Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-03-23
ECLI:NL:RBDHA:2026:6378
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,434 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:6378 text/xml public 2026-03-25T17:00:05 2026-03-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-23 NL26.2939 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:6378 text/html public 2026-03-24T09:10:43 2026-03-25 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:6378 Rechtbank Den Haag , 23-03-2026 / NL26.2939 Dublin Bulgarije, gegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL26.2939 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 maart 2026 in de zaak tussen [eiser], v-nummer: [nummer], eiser (gemachtigde: mr. E. Derksen), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. N.N. Mikolajczyk). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 16 januari 2026 niet in behandeling genomen omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de aanvraag. 1.1. De rechtbank heeft het beroep, samen met zaak NL26.2940, op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden. 3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Totstandkoming van het besluit 4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Bulgarije een verzoek om overname gedaan. Bulgarije heeft dit verzoek aanvaard. Heeft de minister het bestreden besluit voldoende zorgvuldig voorbereid? 5. Eiser betoogt dat sprake is van een zorgvuldigheidsgebrek. Hij wijst erop dat hij pas na het voornemen en nadat het claimakkoord tot stand was gekomen is voorzien van een advocaat, en dat het hoorverslag niet gelijktijdig met het voornemen is uitgebracht en dat eiser daarvan pas kennis heeft kunnen nemen na toewijzing van een advocaat. Dit is volgens eiser in strijd met artikel 5 van de Dublinverordening en het zorgvuldigheidsbeginsel. 5.1. Het betoog slaagt. Op de zitting heeft de gemachtigde van de minister bevestigd dat het toewijzen van een advocaat in deze zaak niet is verlopen zoals dat hoort. In het verslag van het gehoor in de aanmeldfase van 2 november 2025 staat opgenomen dat eiser zal worden gekoppeld aan een advocaat, maar de koppeling met de gemachtigde van eiser heeft desondanks pas een maand later, op 2 december 2025 plaatsgevonden. Dat is na de totstandkoming van het claimakkoord en na het uitbrengen van het voornemen. 5.1.1. Uit het betoog van eiser maakt de rechtbank op dat eiser door de late toewijzing van een advocaat ook niet tijdig kennis heeft kunnen nemen van het verslag van het gehoor in de aanmeldfase. De minister heeft dit niet bestreden. Uit artikel 5, zesde lid, van de Dublinverordening volgt dat eiser en/of zijn gemachtigde tijdig toegang moet krijgen tot een schriftelijke samenvatting met daarin de belangrijkste informatie die eiser heeft verstrekt. In paragraaf C1/2.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) staat dat het rapport van het gehoor uiterlijk gelijktijdig met het voornemen aan de vreemdeling bekend wordt gemaakt. Aan deze bepalingen is door de minister in dit geval niet voldaan. Daarmee is sprake van een zorgvuldigheidsgebrek. Om die reden verklaart de rechtbank het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit. 5.1.2. De rechtbank ziet echter aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand worden gelaten met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De reden daarvoor is dat eiser niet heeft geconcretiseerd hoe hij in zijn belangen is geschaad. Kan ten aanzien van Bulgarije worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel? 6. Eiser betoogt dat de minister ten aanzien van Bulgarije niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Eiser wijst op het AIDA Country-Report Bulgaria: 2024 update (AIDA-rapport: 2024 update). Daaruit blijkt volgens eiser dat de opvanglocaties sinds 2025 in een constante staat van verslechtering verkeren. Ook blijkt uit het AIDA-rapport: 2024 update dat opvolgende asielaanvragen in Bulgarije niet-ontvankelijk kunnen worden verklaard zonder mondeling gehoor en dat toegang tot effectieve rechtsbescherming vaak ontbreekt omdat asielzoekers geen toegang hebben tot een tolk. De minister kan volgens eiser daarom niet alleen verwijzen naar potentiële rechtsbeschermingsmogelijkheden omdat hij niet heeft onderbouwd dat eiser daartoe in Bulgarije daadwerkelijk toegang zal hebben. Eiser betoogt verder dat hij een kwetsbare asielzoeker is die traumatische ervaringen heeft meegemaakt, lichamelijke klachten heeft en eerder problemen heeft meegemaakt in Bulgarije. 6.1. Eiser betoogt verder dat de minister een onjuiste toets heeft aangelegd door te verwijzen naar het arrest van het Hof van Justitie van 19 maart 2019 (Jawo). Uit het arrest Jawo volgt volgens eiser dat niet alleen ‘ernstige systeemfouten’ kunnen leiden tot een schending van artikel 3 van het EVRM, maar dat dat ook het geval is als eiser na terugkeer naar Bulgarije terechtkomt in een verregaande staat van materiële deprivatie. Volgens eiser heeft de minister nagelaten om een individuele afweging te verrichten. 6.2. Bij de beoordeling van de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een door een vreemdeling in een van de lidstaten ingediend asielverzoek, mag de minister uitgaan van het vermoeden dat de behandeling van de vreemdeling in de aangezochte lidstaat in overeenstemming is met de bepalingen van het EU Handvest, het Vluchtelingenverdrag en het EVRM. Dit is het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Uit artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening en de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt echter dat de minister een vreemdeling niet mag overdragen aan de verantwoordelijke lidstaat als hij niet onkundig kan zijn van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in dat land waardoor eiser een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het EU Handvest. De minister moet bij zijn beoordeling alle informatie betrekken die eiser heeft ingebracht, en ook uit eigen beweging rekening houden met relevante en objectieve informatie waarvan hij kennis heeft. Als blijkt van tekortkomingen die structureel of fundamenteel zijn, moeten die tekortkomingen een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken om tot een schending van artikel 4 van het EU Handvest te leiden. Niet iedere schending van een grondrecht door de verantwoordelijke lidstaat heeft onder de Dublinverordening gevolgen voor de verplichtingen van de overige lidstaten. 6.3. Het betoog van eiser slaagt niet. De minister wijst terecht op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 26 mei 2025.
