
4.1.
Voor zover betoogt dat de algemene situatie in Venezuela maakt dat zij een gegronde vrees voor vervolging heeft als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag, faalt dit betoog. Een beroep op de algemene situatie valt buiten de toepassing van het Vluchtelingenverdrag, nu op grond van artikel 1A, aanhef onder (2) van dat Verdrag is vereist dat de vreemdeling persoonlijk vreest voor vervolging om redenen van ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep. Verweerder stelt in het verweerschrift terecht dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in Venezuela verstoken zal zijn van elementaire voorzieningen waardoor zij ernstig in haar bestaansmogelijkheden zal worden beperkt op één van de hiervoor genoemde gronden.
4.2.
Voor zover eiseres betoogt dat de algemene situatie in Venezuela maakt dat zij een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM, overweegt de rechtbank als volgt.
4.2.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in het verweerschrift terecht en onder verwijzing naar de door eiseres genoemde verslechteringen op het standpunt heeft gesteld dat de veiligheids- en humanitaire situatie in Venezuela weliswaar zorgelijk is, maar dat niet gebleken is dat er thans sprake is van een zodanige mate van geweld dat er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar Venezuela aldaar enkel door zijn aanwezigheid een reëel risico loopt het slachtoffer te worden van dat geweld. Uit de verschillende bronnen die eiseres heeft aangehaald volgt dat er in Venezuela geregeld mensenrechtenschendingen voorkomen, dat de veiligheidssituatie daar precair is, en dat er sprake is van een humanitaire crisis, maar van een intern gewapend conflict is geen sprake. Er is dus geen sprake van een ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict, zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn.
4.2.2.
Uit de arresten M.S.S t. België en Griekenland (ECLI:CE:ECHR:2011:0121JUD003069609) en Sufi en Elmi t. het Verenigd Koninkrijk (ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907) van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens kan worden afgeleid dat sociaaleconomische en humanitaire omstandigheden slechts in uitzonderlijke omstandigheden leiden tot de conclusie dat er sprake is van een schending van artikel 3 van het EVRM. Voor zover eiseres bij terugkeer naar Venezuela daadwerkelijk geen basale voorzieningen kan verkrijgen, levert dit pas een schending van artikel 3 van het EVRM op als de autoriteiten zich onverschillig tonen of de humanitaire noodsituatie in de hand werken. Uit de door eiseres aangehaalde bronnen en uit ambtshalve bekende informatie volgt niet dat daarvan sprake is.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars-Mast, rechter, in aanwezigheid vanmr. R. Groeneveld, griffier.
De uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.