Volledig
De Afdeling neemt de motivering over van de aan die uitspraak ten grondslag liggende uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch waaruit, voor zover relevant, volgt dat uit het AIDA-rapport: 2024 update niet volgt dat de situatie met betrekking tot de opvangomstandigheden en rechtsbijstand in Bulgarije slechter zijn dan blijkt uit de rapporten van AIDA van maart 2023 (update 2022) en april 2024 (update 2023) en dat de minister zich ook op met inachtneming van het AIDA-rapport: 2024 update terecht op het standpunt heeft gesteld dat ten aanzien van Bulgarije nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit kan worden gegaan. 6.4. De rechtbank ziet in de verwijzing van eiser naar het AIDA-rapport: 2024 update dan ook geen reden om nu anders te oordelen. Het betoog van eiser dat opvolgende asielaanvragen niet-ontvankelijk kunnen worden verklaard zonder persoonlijk gehoor slaagt niet, nu eiser geen asielaanvraag heeft gedaan in Bulgarije en nergens uit blijkt dat zijn aanvraag desondanks als opvolgende aanvraag zal worden behandeld. Gezien de uitspraak van de Afdeling slaagt ook het betoog van eiser niet dat hij in Bulgarije onvoldoende toegang zal hebben tot rechtsbijstand mocht. Anders dan eiser betoogt, is het aan hem om aannemelijk te maken dat de toegang tot effectieve rechtsbescherming ontbreekt. Met een algemene en niet nader toegelichte verwijzing naar het AIDA-rapport: 2024 update, is hij daarin niet geslaagd op dit punt. De rechtbank volgt ook niet het betoog van eiser dat hij een kwetsbare asielzoeker is, nu hij dat betoog in het geheel niet heeft onderbouwd. Eiser wijst nog op de problemen die hij in Bulgarije heeft ondervonden, maar maakt niet concreet welke dat zijn en hoe die problemen volgens hem maken dat hij kwetsbaar is. Daarbij is niet gebleken dat, mocht eiser op welke manier dan ook in de problemen komen, hij daarover niet zou kunnen klagen of hulp zou kunnen zoeken bij de Bulgaarse autoriteiten. 6.5. Het betoog dat de minister een onjuiste toets heeft aangelegd slaagt eveneens niet. De minister heeft in het bestreden besluit overwogen dat niet is gebleken dat eiser ‘ in een situatie terecht zal komen als bedoeld in het arrest Jawo’ . Eiser heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat hij in Bulgarije terecht zal komen in een staat van verregaande materiële deprivatie. Had de minister de aanvraag van eiser zelf in behandeling moeten nemen op grond van artikel 17 van de Dublinverordening? 7. Ook betoogt eiser dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om de aanvraag van eiser (onverplicht) zelf te behandelen op grond van artikel 17 van de Dublinverordening. 7.1. Het betoog slaagt niet. Eiser heeft in zijn zienswijze slechts betoogd dat de minister de aanvraag zelf in behandeling zou moeten nemen op dezelfde gronden als waarmee hij betoogt dat ten aanzien van Bulgarije niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Deze gronden heeft de minister echter al betrokken bij zijn beoordeling in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hoewel de minister in het besteden besluit inderdaad geen expliciete vermelding heeft gemaakt van artikel 17 van de Dublinverordening kan dit betoog daarom niet (ook) leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Conclusie en gevolgen 8. Gelet op wat onder 5.1 en verder is overwogen is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank laat uit het oogpunt van definitieve geschilbeslechting de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand, omdat niet is gebleken dat eiser in zijn belangen is geschaad. 8.1. Omdat het beroep gegrond is, bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De rechtbank veroordeelt de minister daarom in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde rechtmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van €934 en een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: -verklaart het beroep gegrond; -vernietigt het besluit van 16 januari 2026; - bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven; - veroordeelt de minister tot betaling van €1.868 aan proceskosten aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, rechter, in aanwezigheid van mr. R.C. Lubbers, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Zie de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 6 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:2068. Zaak C163/17, ECLI:EU:C:2019:218. Dit toetsingskader volgt uit HvJEU 29 februari 2024 (arrest X.), ECLI:EU:C:2024:195, en ABRvS 4 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3455. EHRM 21 januari 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0121JUD003069609 (M.S.S. tegen België en Griekenland), overweging 263, en HvJEU 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218 (Jawo), punten 91-93. Arrest van het EHRM van 2 juli 2020, ECLI:CE:ECHR:2020:0702JUD002882013 (N.H.), punt 82. ECLI:NL:RVS:2025:2387. Zie de uitspraak van zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch van 8 mei 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:17552. Pagina 3 van het bestreden besluit. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 2 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1860.